Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2320

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
23-001073-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging politieagent. benadeelde partij niet-ontvankelijk: immateriele schade niet onderbouwd. Niet gesteld/gebleken dat sprake is van dergelijk letsel of dusdanige inbreuk op de integriteit benadeelde dat vordering zonder meer moet worden toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001073-15

datum uitspraak: 7 april 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 2 maart 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-710443-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 29 december 2014 te Haarlem een politieambtenaar van de eenheid Noord-Holland, bekend onder 376004, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen die politieambtenaar gezegd: "De volgende keer als ik jou of jullie tegenkom ga ik meteen schieten en schiet jou de kanker!", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking;

2.
hij op of omstreeks 03 november 2014 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (gelegen aan of nabij de Hoofdweg) heeft weggenomen een telefoon (Apple Iphone) en/of drie, althans een of meer, computers (merk Sony en/of Apple en/of Packard Bell) en/of een fotocamera (merk Nikon) en/of een cameralens (merk Nikon) en/of een fototas en/of een radio/cd-speler (merk JVC) en/of een mediaspeler (Apple Ipod), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof andere overwegingen ten grondslag legt aan de beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en ten aanzien van de vordering tot herroeping van de vervroegde invrijheidstelling.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 29 december 2014 te Haarlem een politieambtenaar van de eenheid Noord-Holland, bekend onder nummer 376004, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen die politieambtenaar gezegd: "De volgende keer als ik jou of jullie tegenkom ga ik meteen schieten en schiet jou de kanker!";

2.
hij op 3 november 2014 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand (gelegen aan of nabij de Hoofdweg) heeft weggenomen een computer en een radio/cd-speler (merk JVC), toebehorende aan [bedrijf] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden toegewezen voor de duur van zes maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van een politieambtenaar tijdens zijn fouillering en insluiting in het cellencomplex. Door aldus te handelen heeft de verdachte de politieambtenaar vrees aangejaagd. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een bedrijfsinbraak. Bedrijfsinbraken zijn zeer ergerlijke feiten, die naast materiële schade en overlast voor de gedupeerde bedrijven, tevens kunnen bijdragen aan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 maart 2016 is de verdachte eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij Politieambtenaar 376004

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00 bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft toewijzing van de gehele vordering tot schadevergoeding gevorderd.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk dat de benadeelde partij zich, zoals hij heeft verklaard, bedreigd en angstig heeft gevoeld. Dit brengt echter niet zonder meer met zich mee dat sprake is van aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Daarvoor is immers nodig dat sprake is van geestelijk letsel, dan wel van een zeer ernstige inbreuk op de integriteit van zijn persoon. Het hof stelt vast dat de gestelde immateriële schade – behoudens een algemene weergave van de gevolgen – niet is onderbouwd met enig stuk. Evenmin is gesteld of anderszins gebleken dat sprake is geweest van dergelijk letsel of een dusdanige inbreuk op de integriteit van de persoon van de benadeelde, dat de vordering tot vergoeding wegens immateriële schade zonder meer toewijsbaar is. De behandeling van deze vordering vormt dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

(zaaknummer v.i. 99/000412-31)

Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 4 februari 2011 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

De verdachte is, gelet op het bepaalde in artikel 15 en 15a van het Wetboek van Strafrecht, op
16 augustus 2013 voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een (v.i.)-periode van 730 dagen, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd van 730 dagen niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en voorts onder meerdere bijzondere voorwaarden.

De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 8 januari 2015 strekt ertoe dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen voor een periode van 365 dagen, nu de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde, door zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan twee strafbare feiten, zoals in de onderhavige strafzaak ten laste gelegd.

De politierechter heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen, te weten voor een periode van zes maanden.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd de vordering toe te wijzen voor de duur van zes maanden.

Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vordering, nu deze tijdig en op de bij de wet voorgeschreven wijze is ingediend en ook overigens voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Het hof stelt voorts vast dat de verdachte bij dit arrest van heden wordt veroordeeld wegens twee strafbare feiten gepleegd voor het einde van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De verdachte heeft hiermee de algemene voorwaarde die aan de voorwaardelijke invrijheidstelling is verbonden, niet nageleefd. Het hof overweegt dat de vordering dan ook voor toewijzing vatbaar is.

Het hof heeft kennis genomen van de door GGZ Palier opgestelde adviezen van 11 november 2014 en
11 februari 2015, het door Inforsa opgestelde reclasseringsadvies (beknopt) van 2 maart 2016 en van hetgeen door de medewerker van de reclassering, mevrouw [naam], ter terechtzitting in hoger beroep over het reclasseringscontact met de verdachte naar voren is gebracht.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de vordering zal worden afgewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte zich weliswaar tijdens de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, maar de verdachte zijn leven gedurende de proeftijd wel enigszins op de rails heeft gekregen. Toewijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling zou slechts een punitief karakter hebben en zou de behandeling die de verdachte thans ondergaat en de positieve weg die hij is ingeslagen doorkruisen.

Het hof overweegt dat de verdachte zich tijdens de proeftijd meermalen heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Ook is de verdachte niet verschenen ter terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2016 om zijn situatie persoonlijk toe te lichten.

In hetgeen door de raadsman van de verdachte is aangevoerd, noch in hetgeen door de reclasseringswerker ter terechtzitting in hoger beroep over het reclasseringscontact met de verdachte naar voren is gebracht, noch op andere gronden, ziet het hof aanleiding om de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af te wijzen, dan wel anderszins van de beslissing van de politierechter af te wijken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 285 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij Politieambtenaar 376004

Verklaart de benadeelde partij Politieambtenaar 376004 in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van zaaknummer v.i. 99/000412-31 (vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling)

Wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte voor de duur van zes (6) maanden. Wijst de vordering voor het overige af.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. P.A.M. Hoek en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van

mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

7 april 2016.

=========================================================================

[....]