Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2344

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
200.182.278/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terechte benoeming bijzondere curator, beslissing tot het gelasten van DNA-onderzoek is een tussenbeschikking waartegen geen hoger beroep kan worden ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/48.13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 14 juni 2016

Zaaknummer: 200.182.278/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/579071 / FA RK 15-23 (AW MW)

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. L. Nix te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.

1.2.

Als belanghebbenden worden aangemerkt: [belanghebbende 1] , wonende te [plaats a] (hierna: [belanghebbende 1] ), [belanghebbende 2] , wonende te [plaats b] (hierna: [belanghebbende 2] ) en mr. A.R.M. van Kempen, kantoorhoudende te Amsterdam (hierna: de bijzondere curator).

1.3.

[appellant] is op 18 december 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 22 oktober 2015 en een gedeelte van de beschikking van 2 december 2015 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/579071 / FA RK 15-23 (AW MW).

1.4.

De bijzondere curator heeft op 4 februari 2016 een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 8 februari 2016 is een brief met bijlage van Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de GI) ingekomen.

1.6.

De zaak is op 21 april 2016 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- [appellant] , bijgestaan door zijn advocaat;

- [belanghebbende 1] , bijgestaan door mr. T.J.E. op de Weegh te Alkmaar;

- [belanghebbende 2] , bijgestaan door mr. C. Teerenstra te Castricum;

- de bijzondere curator;

- de gezinsmanager, namens de GI;

- mevrouw M. Willems, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad), vergezeld door een collega.

1.8.

De hoofdadvocaat-generaal is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

[appellant] en [belanghebbende 1] zijn [in] 2005 gehuwd. Hun huwelijk is op 13 augustus 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 februari 2014 in de registers van de burgerlijke stand. Uit de voorhuwelijkse relatie van partijen is geboren [kind a] [in] 2001 (hierna: [kind a] ). Uit het huwelijk van partijen zijn geboren [kind b] [in] 2007 (hierna: [kind b] ) en [kind c] geboren [in] 2014 (hierna [kind c] ). [kind a] en [kind b] verblijven bij [appellant] .

2.2.

Bij beschikking van 4 maart 2015 van de rechtbank Amsterdam is mr. Van Kempen benoemd tot bijzondere curator over [kind c] . Bij de in zoverre niet bestreden beschikking van 2 december 2015 van de rechtbank Amsterdam is een DNA-onderzoek gelast met betrekking tot de vraag of [belanghebbende 2] de biologische vader van [kind c] is. Uit dit onderzoek is gebleken dat deze vraag met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bevestigend dient te worden beantwoord. De rechtbank Amsterdam heeft vervolgens, op het daartoe strekkende verzoek van de bijzondere curator, bij beschikking van 10 februari 2016 de ontkenning van het vaderschap van [appellant] gegrond verklaard. De procedure tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [belanghebbende 2] is thans aanhangig. [kind c] verblijft sinds 12 maart 2016 bij [belanghebbende 2] . Daarvoor verbleef hij in het kader van een uithuisplaatsing in een pleeggezin.

2.3.

[kind a] , [kind b] en [kind c] zijn onder toezicht gesteld van de GI.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking van 22 oktober 2015 is mr. Van Kempen, op eigen verzoek, tot bijzondere curator over [kind b] benoemd.

Bij de bestreden beschikking van 2 december 2015 is, voor zover in hoger beroep van belang, een DNA-onderzoek gelast met betrekking tot de vraag of [belanghebbende 2] de biologische vader van [kind b] is. De beslissing op het verzoek van de bijzondere curator tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [appellant] en tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [belanghebbende 2] is aangehouden.

3.2.

[appellant] verzoekt de bestreden beschikking van 22 oktober 2015 te vernietigen en, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking van 2 december 2015 te vernietigen voor zover deze betrekking heeft op [kind b] .

3.3.

De bijzondere curator verzoekt [appellant] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, dan wel dit verzoek af te wijzen en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen. [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] hebben ter zitting in hoger beroep verklaard zich aan te sluiten bij het verzoek van de bijzondere curator.

4. Beoordeling van het hoger beroep van de bestreden beschikking van 22 oktober 2015

4.1.

Ter beoordeling aan het hof ligt voor of mr. Van Kempen terecht en op goede gronden tot bijzondere curator over [kind b] is benoemd.

4.2.

[appellant] betoogt dat mr. Van Kempen ten onrechte tot bijzondere curator over [kind b] is benoemd. Hij voert hiertoe aan dat de benoeming niet in het belang van [kind b] is. De benoeming is een onnodige belasting voor haar, nu zij gelet op haar jeugdige leeftijd zelf geen overwogen mening heeft kunnen vormen over de wijziging van het juridisch vaderschap, aldus [appellant] . Voorts stelt [appellant] dat de bestreden beschikking geheel ongemotiveerd is.

4.3.

De bijzondere curator is van mening dat zij terecht door de rechtbank is benoemd. Zij voert hiertoe het volgende aan. In het kader van de afstammingsprocedure ten aanzien van [kind c] , over wie zij reeds tot bijzondere curator was benoemd, is de bijzondere curator ermee bekend geworden dat bij [appellant] , [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] het vermoeden bestaat dat niet [appellant] , maar [belanghebbende 2] de biologische vader van [kind b] is en dat [kind b] daar zelf ook van op de hoogte is. [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en de gezinsmanager hebben de bijzondere curator voorts te kennen gegeven het in het belang van [kind b] te achten dat er duidelijkheid zou komen over haar afstamming. De gezinsmanager gaf daarbij aan dat [kind b] last heeft van de onduidelijkheid over haar afstamming en daar veel vragen over heeft. Om die reden heeft de bijzondere curator de rechtbank verzocht haar tot bijzondere curator over [kind b] te benoemen. Op die wijze kon zij namens [kind b] een verzoek indienen tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [appellant] en tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [belanghebbende 2] . Nu er inmiddels duidelijkheid bestaat over de afstamming van [kind c] , zijn de vragen en onzekerheid van [kind b] over haar afstamming alleen maar toegenomen. Bovendien bouwt [kind b] thans een band op met [belanghebbende 2] . Zij heeft (samen met [kind a] ) om de week omgang met haar moeder en [kind c] bij [belanghebbende 2] thuis. Het is dan ook in het belang van [kind b] dat er op korte termijn duidelijkheid komt over haar afstamming, aldus de bijzondere curator.

[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] hebben ter zitting in hoger beroep eveneens verklaard het in het belang van [kind b] te achten dat zij duidelijkheid krijgt over haar afstamming.

4.4.

De gezinsmanager heeft ter zitting in hoger beroep verklaard zich aan te sluiten bij de beslissing van de rechtbank en de te nemen beslissing van het hof.

4.5.

De vertegenwoordiger van de Raad heeft zich ter zitting in hoger beroep afgevraagd wat er thans bij [kind b] speelt. Gaat het haar om het DNA-onderzoek of om haar woonsituatie? De Raad adviseert hierover met [kind b] in gesprek te gaan, hetgeen kan worden gedaan door bijvoorbeeld de gezinsmanager of de bijzondere curator. De Raad acht het in het belang van [kind b] dat, voordat eventueel een DNA-onderzoek wordt uitgevoerd, duidelijkheid dient te bestaan over de gevolgen van de uitkomst daarvan.

4.6.

Het hof overweegt als volgt.

De omstandigheid dat de beschikking van 22 oktober 2015 niet is gemotiveerd, is op zichzelf niet voldoende voor toewijzing van het verzoek van [appellant] in hoger beroep. Voor zover hier sprake is van een omissie, dient het hoger beroep ertoe om dit te herstellen. De tweede grief faalt derhalve bij gebrek aan belang.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de bijzondere curator, in het kader van de afstammingsprocedure ten aanzien van [kind c] , heeft gesignaleerd dat er onduidelijkheid bestaat over de afstamming van [kind b] . [appellant] , [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] spreken tegenover de bijzondere curator het vermoeden uit dat niet [appellant] , maar [belanghebbende 2] de biologische vader van [kind b] is en [kind b] is hier zelf ook van op de hoogte. Uit gesprekken met [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en de gezinsmanager wordt de bijzondere curator voorts duidelijk dat [kind b] veel vragen heeft over haar afstamming. De gezinsmanager geeft daarbij aan dat [kind b] verschillende verhalen heeft gehoord over wie haar vader zou zijn en dat zij daar last van heeft. Ook is [kind b] ermee bekend dat er een afstammingsprocedure ten aanzien van haar broertje [kind c] gaande is.

Gelet op de onzekerheid en de vragen die [kind b] heeft over haar afstamming en de omstandigheid dat haar broertje [kind c] duidelijkheid over zijn afstamming krijgt, is het hof van oordeel dat de rechtbank mr. Van Kempen terecht en op goede gronden tot bijzondere curator over [kind b] heeft benoemd teneinde haar belangen te kunnen behartigen.

Anders dan [appellant] betoogt, is het hof niet gebleken van omstandigheden waarin het belang van [kind b] meebrengt dat over de wijziging van het juridisch vaderschap niet eerder wordt beslist dan nadat zij zelf zich daarover een weloverwogen oordeel heeft kunnen vormen.

5. Ontvankelijkheid van het hoger beroep van de bestreden beschikking van 2 december 2015

5.1.

Het hof dient allereerst ambtshalve te beoordelen of [appellant] in zijn hoger beroep tegen de beschikking van 2 december 2015 kan worden ontvangen. Het hof heeft de ontvankelijkheid van het hoger beroep ter zitting aan de orde gesteld, aangezien de vraag zich voordoet of de bestreden beschikking moet worden aangemerkt als een tussenbeschikking. Ingevolge artikel 358 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan van een tussenbeschikking slechts tegelijk met de eindbeschikking hoger beroep worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.

5.2.

[appellant] stelt zich primair op het standpunt dat de bestreden beschikking een deelbeschikking is. In het dictum wordt op een deel van het door de bijzondere curator verzochte, te weten het gelasten van een DNA-onderzoek naar de vraag of [belanghebbende 2] de biologische vader van [kind b] is, definitief beslist. Van deze beslissing staat hoger beroep open. Subsidiair stelt [appellant] zich op het standpunt dat de rechtbank heeft bepaald dat hoger beroep van de beschikking kan worden ingesteld. Hij heeft de rechtbank immers op de hoogte gesteld van het hoger beroep, waarna de rechtbank hem niet heeft laten weten dat geen hoger beroep kon worden ingesteld, aldus [appellant] .

5.3.

De bijzondere curator betoogt dat sprake is van een tussenbeschikking, waartegen geen hoger beroep kan worden ingesteld.

5.4.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat sprake is van een tussenbeschikking waartegen geen hoger beroep kan worden ingesteld. Het gaat in deze zaak om de vaststelling van het vaderschap ten aanzien van [kind b] . Dat is de essentie van het verzoek van de bijzondere curator. Om op dat verzoek te kunnen beslissen, is DNA-onderzoek noodzakelijk. De rechtbank heeft daartoe bij de bestreden beschikking een deskundige benoemd. Met deze beschikking is nog geen definitieve beslissing gegeven op het verzoek van de bijzondere curator. Dat de bijzondere curator tevens expliciet heeft verzocht een DNA-onderzoek te gelasten, maakt dat niet anders. Dit verzoek is, gelet op de context waarin het is gedaan, niet als een zelfstandig verzoek te beschouwen. Een beslissing daarop moet dan ook niet worden geacht aan het geding omtrent enig deel van het verzochte een einde te hebben gemaakt. Gesteld noch gebleken is voorts dat de rechtbank bij afzonderlijke bepaling hoger beroep tegen de onderhavige beschikking uitdrukkelijk heeft toegelaten. In de stellingen van de man in hoger beroep kan geen beroep op een zogeheten doorbrekingsgrond worden gelezen.

De man kan dan ook niet in het door hem ingestelde hoger beroep worden ontvangen.

5.5.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van 22 oktober 2015 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/579071 / FA RK 15-23 (AW MW);

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van 2 december 2015 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/579071 / FA RK 15-23 (AW MW).

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A. van Haeringen en mr. J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2016.