Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2325

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
23-001242-15
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

diefstal, oogmerk wederrechtelijke toe-eigeining: gedragingen kunnen naar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op wederrechtelijke toe-eigening, dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van verdachte daarop was gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001242-15

datum uitspraak: 21 april 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 maart 2015 in de strafzaak onder de parketnummers

13-701513-15 en 13-701165-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1991 (geboorteplaats en –land onbekend),

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd de vordering tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 13/701165-15 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 dagen toe te wijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging van de politierechter ter zijde stelt en de volgende overweging daarvoor in de plaats stelt:

Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het oogmerk had zich het paspoort wederrechtelijk toe te eigenen.

Het hof overweegt het volgende.

Vast staat dat de verdachte in een (niet afgesloten) auto, die niet van hem was, is gaan zitten en daaruit een paspoort heeft gepakt.

De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij de politie heeft gebeld naar aanleiding van het feit dat er een auto op de Tollensstraat te Amsterdam stond waarvan een raam open was. Enige tijd later zag de getuige dat een man met zijn bovenlijf in diezelfde auto hing en dat deze een schroevendraaier in zijn hand had. [getuige] heeft deze man hierop aangesproken en gevraagd of de auto van hem was. De man antwoordde ontkennend en zei dat hij bij iemand wilde aanbellen. [getuige] heeft hierop de politie gebeld. Vervolgens zag [getuige] dat de man wegliep, even later weer terug kwam lopen, in de auto plaatsnam op de bestuurdersstoel, rommelde in de auto en daarop uit de auto stapte met iets in zijn hand. Toen kwam de politie, die die man heeft aangehouden.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 20 maart 2014 blijkt dat zij na een melding over een auto met een open portierraam naar de Tollenstraat te Amsterdam zijn gegaan, alwaar zij een Mazda 626 met kenteken [kenteken] aantroffen met een open raam. De verbalisanten zijn vervolgens naar de eigenaar van de auto gegaan. Kort daarna kregen zij opnieuw een melding om naar de Tollensstraat te gaan, omdat er door een man met een rugzak zou worden ingebroken in een auto. Toen zij ter plaatse kwamen zagen zij de (latere) verdachte met een rugzak bij eerdergenoemde auto staan naast het open raam, met een boekje in zijn hand. Desgevraagd verklaarde de verdachte dat hij dit uit de auto had gehaald en dat het niet zijn auto was.

De verdachte heeft verklaard dat hij zich het paspoort niet heeft willen toe-eigenen, maar dat hij het naar de politie wilde brengen. Hij heeft voorts de ontmoeting met [getuige] bevestigd, maar daarvan een andere lezing gegeven.

Het hof stelt vast dat de verklaring van de getuige [getuige] op essentiële onderdelen steun vindt in de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Het hof zal gelet daarom ook uitgaan van de lezing omtrent de feiten zoals door de getuige [getuige] is gegeven. Tegen die achtergrond bezien en nu ook niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat de verdachte ook daadwerkelijk enige actie heeft ondernomen om de politie omtrent het paspoort te informeren, acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij het paspoort naar de politie wilde brengen niet aannemelijk geworden en gaat het hof daaraan voorbij.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de gedragingen van de verdachte, zoals deze blijken uit de verklaring van de getuige [getuige] en het proces-verbaal van bevindingen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op de wederrechtelijke toe-eigening van het aan een ander toebehorende paspoort uit de auto, dat het niet anders kan zijn dan dat de opzet van de verdachte daarop was gericht. Het ten laste gelegde kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. H.S.G. Verhoeff en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van

mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 april 2016.

=========================================================================

[....]

.