Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2330

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2016
Datum publicatie
15-07-2016
Zaaknummer
23-005034-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevaar op de weg veroorzaken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005034-15

datum uitspraak: 10 juni 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Alkmaar van 30 november 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-700663-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van

27 mei 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 september 2014 te Alkmaar als bestuurder van een voertuig (politieauto), daarmee rijdende op de weg, Jan van Scorelkade, naast een aldaar op een bromfiets rijdend persoon

([slachtoffer]) is gaan rijden en/of (al rijdende) die persoon heeft vastgepakt, waarna die persoon ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte een verkeerscontrole heeft willen uitvoeren en [slachtoffer] heeft gemaand om te stoppen. [slachtoffer] stopt niet, negeert daarmee een ambtelijk bevel, wordt verdachte, terwijl hij zich bovendien schuldig maakt aan artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte pakt [slachtoffer] bij zijn jas om zijn aandacht te trekken. Dit is een bevoegdheid die hem toekomt op grond van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering, Hij handelde rechtmatig.

In de tenlastelegging is de causaliteit tussen het vastpakken en de val niet tot uitdrukking gebracht. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] is gevallen omdat hij gas heeft gegeven. Ook hier ontbreekt het causaal verband.

Het hof verwerpt deze verweren en overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal bevindingen (pagina 16 dossier) blijkt niet dat de politie voor het onderhavige incident aan [slachtoffer] een stopteken heeft gegeven. In ditzelfde proces-verbaal is door de verdachte gerelateerd, dat hij met zijn auto naast de scooter gaat rijden en met zijn linkerhand de arm van de bestuurder vastpakt. Met zijn rechterhand stuurde hij het politievoertuig naar rechts. Hij remde daarbij rustig af en schreeuwde tegen de bestuurder : “Stoppen politie. Nu stoppen”.

[slachtoffer] heeft verklaard, pagina 28 dossier, dat een politieman hem bij de arm pakte en dat hij daardoor ten val kwam. De verdachte heeft verklaard, pagina 41, dat hij de bromfiets wilde gaan controleren op grond van de Wegenverkeerswet.

Het hof merkt op niet te twijfelen aan het waarheidsgehalte van voornoemd, door twee verbalisanten ondertekend, op ambtsbelofte, opgemaakt proces-verbaal van bevindingen.

Het hof is dan ook van oordeel dat [slachtoffer], doordat hij is vastgepakt bij zijn arm uit balans is gebracht waarna hij is gevallen. Andere omstandigheden die de val zou kunnen hebben veroorzaakt zijn niet onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt.

Het hof is gelet op al het voorgaande - in onderling verband en samenhang beschouwd – en gelet op de overige – in een eventueel bij het instellen van een rechtsmiddel tegen dit arrest op te maken aanvulling nog op te nemen – bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat hij gevaar heeft veroorzaakt op de weg.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 september 2014 te Alkmaar als bestuurder van een voertuig, politieauto, daarmee rijdende op de weg, Jan van Scorelkade, naast een aldaar op een bromfiets rijdend persoon, [slachtoffer], is gaan rijden en al rijdende die persoon heeft vastgepakt, waarna die persoon ten val is gekomen, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman is evenals de advocaat-generaal van mening dat de verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft zich aangesloten bij de argumentatie van de advocaat-generaal die heeft aangevoerd dat de verdachte, op grond van het beschikbare bewijs, niet als een strafbare dader kan worden aangemerkt. De verdachte was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en zijn handelen voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Tevens heeft de raadsman gesteld dat de verdachte, als politieman, correct en binnen zijn bevoegdheden heeft gehandeld. Van belang daarbij is dat van een politieman wordt verwacht dat hij handelend optreedt en het gezag van de politie niet wordt ondermijnd.

Voor zover hetgeen door de raadsman is aangevoerd bedoeld mocht zijn als een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand verwerpt het hof dit verweer.

Voor een geslaagd beroep op noodtoestand is vereist dat er sprake is van een gedraging die voortvloeit uit actuele concrete nood en die geëigend is om daar een eind aan te maken. Bovendien moet het gedrag een toetsing aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit kunnen doorstaan.

Het hof is van oordeel dat er geen sprake was van een actuele concrete nood, nu de verdachte een scooterrijder wilde controleren op grond van de Wegenverkeerswet. Het gediende belang, het belang van een algemene controlebevoegdheid, is daarmee niet “meerwaardig” aan het geschonden strafrechtelijk belang, het belang van de verkeersveiligheid. Reeds hierom behoeft het verweer verder geen bespreking.

Voor zover hetgeen door de raadsman is aangevoerd bedoeld mocht zijn als een beroep op ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid verwerpt het hof dit verweer.

De door de politieman gebruikte methode om de scooterrijder aan te houden is geen “redelijk middel” voor het gestelde doel.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kantonrechter in de rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De verdachte is met zijn auto links naast de scooter gaan rijden en heeft met zijn linkerhand de arm van [slachtoffer] vastpakt. Met zijn rechterhand stuurde hij het politievoertuig naar rechts. Hij remde daarbij rustig af. Door deze gedragingen heeft de verdachte gevaar op de weg veroorzaak. [slachtoffer] is door zijn handelen uit balans geraakt en gevallen. Voornoemd handelen van de verdachte had ernstigere gevolgen kunnen hebben dan nu het geval is geweest. Dat dit handelen van de verdachte geen fatale gevolgen voor [slachtoffer] of andere verkeersdeelnemers heeft gehad, is slechts aan omstandigheden buiten verdachtes toedoen te danken.

Het hof is van oordeel dat dergelijk handelen van de verdachte ontoelaatbaar is.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het tenlastegelegde ook impact heeft gehad op de verdachte. Hij is door de korpsleiding berispt. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet nogmaals op deze wijze zou handelen.

In verband met het voorgaande acht het hof het raadzaam te bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. J.A.M. de Wit en mr. J.H. de Graaf, in tegenwoordigheid van

mr. O. Boekraad, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

10 juni 2016.

Mr. J.H. de Graaf is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.