Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2326

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
23-000867-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak deelname criminele organisatie. Onvoldoende bewijs voor een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen de verdachte en medeverdachten gericht op het plegen van misdrijven.

Vrijspraak voorbereidingshandelingen plofkraken. Niet kan worden vatgesteld dat de verdachte op dat moment het voornemen had de voorwerpen daadwerkelijk overeenkomstig de kennelijke bestemming te gaan gebruiken. Het enkele voorhanden hebben van voor een misdadig doel geschikte voorwerpen en/of middelen is daartoe onvoldoende.

Vrijspraak medeplegen inbraak. Niet blijkt van een dusdanige regisserende rol, dan wel (intellectuele) bijdrage van zodanig gewicht dat gesproken kan worden en een nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van de inbraak.

Vrijspraak heling auto. Onvoldoende bewijs.

Vrijsrpaak medeplegen diefstal auto. Hoewel berichten tussen verdachte en medeverdachten op zijn minst gezegd zeer opmerkelijk zijn, bevat het dossier geen bewijsmiddelen die inhouden dat de verdachte ten tijde van de diefstal in de plaats waar de auto is gestolen, is geweest, dan wel anderszins nauw bij de diefstal betrokken is geweest, dat sprake is van medeplegen.

Veroordeling voor poging zware mishandeling (met auto inrijden op agenten), (medeplegen van) opzetheling, overtreding van de OPiumwet, overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet en gewoontewitwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000867-15

datum uitspraak: 16 februari 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2015 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-665071-13 (zaak A) en 13-674246-14 (zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres 1],

thans gedetineerd in PI Achterhoek - Gev. Ooyerhoekseweg te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2016, 26 januari 2016 en 2 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging (ten aanzien van zaak B) is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Zaak A (13-665071-13):

1:
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 november 2012 tot en met 08 oktober 2013 te Amsterdam en/of een of meer (andere) plaats(en), althans in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk (onder andere):

- het tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) plegen en/of voorbereiden van plofkraken, althans diefstallen met braak (als bedoeld in artikel 311 van het Wetboek van strafrecht) voorafgegaan door het teweegbrengen van een ontploffing (als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- het tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) plegen van diefstallen door middel van braak en/of verbreking en/of een valse sleutel (als bedoeld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- het tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) plegen van opzetheling (als bedoeld in artikel 416/1/A van het Wetboek van Strafrecht) en/of het tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) plegen van schuldheling (als bedoeld in artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- het tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van MDMA en/of amfetamine (strafbaar gesteld in artikel 2 sub B en 2 sub D van de Opiumwet) en/of

- het tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) telen en/of in bezit hebben van hennep (strafbaar gesteld in artikel 3 sub B en 3 sub C van de Opiumwet) en/of

- het tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) witwassen van geld en/of auto's en/of andere goederen (als bedoeld in artikel 420bis lid 1 van het Wetboek van Strafrecht),

welke deelneming (onder meer) bestaat uit:

- het (mede)plegen en/of (mede)voorbereiden van plofkraken en/of

- het voorhanden hebben en/of ter beschikking stellen en/of het gebruiken van materialen en/of middelen (een of meer (twee) gasfles(sen) en/of een of meer (drie) lansen) en/of (daaraan verbonden) een taser en/of een of meer (andere) gereedschap(pen)) bestemd voor het plegen van plofkraken en/of het veroorzaken van ontploffingen en/of

- het (mede)plegen van diefstallen door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutel en/of

- het voorhanden hebben en/of ter beschikking stellen en/of het gebruiken van materialen en/of middelen (OBD stekker(s) en/of slotentrekker(s) en/of valse sleutel(s)) bestemd voor het stelen van auto's en/of

- het (mede)plegen van opzetheling en/of

- het telen en/of in bezit hebben van hennep en/of

- het witwassen van geld en/of auto's en/of andere goederen en/of

- het onderhouden van (telefonische) contacten met zijn mededader(s) en/of

- het maken van afspraken met zijn mededader(s) en/of

- het doorgeven van berichten aan zijn mededader(s) en/of

- het verrichten van voorverkenning(en);

2:

hij op of omstreeks 08 oktober 2013 te Amsterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen

en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, ter voorbereiding van het met (een) ander(en),

althans alleen, te plegen misdrijf, te weten brandstichting en/of het veroorzaken van een ontploffing,

opzettelijk een of meer (twee) gasfles(sen) en/of een of meer (drie) lans(en) en/of (daaraan verbonden)

een taser en/of een of meer (andere) gereedschap(pen), kennelijk bestemd tot het (in vereniging) begaan

van dat misdrijf/die misdrijven, heeft verworven en/of vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;

3 primair:

hij op of omstreeks 03 januari 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1]

(agent van politie) en/of [slachtoffer 2] (hoofdagent van politie) van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (personen)auto (merk Mini, met kenteken

[kenteken 1]), accelererend en/of met hoge snelheid, op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] is afgereden, waardoor

die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] opzij moest(en) springen teneinde te voorkomen dat hij/zij werd(en)

aangereden;

3 subsidiair:

hij op of omstreeks 03 januari 2013 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, [slachtoffer 1] (agent van politie) en/of [slachtoffer 2] (hoofdagent van politie) heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is/zijn verdachte en/of

(een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend met een (personen)auto (merk Mini, met

kenteken [kenteken 1]) accelererend en/of met hoge snelheid, op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] afgereden;

4:

hij op of omstreeks 27 januari 2013 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand (gelegen aan perceel

[adres 2]) heeft weggenomen een of meer kluis/kluizen en/of horloge(s) en/of

siera(a)d(en) en/of geldbedrag(en) (te weten (in totaal) 6835 euro en/of (ongeveer) 15000 Thaise Bath),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]., in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te

nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking

en/of valse sleutel, door:

- met een sleutel (waartoe hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren) een deur van voornoemd pand te openen en/of

- ( vervolgens) (met kracht) met een breekijzer en/of een schroevendraaier, in elk geval een hard voorwerp, een of meer (binnen)deur(en) te forceren en/of open te breken en/of

- ( met kracht) met een breekijzer en/of een schroevendraaier, in elk geval een hard voorwerp, voornoemde kluis/kluizen van de mu(u)r(en) te breken en/of te drukken;

5 primair:

hij in of omstreeks de periode van 12 januari 2013 tot en met 16 januari 2013 te Amstelveen tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-

eigening een (personen)auto (merk BMW, type X5, met kenteken [kenteken 2]) heeft weggenomen, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door braak en/of verbreking, door (met een slotentrekker) het/de slot(en) van

voornoemde (personen)auto te forceren en/of open te breken en/of te verwijderen;

5 subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 12 januari 2013 tot en met

24 januari 2013 te Amstelveen en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (personen)auto (merk BMW, type X5, met kenteken [kenteken 2]) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

6 primair:

hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2013 tot en met 19 maart 2013 te Assendelft, gemeente

Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening een (personen)auto (merk BMW, type M3, met kenteken [kenteken 3]) heeft

weggenomen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de / het weg te

nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door braak en/of verbreking,

door (met een slotentrekker) het/de slot(en) van voornoemde (personen)auto te forceren en/of open te breken en/of te verwijderen;

6 subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 18 maart 2013 tot en met 19

maart 2013 te Assendelft, gemeente Zaanstad, en/of Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (personen)auto (merk BMW, type M3, met

kenteken [kenteken 3]) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten

tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten

vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

7:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 18 juni 2013 tot en met 20 juni

2013 te Diemen en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, een (personen)auto (merk BMW, type M3, met kenteken [kenteken 4]) en/of een

kentekenplaat (van het kenteken [kenteken 5]) en/of een of meer (twee) jas(sen) en/of autosleutels (merk

BMW) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van

de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden,

dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

8:

hij op of omstreeks een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 11 mei 2013 tot en

met 16 mei 2013 te Amsterdam en/of Prinsenbeek, gemeente Breda, en/of Woubrugge, gemeente Kaag

en Braasem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, een (personen)auto (merk BMW, type 335i Touring, met kenteken [kenteken 6]) heeft verworven

en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door

diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

9:

hij op of omstreeks 22 mei 2013 te Uithoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 2800 hennepplanten en/of afgeknipte

plantdelen, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, in

elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

10:

hij op of omstreeks 3 januari 2013 en/of 15 mei 2013 te Amsterdam en/of Prinsenbeek en/of Rotterdam

en/of Delft, in elk geval in Nederland, (telkens) als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

(personen)auto, daarmee rijdende op na te noemen weg(en) zich zodanig heeft gedragen dat daardoor

(telkens) gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag (op of omstreeks 3 januari 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland) hieruit:

- verdachte heeft gereden over de Hobbemakade en is gekomen op de kruising met de Ferdinand Bolstraat die kruising op/over gereden met een snelheid van (ongeveer) 50 kilometer per uur, terwijl het voor hem, verdachte, geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde en/of

- verdachte heeft op de Hobbemakade een of meer ma(a)l(en) gereden op de weghelft bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer en/of

- verdachte heeft gereden over de Hobbemakade en is gekomen op de kruising met de Van Woustraat die kruising op/over gereden met een snelheid van (ongeveer) 50 kilometer per uur, terwijl het voor hem, verdachte, geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde en/of

- verdachte heeft gereden op de Van Woustraat met een snelheid van (ongeveer) 80 kilometer per uur, in elk geval met een voor de situatie ter plaatse te hoge snelheid en/of

- verdachte heeft gereden over de Van Woustraat en is gekomen op de kruising met de Ceintuurbaan die kruising op/over gereden met een snelheid van (ongeveer) 50 kilometer per uur, terwijl het voor hem, verdachte, geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde en/of

- verdachte heeft gereden op de Van Woustraat en is op de trambaan gaan rijden en/of is een tramhalte - gezien zijn rijrichting - links voorbij gereden met een snelheid van (ongeveer) 60 kilometer per uur, in elk geval met voor de situatie ter plaatse te hoge snelheid en/of

- verdachte heeft zijn weg vervolgd over de Rijnstraat en heeft aldaar over de trambaan gereden met een snelheid van (ongeveer) 100 kilometer per uur, in elk geval met een voor de situatie ter plaatse te hoge snelheid en/of

- verdachte heeft gereden op de Rijnstraat en is gekomen op de kruising met de Vrijheidslaan die kruising op/over gereden met een snelheid van (ongeveer) 80 kilometer per uur, terwijl het voor hem, verdachte, geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde en/of

- verdachte heeft (vervolgens) gereden over de rijksweg A2 met een snelheid van (ongeveer) 185 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid en/of heeft, gekomen bij de afrit naar de rijksweg A9 op het laatste moment en/of hard geremd, waarna/waarbij hij over de/het verdrijvingsvlak(en) heeft gereden, teneinde de afrit naar de rijksweg A9 te kunnen oprijden

en/of

bestaande dat gedrag (op of omstreeks 15 mei 2013 te Prinsenbeek en/of Rotterdam en/of Delft, in elk

geval in Nederland) hieruit:

- verdachte heeft gereden over de autosnelweg A16 met een snelheid van (ongeveer) 250 kilometer per uur, in elk geval een (veel) hogere snelheid dan aldaar was toegestaan en/of aangeven middels matrixborden als zijnde een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur en/of

- verdachte heeft gereden over de autosnelweg A20 met een snelheid van (ongeveer 170 kilometer per uur, in elk geval een (veel) hogere snelheid dan aldaar was toegestaan en/of aangegeven middels matrixborden als zijnde een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur en/of

- verdachte heeft gereden over een trottoir en/of

- verdachte heeft gereden binnen de bebouwde kom met een snelheid van (ongeveer) 150 kilometer per uur en/of met voornoemde snelheid over een onoverzichtelijke kruising zonder te remmen en/of

- verdachte heeft gereden over de autosnelweg A13 met een snelheid van (ongeveer) 250 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid en/of

- verdachte heeft gereden over de vluchtstrook van de autosnelweg A13 en aldus een of meer (andere) verkeersdeelnemers heeft ingehaald;

Zaak B (13-674246-14):

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2009 tot en met 08 oktober 2013, te Amsterdam en/of Apeldoorn, althans in Nederland, alleen, althans tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), (telkens) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een

of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 35470,04 euro en/of 46440,53 euro omgezet en/of

overgedragen en/of daarvan gebruik gemaakt ten behoeve van (onder meer)

- de huur en/of de aanko(o)p(en) en/of het onderhoud van een of meer auto('s) en/of

- de huur en/of het onderhoud van een woning en/of

- de aanko(o)p(en) van een of meer stuk(ken) meubilair en/of

- de aanko(o)p(en) van een of meer kledingstuk(ken) en/of een of meer paar schoenen en/of

- de huur en/of aanko(o)p(en) van een of meer (andere) goed(eren),

terwijl verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en)

(geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot vrijspraak van het in zaak A onder 1, 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde en daardoor tot een andere strafoplegging komt.

Vrijspraken

Vrijspraak van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van deelname aan een criminele organisatie, waarbij het oogmerk gericht is op het plegen van (auto)diefstallen, heling, Opiumwetdelicten, plofkraken en witwassen. Zij heeft daartoe gesteld dat sprake was van een bepaalde hiërarchie tussen de leden van de organisatie en dat de organisatie professioneel te werk ging. De verdachte heeft in de organisatie een centrale rol gespeeld. Als ex-automonteur werd regelmatig door anderen een beroep gedaan op zijn expertise, beslissingen en diensten. De verdachte had voorts veelvuldig contact met anderen over criminele activiteiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de aan de verdachte ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie, nu het bewijs daarvoor ontbreekt.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht sprake is, als is voldaan aan het vereiste van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Van deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan gedragingen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van genoemd oogmerk.

Het hof is van oordeel dat het in het strafdossier van de verdachte voorhanden zijnde materiaal ontoereikend is voor de vaststelling dat sprake was van een dergelijk samenwerkingsverband. Hoewel is gebleken dat de verdachte in de tenlastegelegde periode met verschillende personen, waaronder de in de tenlastelegging genoemde personen, gesprekken heeft gevoerd die over strafbare feiten (met name autodiefstallen) lijken te gaan, hij meermalen in het gezelschap van deze personen is gezien en bij zowel de verdachte als zijn medeverdachten goederen zijn aangetroffen die bestemd lijken te zijn voor het plegen van in de tenlastelegging genoemde strafbare feiten, bevat het dossier omtrent de aard van hun contacten onvoldoende om bewezen te achten dat sprake is geweest van de hiervoor bedoelde duurzame en gestructureerde samenwerking gericht op het plegen van misdrijven. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat aan de verdachte geen voltooide plofkraken zijn ten laste gelegd en dat het hof, zoals hierna uiteen gezet, de verdachte zal vrijspreken van de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen voor plofkraken en van de ten laste gelegde autodiefstallen. Het hof is van oordeel dat, ten aanzien van de feiten die het hof wel bewezen acht, onvoldoende gebleken is dat deze in of vanuit een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband zijn gepleegd, noch dat is gebleken dat de verdachten met elkaar samenwerkten met het oog op het plegen van dergelijke misdrijven.

Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs vrijspreken van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde.

Vrijspraak van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft betoogd dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de in de woningen van de verdachte aangetroffen goederen geschikt zijn voor het plegen van een plofkraak en niet los gezien kunnen worden van eerder gepleegde plofkraken die, hoewel deze niet ten laste zijn gelegd, met verdachte in verband kunnen worden gebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit, omdat – kort gezegd – niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van enig wilsbesluit bij de verdachte, daadwerkelijk gericht op de voorbereiding van plofkraken.

Het oordeel van het hof

In de kelderboxen behorende bij de woningen in Amsterdam en Apeldoorn waar de verdachte destijds verbleef, zijn op 8 oktober 2013 twee gasflessen, meerdere lansen en een lans met daaraan gemonteerd een taser en een verlengsnoer aangetroffen. De verdachte heeft weliswaar erkend dat deze voorwerpen van hem waren, maar heeft ontkend dat deze bedoeld waren voor het plegen van een plofkraak.

Het hof overweegt dat de aangetroffen goederen in onderling verband bezien geschikt zijn voor het plegen van een plofkraak. Niet kan echter worden vastgesteld dat de verdachte op dat moment het voornemen had de voorwerpen daadwerkelijk overeenkomstig de kennelijke bestemming te gaan gebruiken. Het enkele voorhanden hebben van voor een misdadig doel geschikte voorwerpen en/of middelen is daartoe onvoldoende. Het dossier houdt voorts niets in, waaruit blijkt dat de verdachte een concreet te plegen misdrijf voor ogen stond. Het ten laste gelegde kan daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen, zodat het hof de verdachte hiervan zal vrijspreken.

Vrijspraak van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gesteld dat het in zaak A onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat, hoewel de verdachte geen uitvoeringshandelingen bij de inbraak in [slachtoffer 4] heeft verricht, hij telefonisch instructies heeft gegeven aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], waardoor hij nauw betrokken is geweest bij de uitvoering van de inbraak. Zijn bijdrage is van voldoende gewicht om als medepleger te worden aangemerkt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen enkele uitvoeringshandeling heeft verricht en dat op basis van de tapgesprekken niet kan worden vastgesteld dat hij een regisserende rol had bij de diefstal door [medeverdachte 2]. De rol van [verdachte] kan hoogstens worden aangemerkt als die van medeplichtige bij de diefstal.

Het oordeel van het hof

Het dossier houdt in dat de medeverdachte [medeverdachte 2] op 27 januari 2013 tussen 19.00 uur en 22.00 uur heeft ingebroken bij het pand van [slachtoffer 4] en daarbij onder meer twee kluizen heeft weggenomen. Voorts kan uit het dossier worden afgeleid dat [medeverdachte 1] die avond bij het pand aanwezig is geweest en (onder meer) heeft geholpen met het dragen van de kluizen vanaf het pand van [slachtoffer 4] naar zijn auto.

Uit de tapgesprekken blijkt het volgende. De verdachte heeft op 27 januari 2013 omstreeks 19.01 uur telefonisch contact gehad met [medeverdachte 1], waarbij de verdachte tegen [medeverdachte 1] zei: “Kom, kom” en “ Pak die dinges met die”. Omstreeks 20.10 uur belde [medeverdachte 2] naar de telefoon van [medeverdachte 1], welke telefoon door de verdachte werd opgenomen. De verdachte vroeg ‘of hij daar al moet staan’, waarna [medeverdachte 2] zei “Nee, laat hem ff wakka alleen komen.” Omstreeks 20.27 uur belde [medeverdachte 2] weer naar [medeverdachte 1]. In dat telefoongesprek zei hij op zeker moment “Geef me die andere nu snel”, waarna de verdachte de telefoon van [medeverdachte 1] overnam. [medeverdachte 2] vertelde toen aan de verdachte dat hij ‘met die ding van de trap is gevallen’. Uit het tapgesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 1] omstreeks 21.30 uur blijkt dat zij op dat moment niet meer in elkaars nabijheid waren.

Uit de tapgesprekken en de daarbij behorende (mast)locatiegegevens kan worden afgeleid dat de verdachte op het moment dat de inbraak gaande was in de buurt van de [slachtoffer 4] was en dat hij op enig moment tijdens de inbraak samen met [medeverdachte 1] was. De verdachte heeft ten tijde van de inbraak (telefonisch) contact gehad met zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2]. Uit het dossier is echter niet gebleken dat de verdachte ten tijde van de inbraak in het pand van [slachtoffer 4] is geweest, dan wel enige uitvoeringshandeling heeft verricht. Evenmin kan worden vastgesteld dat hij voorafgaand aan de inbraak enige rol bij de voorbereiding van dit feit heeft gespeeld.

Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande niet blijkt dat de verdachte een dusdanige regisserende rol heeft gehad bij, dan wel een (intellectuele) bijdrage van zodanig gewicht heeft geleverd aan de inbraak, dat gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking bij het uitvoeren van deze inbraak, zodat het ten laste gelegde medeplegen daarvan niet kan worden bewezen. Het hof zal de verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

Vrijspraak van het in zaak A onder 5 ten laste gelegde

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daarentegen gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft daartoe betoogd dat de verdachte, blijkens de verklaring van [medeverdachte 1] en de waarneming van de politie, de BMW X5 samen met [medeverdachte 2] voorhanden heeft gehad. De auto was aan de binnenkant dusdanig beschadigd dat de verdachte dit moet hebben gezien, zodat het niet anders kan dan dat de verdachte wist dat deze auto van misdrijf afkomstig was.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte zowel van het primair als het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde aangevoerd dat de verklaring van [medeverdachte 1] dat de verdachte in de BMW heeft gezeten, onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, zodat de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde.

Het oordeel van het hof

Het hof is met de verdediging en de advocaat-generaal van oordeel dat de primair ten laste gelegde diefstal van de BMW X5 voorzien van het kenteken [kenteken 2] niet bewezen kan worden, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof het volgende.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 16 januari 2013 van verbalisant [verbalisant] is door deze waargenomen dat een grijze Fiat Punto en de – naar later bleek gestolen – BMW X5 op 16 januari 2013 omstreeks 4.15 uur achter elkaar aan reden in de richting van een parkeerterrein aan het Veenendaalplein te Amsterdam, vervolgens dit parkeerterrein ieder via een andere route weer verlieten en even later alsnog op dat parkeerterrein naast elkaar parkeerden en na enige tijd allebei in een andere richting weer wegreden. De BMW werd door de verbalisant uit het oog verloren en de Fiat werd omstreeks 4.35 uur die nacht staande gehouden. In de Fiat zaten op dat moment de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Omstreeks 8.13 uur is de BMW X5 aangetroffen op het Veenendaalplein.

[medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat de verdachte en [medeverdachte 2] de BMW X5 hebben geparkeerd en dat hij hen met de Fiat heeft opgehaald, waarna ze werden aangehouden door de politie. [medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij de verdachte en [medeverdachte 2] al eerder die dag in die BMW had gezien.

De verdachte heeft ontkend in de BMW X5 te hebben gezeten.

Het hof is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde te kunnen komen. Uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verbalisant bij het observeren van de Fiat en de BMW X5 niet zelf het parkeerterrein is opgegaan, dat hij geen personen bij de auto’s heeft waargenomen en enige tijd later enkel heeft waargenomen dat beide auto’s weer wegreden vanaf het parkeerterrein. Ook overigens blijkt uit het dossier niet dat is waargenomen wie er in de BMW X5 zat(en).

Nu voor het voorhanden hebben van de BMW X5 door de verdachte geen ander bewijs in het dossier aanwezig is dan de verklaring van [medeverdachte 1], zal het hof de verdachte gelet op hetgeen bepaald is in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering eveneens van het subsidiair ten laste gelegde dienen vrij te spreken.

Vrijspraak van het in zaak A onder 6 ten laste gelegde

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal is van mening dat het primair ten laste gelegde, in de zin van het medeplegen van diefstal van de BMW M3, kan worden bewezen. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Rondom het tijdstip van de diefstal hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 3] opmerkelijke ping-gesprekken met elkaar gevoerd. Bovendien is de telefoon van de verdachte op 19 maart 2013 uitgepeild nabij plek waar de gestolen BMW M3 door de politie is aangetroffen. De verdachte heeft voor dit alles geen verklaring gegeven. Bovendien is uit (eerdere) ping-gesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte 3] af te leiden dat zij wel vaker op pad gingen om auto’s te zoeken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat gelet op de paallocaties vaststaat dat de verdachte niet op de plaats van de diefstal aanwezig is geweest, zodat niet gesteld kan worden dat sprake is van een gezamenlijke uitvoering. Uit de bedoelde ping berichten blijkt niet dat de verdachte een evident prominente rol heeft gespeeld bij (de voorbereiding van) de diefstal.

Het oordeel van het hof

Uit het dossier blijkt het volgende.

Tussen 18 maart 2013 om 18.00 uur en 19 maart 2013 om 8.30 uur is in Assendelft een BMW M3, voorzien van kenteken [kenteken 3], gestolen. Op 19 maart 2013 om 13.40 uur is de BMW door de politie aangetroffen op de kruising van Platanenstede met Esstede in Diemen. De auto is daar vervolgens weggesleept. Uit de zich in het dossier bevindende ping-berichten tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] blijkt het volgende. Op 18 maart 2013 om 23.47 uur stuurde de verdachte naar [medeverdachte 3] een bericht met als inhoud: “Kom we gaan wiel zoeken”. Uit de getapte berichten kan worden afgeleid dat de verdachte en [medeverdachte 3] elkaar kort daarna hebben ontmoet. Op 19 maart 2013 omstreeks 20.04 uur peilde de telefoon van de verdachte uit in Diemen, vlakbij de locatie waar de gestolen BMW eerder die dag was aangetroffen.

Uit de ping berichten blijkt voorts dat de verdachte op 19 maart 2013 omstreeks 20.05 uur een bericht naar [medeverdachte 3] stuurde met als inhoud: “Die kk ding is weg, wordt kk froes”.

[medeverdachte 3] antwoordde vervolgens “Nee, nee, neeee” en “Ik heb never gezien waar je het heb gezet”, waarop de verdachte stuurde “Of sco heeft hem meegenomen”.

Op 21 maart 2013 stuurde [medeverdachte 3] een bericht naar de verdachte met als inhoud: “Geen wielie he”.

De verdachte stuurde terug “Nee man kk zooi. Ben nog steeds froess” en “Kijk rtvnh. Die nieuws van 19 maart”.

Gebleken is dat in de nieuwsuitzending op de website [website] van 19 maart 2013, een item was opgenomen waarin aangever [slachtoffer 6] vertelde over de diefstal van zijn BMW.

Hoewel bovengenoemde berichten op zijn minst gezegd zeer opmerkelijk zijn, zijn in het dossier geen bewijsmiddelen voorhanden die inhouden dat de verdachte ten tijde van de diefstal van de BMW M3 in Assendelft is geweest dan wel anderszins dusdanig nauw bij de diefstal is betrokken geweest dat sprake is van medeplegen. Het primair ten laste gelegde kan derhalve niet wettig en overtuigend worden bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Nu in het dossier evenmin bewijsmiddelen voorhanden zijn op basis waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte de BMW voorhanden heeft gehad, zal de verdachte eveneens van het subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu het opzet van de verdachte niet was gericht op doodslag, dan wel zware mishandeling van de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De advocaat-generaal meent dat het subsidiair ten laste gelegde echter wel kan worden bewezen, nu het rijgedrag van de verdachte zonder meer bedreigend is geweest voor de genoemde verbalisanten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde, nu het opzet van de verdachte slechts was gericht op het zich verwijderen van de verbalisanten. Bovendien was het, gezien de rijrichting van de verdachte, feitelijk onmogelijk om (een van) de verbalisanten te raken.

Het oordeel van het hof

Ten aanzien van de feiten stelt het hof het volgende vast.

Op 3 januari 2013 is de verdachte als bestuurder van een Mini tot stoppen gedwongen, doordat de politie de Mini heeft klemgereden. De verbalisant [slachtoffer 2] is naar het bestuurdersportier van de Mini gelopen en heeft geprobeerd dit te openen. Toen dit niet lukte schreeuwde hij dat de verdachte de deur moest openen, maar hoewel de verdachte hem aankeek, gaf hij geen gevolg aan dit bevel. [slachtoffer 2] stond op dat moment ongeveer 10 cm van het portier en hield het portier vast. De verbalisant [slachtoffer 1] bevond zich aan de andere zijde van de auto, iets voor het rechtervoorwiel. Hij deed een stap naar voren om naar de andere kant van de auto te lopen, waardoor hij net voor de Mini kwam te staan, op hooguit een meter afstand van de neus. De verdachte heeft op dat moment zijn stuur naar links gedraaid en vol gas gegeven. De Mini schoot daarop naar voren en is met spinnende banden met een bocht naar links – om de politieauto die voor de Mini stond heen – weggereden. De verbalisant [slachtoffer 1] sprong naar achteren en voelde de wind (het hof begrijpt: de kennelijk door het optrekken van de auto optredende luchtverplaatsing) langs zijn broekspijpen gaan. De verbalisant [slachtoffer 2] is nog een of twee stappen met het voertuig meegelopen maar moest het portier loslaten. Ook hij maakte vervolgens een sprong naar achteren.

Ten aanzien van het opzet van de verdachte overweegt het hof als volgt.

Het hof gaat ervan uit dat het de bedoeling van de verdachte was aan aanhouding te ontkomen en dat hij geen onvoorwaardelijk opzet had op zware mishandeling van, of doodslag op de verbalisanten die bij zijn auto stonden. Dat neemt echter niet weg dat zijn opzet hierop in voorwaardelijke vorm gericht kan zijn geweest.

Ter beantwoording ligt dan ook voor de vraag of de verdachte, wegrijdend als hij deed, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verbalisanten, of één van hen, door zijn voertuig zou(den) worden aangereden en daardoor zwaar lichamelijk letsel zou(den) oplopen, dan wel zouden komen te overlijden.

De beide verbalisanten hebben verklaard dat zij door de verdachte zouden zijn aangereden, indien zij niet zouden zijn weggesprongen. Het hof acht deze verklaringen betrouwbaar en de inschatting die daarin besloten ligt ook juist. Met betrekking tot dat laatste overweegt het hof, dat de ervaring leert dat wanneer een auto naar links wegrijdt, een persoon die vlak voor de bumper staat geraakt zal worden, aangezien de auto zich in dat geval niet uitsluitend naar links, maar tevens naar voren beweegt. Ook een persoon die naast het bestuurdersportier staat (of loopt) bevindt zich in de baan van de (zijkant en het achterwiel van de) wegrijdende auto.

Het is vervolgens de vraag of de aanmerkelijke kans bestond dat de verbalisant(en), wanneer zij niet waren weggesprongen, zwaar lichamelijk letsel hadden opgelopen, dan wel dat zij van het leven zouden zijn beroofd.

Met betrekking tot [slachtoffer 2] komt het hof tot het oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake was van een dergelijke aanmerkelijke kans. Het hof acht het geen feit van algemene bekendheid dat bij een aanrijding door de zijkant van een wegrijdende auto de kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel of erger aanmerkelijk is. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde voor zover het de verbalisant [slachtoffer 2] betreft.

Met betrekking tot de verbalisant [slachtoffer 1] is het hof daarentegen van oordeel dat wel sprake was van voornoemde aanmerkelijke kans. Uit de verklaringen van de beide verbalisanten kan worden afgeleid dat de Mini vooruit schoot, terwijl de verbalisant [slachtoffer 1] zich vlak voor die auto bevond. De kans dat bij een aanrijding onder die omstandigheden zwaar lichamelijk letsel zal ontstaan is naar het oordeel van het hof aanmerkelijk; het gewicht, de consistentie en omvang van een auto bij een frontale botsing met een persoon, ook in het geval dat met beperkte snelheid wordt gereden, in aanmerking genomen.

Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte wegreed, wetend dat de verbalisant zich voor zijn auto bevond. De verbalisant [slachtoffer 1] heeft immers verklaard dat hij oogcontact had met de verdachte, toen hij voor de auto stond, terwijl ook de verklaring van de verdachte bij de politie van 3 december 2013 inhoudt dat hij de verbalisant [slachtoffer 1] heeft gezien. Deze verklaring houdt immers in:

“Het klopt niet dat ik agent 1 (het hof begrijpt, gelet op de tekening die bij het proces-verbaal van dit verhoor is gevoegd, de verbalisant [slachtoffer 1]) had kunnen aanrijden (…) Toen ik gas gaf, zag ik dat de twee agenten schrokken en allebei een stap achteruit deden.”

Het hof is van oordeel dat de verdachte aldus voornoemde kans ook bewust heeft aanvaard. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij geen agent had kunnen raken en anders niet was weggereden, gelet op de verklaringen van de verbalisanten, niet geloofwaardig.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte opzettelijk, in de zin van voorwaardelijk opzet, heeft gepoogd de verbalisant [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zodat de onder 3 primair ten laste gelegde poging zware mishandeling van voornoemde verbalisant bewezen kan worden verklaard.

Bewijsoverweging ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder B ten laste gelegde gewoonte witwassen wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft hiertoe – kort gezegd – het volgende betoogd. De kasopstellingen in de zaken 13Kaabong en 13Trireem zijn uitgebreid en goed onderbouwd. De verdachte heeft weinig inzicht verschaft in zijn financiële handel en wandel en slechts op enkele punten iets aangevoerd over de door de politie vastgestelde bedragen. Met een deel daarvan is reeds rekening gehouden bij de kasopstelling. Voor het overige zijn de stellingen van de verdachte onvoldoende onderbouwd en daarmee niet te verifiëren en onaannemelijk.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de ten laste gelegde bedragen van € 35.470,04 en € 46.440,53 onvoldoende zijn onderbouwd in de kasopstelling. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het bedrag van € 35.470,04 dient te worden aangepast, nu uitgegaan dient te worden van de bedragen die de verdachte heeft genoemd in zijn verklaringen. Het bedrag van € 46.440,53 dient eveneens te worden gematigd. De posten babybenodigdheden en woninginrichting dienen op het bedrag in mindering te worden gebracht, omdat de vader van [naam] (het hof begrijpt: de toenmalige vriendin van de verdachte) deze bedragen betaald heeft. De verdachte zat op de data van de aankopen reeds gedetineerd. De post huurauto’s dient te worden gematigd, omdat een groot aantal auto’s door de verdachte voor anderen is gehuurd. Zij hebben de huur aan de verdachte betaald en hij heeft de huur vervolgens doorbetaald aan de verhuurder.

Het oordeel van het hof

Ten aanzien van het onder B ten laste gelegde zal het hof het toetsingskader hanteren dat wordt toegepast ingeval van een tenlastelegging van witwassen, waarbij geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Bij toetsing door de zittingsrechter dienen daarbij de volgende stappen te worden doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof overweegt als volgt.

Periode 1 januari 2009 tot 10 juli 2012

Uit het rapport kasopstelling in het onderzoek 13Kaabong volgt dat de verdachte in de periode van 1 januari 2009 tot 10 juli 2012 een bedrag van € 35.470,04 aan contante uitgaven heeft gedaan, die niet uit legale bron kunnen worden verklaard. Het geld is onder meer uitgegeven aan merkkleding, schoenen, benzine, een auto en autoaccessoires. Bij de belastingdienst zijn van de verdachte over deze periode geen inkomsten uit arbeid of uitkering bekend.

De verdachte heeft verklaard dat hij een deel van deze uitgaven heeft betaald van drie schadevergoedingen die hij heeft ontvangen van justitie en dat hij voorts kleding en goederen van anderen heeft gekregen. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij zwart geld heeft verdiend met het sleutelen aan auto’s.

Uit de kasopstelling en de bevindingen ten aanzien van het onderzoek naar de bankrekeningen van de verdachte blijkt dat bij de kasopstelling reeds rekening is gehouden met de door verdachte ontvangen schadevergoedingen en dat een bedrag aan € 35.470,04 aan onverklaarbare uitgaven resteert. De verdachte heeft zijn verklaring dat anderen hem kleding hebben gegeven en goederen voor hem hebben betaald alsmede zijn verklaring over zwart werken niet nader willen concretiseren. Daarmee is zijn verklaring niet te verifiëren en acht het hof zijn verklaring onaannemelijk.

In de eindberekening van de kasopstelling is ten aanzien van verschillende uitgaven de verklaring van de verdachte omtrent de hoogte van de betreffende uitgaven gevolgd. Ten aanzien van een aantal uitgaven is dit echter niet gebeurd, omdat de verklaring van de verdachte hieromtrent niet aannemelijk is geacht. In de kasopstelling is uitgebreid onderbouwd waarom de verklaring van de verdachte niet aannemelijk wordt geacht. Het hof sluit zich bij deze onderbouwing aan en maakt deze tot de zijne.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat het geldbedrag van

€ 35.470,04 een criminele herkomst heeft en acht het hof dan ook bewezen dat dit geldbedrag uit misdrijf afkomstig is.

Periode 10 juli 2012 tot en met 8 oktober 2013

Uit het rapport kasopstelling in het onderzoek Trireem volgt dat de verdachte in de periode van 10 juli 2012 tot en met 8 oktober 2013 een bedrag van € 46.440,53 aan contante uitgaven heeft gedaan, die niet uit legale bron kunnen worden verklaard. Het geld is uitgegeven aan huurauto’s, bekeuringen, merkkleding, schoenen, woninghuur, meubilair en babybenodigdheden. Bij de belastingdienst zijn van de verdachte ook over deze periode geen inkomsten uit arbeid of uitkering bekend.

Het betoog van de raadsman dat de posten babybenodigdheden van € 2.219,75 en woninginrichting van

€ 2.652,62 in mindering dienen te worden gebracht op voornoemd bedrag, volgt het hof niet. Anders dan de raadsman heeft betoogd, was de verdachte op de data dat de aankopen zijn gedaan niet gedetineerd. Bovendien zijn de aankoopbewijzen van de goederen in de woning van de verdachte aangetroffen. Het hof acht de verklaring van de verdediging hieromtrent dan ook niet aannemelijk en gaat daaraan voorbij. Het hof volgt de raadsman evenmin in zijn betoog dat de berekende kostenpost voor huurauto’s van € 28.398,16 dient te worden bijgesteld tot een bedrag van € 13.866,42 zoals eerder door verbalisanten berekend. De verklaring van de verdachte dat hij slechts een deel van de autohuur aan de verhuurders heeft betaald en ook wel eens auto’s huurde voor anderen, die het geld daarvoor aan hem gaven, is niet nader onderbouwd en daarmee niet verifieerbaar. In het computersysteem van het administratiekantoor van het verhuurbedrijf is vermeld dat de verdachte tussen 6 augustus 2012 en 31 december 2012 een bedrag van € 37.542,92 heeft uitgegeven aan huurauto’s bij het verhuurbedrijf. De verdediging heeft niet concreet en verifieerbaar onderbouwd dat, en waarom dit bedrag onjuist zou zijn. Dat bij een eerdere berekening ten behoeve van een kasopstelling van een ander bedrag is uitgegaan doet aan het voorgaande niet af. Het hof gaat daarom uit van een bedrag van € 37.542,92. Van dit bedrag is in de kasopstelling ruim € 9.000 afgetrokken (het bedrag dat volgens de verdachte nog bij het verhuurbedrijf openstaat). Dit heeft geleid tot een totaal bedrag van € 28.398,16 aan contante uitgaven aan huurauto’s die niet uit legale bron kunnen worden verklaard. Het hof acht dit bedrag in de kasopstelling voldoende onderbouwd.

Nu de verdachte ten aanzien van de overige posten evenmin een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd, gaat het hof uit van het in de kasopstelling onderbouwde bedrag van € 46.440,53.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat het geldbedrag van

€ 46.440,53 een criminele herkomst heeft en acht het hof dan ook bewezen dat dit geldbedrag uit misdrijf afkomstig is. Het hof wordt in zijn overtuiging gesterkt door de veroordeling van de verdachte ter zake van meerdere strafbare feiten, waaronder vermogensdelicten.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof – met de advocaat-generaal en evenals de rechtbank – tot het oordeel dat bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – gewoontewitwassen van geldbedragen van in totaal € 35.470,04 en € 46.440,53 in de periode van 1 januari 2009 tot en met 8 oktober 2013.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 3, 7, 8, 9 en 10 en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A (13-665071-13):

3:

hij op 03 januari 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] (agent van politie) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (personen)auto (merk Mini, met kenteken [kenteken 1]) accelererend op die [slachtoffer 1] is afgereden, waardoor die [slachtoffer 1] opzij moest springen teneinde te voorkomen dat hij werd

aangereden;

7:

hij in de periode van 18 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te Amsterdam, tezamen en in

vereniging met een ander een personenauto (merk BMW, type M3) voorhanden heeft gehad, terwijl hij

en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen wisten, dat het een door diefstal verkregen

goed betrof.

8:

hij in de periode van 11 mei 2013 tot en met 16 mei 2013 in Nederland een personenauto (merk BMW, type 335i Touring, met kenteken [kenteken 6]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door diefstal verkregen goed betrof.

9:

hij op 22 mei 2013 te Uithoorn tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

800 hennepplanten.

10:

hij op 3 januari 2013 en 15 mei 2013 te Amsterdam en Prinsenbeek en Rotterdam en Delft, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op na te noemen

wegen zich zodanig heeft gedragen dat daardoor telkens gevaar op die wegen werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag op 3 januari 2013 te Amsterdam, hieruit:

- verdachte heeft gereden over de Stadhouderskade en is gekomen op de kruising met de Ferdinand Bolstraat die kruising over gereden met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur, terwijl het voor hem, verdachte, geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde en

- verdachte heeft op de Stadhouderskade meermalen gereden op de weghelft bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer en

- verdachte heeft gereden over de Stadhouderskade en is gekomen op de kruising met de Van Woustraat die kruising op gereden, terwijl het voor hem, verdachte, geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde en

- verdachte heeft gereden op de Van Woustraat met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur en

- verdachte heeft gereden over de Van Woustraat en is gekomen op de kruising met de Ceintuurbaan die kruising over gereden met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur, terwijl het voor hem, verdachte, geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde en

- verdachte heeft gereden op de Van Woustraat en is op de trambaan gaan rijden en is een tramhalte - gezien zijn rijrichting - links voorbij gereden met een snelheid van ongeveer 60 kilometer per uur en

- verdachte heeft zijn weg vervolgd over de Rijnstraat en heeft aldaar over de trambaan gereden met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur en

- verdachte heeft gereden op de Rijnstraat en is gekomen op de kruising met de Vrijheidslaan die kruising over gereden met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, terwijl het voor hem, verdachte, geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde en

- verdachte heeft vervolgens gereden over de rijksweg A2 met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid en heeft, gekomen bij de afrit naar de rijksweg A9 op het laatste moment hard geremd, waarbij hij over het verdrijvingsvlak heeft gereden, teneinde de afrit naar de rijksweg A9 te kunnen oprijden

en

bestaande dat gedrag op 15 mei 2013 te Prinsenbeek en Rotterdam en Delft, hieruit:

- verdachte heeft gereden over de autosnelweg A16 met een snelheid van ongeveer 250 kilometer per uur en

- verdachte heeft gereden over de autosnelweg A20 met een snelheid van ongeveer 170 kilometer per uur en

- verdachte heeft gereden over een trottoir en

- verdachte heeft gereden binnen de bebouwde kom met een snelheid van ongeveer 150 kilometer per uur en met voornoemde snelheid over een onoverzichtelijke kruising zonder te remmen en

- verdachte heeft gereden over de autosnelweg A13 met een snelheid van ongeveer 250 kilometer per uur en

- verdachte heeft gereden over de vluchtstrook van de autosnelweg A13 en heeft zo verkeersdeelnemers ingehaald.

Zaak B (13-674246-14):

hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 8 oktober 2013, in Nederland, van het plegen van

witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij, verdachte, geldbedragen van in totaal 35.470,04 euro en 46.440,53 euro omgezet

ten behoeve van onder meer

- de huur van auto's en

- de huur van een woning en

- de aankopen van een of meer stukken meubilair en

- de aankopen van kledingstukken en schoenen,

terwijl verdachte wist dat die geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A (13-665071-13) onder 3 bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het in zaak A (13-665071-13) onder 7 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzetheling.

Het in zaak A (13-665071-13) onder 8 bewezen verklaarde levert op:

opzetheling.

Het zaak A (13-665071-13) onder 9 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het zaak A (13-665071-13) onder 10 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.

Het zaak B (13-674246-14) bewezen verklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5 subsidiair, 6 primair, 7, 8 en 9 en in zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

De rechtbank heeft daarbij als bijzondere voorwaarden opgelegd een meldplicht bij de Reclassering, verplichte behandeling/therapie voor het delict gedrag, een locatiegebod door middel van een elektronische enkelband gedurende een periode van 6 maanden en het volgen van aanwijzingen gegeven vanuit Reclassering Werkt! en/of de Dienst Werk en Inkomen, zolang de verdachte geen dagbesteding heeft. Ten aanzien van het in eerste aanleg in zaak A onder 10 bewezen verklaarde heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, voor de duur van 6 maanden.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5 subsidiair, 6 primair, 7, 8 en 9 en in zaak B ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, onder de bijzondere voorwaarden zoals door de rechtbank opgelegd.

De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 10 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft bij een poging om aan zijn aanhouding te ontkomen, welbewust het risico genomen en aanvaard dat hij daarbij een politieman ernstig zou verwonden door met vol gas weg te rijden, terwijl die politieman pal voor zijn bumper stond.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan opzetheling van twee BMW’s. Door aldus te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen. Daarbij komt dat juist dit soort auto’s, waarmee hoge snelheden kunnen worden bereikt, gewild zijn in het criminele milieu, waar zij worden gebruikt om na het plegen van veelal ernstige strafbare feiten aan de politie te kunnen ontkomen.

Voorts heeft de verdachte zich gedurende een periode van in totaal ruim vierenhalf jaar schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van aanzienlijke contante geldbedragen. Daardoor heeft de verdachte er aan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Het witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. De verdachte heeft zich hierbij kennelijk laten leiden door eigen belang in de vorm van de zucht naar financieel gewin.

Dit betreffen alle ernstige feiten.

Ook het opzettelijk aanwezig hebben van 2800 hennepplanten betreft een ernstig feit, nu hennep een voor de gezondheid van personen schadelijke stof betreft. Hennep is bij gebruik niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar kan ook direct of indirect oorzaak zijn van criminaliteit. De verdachte wordt aangerekend dat hij hier door de bewezenverklaarde gedraging aan heeft bijgedragen.

Tot slot heeft de verdachte zich twee maal schuldig gemaakt aan zeer gevaarlijk rijgedrag. Hij heeft als bestuurder van een personenauto onder meer met zeer hoge snelheden zowel binnen als buiten de bebouwde kom gereden. Voorts heeft de verdachte (eveneens met hoge snelheid) door rood licht gereden en over een trottoir, een trambaan en een vluchtstrook gereden. De verdachte heeft de verkeersveiligheid daardoor ernstig in gevaar gebracht. Het is louter aan het toeval toe te schrijven dat er daarbij geen slachtoffers zijn gevallen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 januari 2016 is de verdachte eerder ter zake van heling onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, ten aanzien van het in zaak A onder 3, 7, 8 en 9 en in zaak B bewezen verklaarde een gevangenisstraf en ten aanzien van het in zaak A onder 10 bewezen verklaarde een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te melden duur passend en geboden.

Het in zaak B ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte in zaak A onder 2 ten laste gelegde feit aangetroffen. Zij behoren aan de verdachte toe en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en/of de wet.

De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen tot een bedrag van € 500,00 ten behoeve van verbalisant [slachtoffer 1], nu haar is gebleken dat [slachtoffer 1] ten gevolge van een ongelukkige samenloop van omstandigheden in eerste aanleg geen vordering tot vergoeding van zijn immateriële schade heeft ingediend terwijl hij dat wel had gewild.

De verbalisant [slachtoffer 1] heeft echter door het onder 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte geen letsel opgelopen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, bestaat in een dergelijk geval niet zonder meer een rechtsgrond voor het toewijzen van een vordering tot vergoeding van immateriële schade. Om die reden ziet het hof geen aanleiding tot het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel en zal het deze vordering afwijzen.

Nu de tijd die de verdachte tot aan de dag van deze uitspraak in voorlopige hechtenis tot op de dag van deze uitspraak heeft doorgebracht, de op te leggen gevangenisstraf overschrijdt, zal het hof de voorlopige hechtenis opheffen met onmiddellijke ingang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 45, 47, 57, 62, 63, 302, 416 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-665071-13 onder 1, 2, 4, 5 primair, 5 subsidiair, 6 primair en 6 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer

13-665071-13 onder 3, 7, 8, 9 en 10 en in de zaak B met parketnummer 13-674246-14 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het in de zaak A met parketnummer 13-665071-13 onder 3 primair, 7, 8 en 9 en in de zaak B met parketnummer 13-674246-14 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van het in de zaak A met parketnummer 13-665071-13 onder 10 bewezen verklaarde:

Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak A met parketnummer 13-665071-13 onder 10 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (acht) maanden.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

11. 1.00 STK Portefeuille, LOUIS VUITTON (4624781); pasjeshouder

12. 1.00 PR Schoenen, Kl: grijs, VANS (4621336)

13. 1.00 PR Schoenen, Kl: beige, VANS (4621337)

14. 1.00 PR Schoenen, Kl: paars, NIKE (4621339)

15. 1.00 PR Schoenen, PUMA VUISTJES (4621341)

16. 1.00 PR Schoenen, Kl: zwart, VANS (4621333)

17. 1.00 PR Schoenen, NIKE (4621327)

18. 1.00 PR Schoenen, Kl: zwart(4621324); met slangenprint

19. 1.00 PR Schoenen, Kl: zwart, VANS (4621317)

20. 1.00 PR Schoenen, Kl: zwart, DOLCE&GABBANA (4621193)

21. 1.00 PR Schoenen, Kl: zwart (4621507)

22. 1.00 PR Schoenen, Kl paars (4621510)

23. 1.00 PR Schoenen, Kl: zwart, LANVIN (4621208)

24. 1.00 PR Schoenen, Kl: wit, NIKE (4621492)

25. 1.00 PR Schoenen, Kl: zwart, LOUIS VUITTON (4621504)

26. 1.00 PR Schoenen, Kl: grijs, LANVIN (4621278)

27. 1.00 PR Schoenen, Kl: zwart, LOUIS VUITTON (4621280)

28. 1.00 STK Jas, Kl: blauw, DOLCE&GABBANA (4621292)

29. 1.00 STK Broek, Kl: grijs, DOLCE&GABBANA (4625371)

30. 1.00 STK Trui, Kl: zwart (4625372)

31. 1.00 STK Broek, ICEBERG (4625373)

32. 1.00 STK Broek, Kl: blauw DSQUARED (4621285)

33. 1.00 STK Broek, Kl: blauw, DOLCE&GABBANA (4621288)

34. 1.00 STK Kleding, ICEBERG (4625286)

35. 1.00 STK Broek, DOLCE&GABBANA (4625299)

36. 1.00 STK Broek, DIOR (4625300)

37. 1.00 STK Trui, Kl: grijs, DOLCE&GABBANA polo (4625288)

38. 1.00 STK Kleding, PHILIPP PLEIN (4625290)

39. 1.00 STK Trui, Kl: zwart, DIOR POLO (4625291)

40. 1.00 STK Shirt, ICEBERG BATMAN (4625292)

41. 1.00 STK Kleind, Kl: zwart, PHILIPP PLEIN (4625293)

42. 1.00 Stk Kleding, Kl: grijs, PHILIPP PLEIN (4625294)

43. 1.00 STK Shirt, DESQ TSHIRT (4625295)

44. 1.00 STK Shirt, DOLCE&GABBANA mickey (4625296)

45. 1.00 STK Jas, BURBERRY (4624756); body warmer

46. 1.00 STK Shirt, STONE ISLAND (4624771)

47. 1.00 STK Trui, Kl: zwart, BURBERRY (4624757)

48. 1.00 STK Jas, DOLCE&GABBANA (4624759); body warmer

49. 1.00 STK Shirt, DOLCE&GABBANA (4624761)

50. 1.00 STK Shirt, PHILIPP PLEIN (4624762)

51. 1.00 STK Shirt, PHILIPP PLEIN (4624764)

52. 1.00 STK Shirt, DSQUARED (4624766)

53. 1.00 STK Tas, GUCCI (4624766)

54. 1.00 STK Overhemd, ICEBERG (4624770)

55. 1.00 STK Riem, HERMES (4621360)

56. 1.00 STK Jas, Kl: zwart (4530730)

57. 1.00 STK Jas, Kl: zwart (4530737)

58. 1.00 STK Zak (4530748)

59. 1.00 STK Sleutel (4530800)

60. 1.00 STK Handschoen (4530815)

61. 1.00 STK Handschoen (4530820)

62. 1.00 STK Handschoen (4530716)

63. 1.00 STK Handschoen (4530721)

64. 1.00 STK Muts (4530724)

65. 1.00 STK Handschoen (4530726)

66. 1.00 STK Pet, Kl: zwart, STONE ISLAND (4530729).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

5. 1.00 STK Gasfles (4621754)

6. 1.00 STK Gasfles (4621773)

97. 1.00 STK Paralyzer (4621824); geprepareerde taser voor ontsteking.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2. Geld Euro 500.00 (4333443) 5 x 100 euro

3. 1.00 STK Ring, Kl: goud, gouden ring met chinese tekens (4451830)

4. 1.00 STK Ring, Kl: goud, gouden ring met afbeelding van een dier (4451831)

7. 1.00 STK Horloge, ROLEX Yachtmaster (g112730)

9. Geld Euro 15.35 (4624480)

75. 1.00 STK Schroevendraaier, Kl: blauw, GAMMA (4565894)

76. 1.00 PR Handschoen, GAMMA, 1 pr stoffen handschoenen zw/grijs/groen (4565903)

77. 1.00 STK Zaklantaarn, Kl: zilver, BETA, zat verpakt in zwart hoesje (4565906)

81. 2.00 STK Sleutelbos (4807830)

91. 1.00 STK Looplamp, ENERGIZER (4807821)

93. 1.00 STK Schroevendraaier, Kl: zwart (4807823)

96. 1.00 STK Schroef, Schroef met gekartelde buitenkant (4807828).

Heft op de voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. H.S.G. Verhoeff en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 februari 2016.

=========================================================================

[....]