Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2302

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
04-10-2016
Zaaknummer
200.169.260/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige ontruiming van gehuurde woning op grond van niet onherroepelijk, later vernietigd vonnis. Schadevergoedingsplicht van executant dient met 50% te worden verminderd. Geestelijk letsel als gevolg van de ontruiming leidt tot vergoeding van immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0350
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.169.260/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: C/13/533734/HA ZA 13-47

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juni 2016

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. R.A. van Seumeren te Amsterdam,

tegen

WOONSTICHTING LIEVEN DE KEY,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. van der Hoeden te Laren NH.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Lieven de Key genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 22 april 2015 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2013, 28 augustus 2013, 18 december 2013 en 28 januari 2015, gewezen tussen [appellant] als eiser en Lieven de Key als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven met producties;

- memorie van antwoord.

[appellant] heeft geconcludeerd, naar het hof uit de appeldagvaarding begrijpt, dat het hof de hiervoor genoemde vonnissen zal vernietigen en alsnog bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zijn vorderingen geheel zal toewijzen, met veroordeling van Lieven de Key in de kosten van beide instanties.

Lieven de Key heeft geconcludeerd primair tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in het hoger beroep van de vonnissen van 28 augustus 2013 en 18 december 2013 en subsidiair, zo begrijpt het hof, tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

[appellant] heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het vonnis van 28 augustus 2013 onder 2 (2.1 t/m 2.11) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn tussen partijen niet in geschil zodat zij ook het hof als uitgangspunt dienen.

3 Beoordeling

3.1.

Het verweer van Lieven de Key dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep van de vonnissen van 28 augustus 2013 en 18 december 2013 op de grond dat het vonnis van 28 augustus 2013 als een deelvonnis moet worden aangemerkt en de rechtbank in het vonnis van 18 december 2013 heeft overwogen dat zij niet terugkomt van de desbetreffende beslissingen in het vonnis van 28 augustus 2013, is ondeugdelijk. Het vonnis van 28 augustus 2013 kan niet als een deelvonnis worden aangemerkt nu in het dictum daarvan niet met betrekking tot enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt aan het geding.

3.2.

Naar het hof begrijpt strekt het hoger beroep zich niet uit tot de vonnissen van 24 april 2013 en 18 december 2013, nu tegen deze vonnissen geen grieven zijn gericht.

3.3.

Het hof gaat uit van de volgende feiten. Lieven de Key heeft aan [appellant] een woning aan de [straat 1] te [plaats] verhuurd. [appellant] heeft in 2009 huurachterstand opgelopen. Lieven de Key heeft [appellant] bij dagvaarding van 25 maart 2009 tegen de zitting van 6 april 2009 in kort geding gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam en, voor zover thans van belang, betaling van achterstallige huur en ontruiming van de woning gevorderd. Ten tijde van de dagvaarding bedroeg de huurachterstand € 1.442,04. Op 6 april 2009 is door Stichting De Werkplaats een bedrag van € 960,- overgemaakt aan Lieven de Key, onder vermelding van referentie 0000000000000000AC. [appellant] is bestuurder van Stichting De Werkplaats. [appellant] is bij de behandeling van het kort geding niet verschenen. Bij vonnis van 20 april 2009 is [appellant] bij verstek veroordeeld tot betaling van de hoofdsom met buitengerechtelijke kosten en tot ontruiming van de woning binnen acht dagen na de betekening van het vonnis. Dit verstekvonnis is op 29 april 2009 op de voet van artikel 47 Rv. aan [appellant] betekend. Daarbij is de ontruiming aangezegd. Op 6 mei 2009 is door Stichting De Werkplaats een bedrag van € 481,68 overgemaakt aan Lieven de Key, onder vermelding van referentie 9100010773900101AC. Op 11 mei 2009 is (in de vroege ochtend) een bedrag van € 481,68 overgemaakt van de rekening van Stichting De Werkplaats naar Lieven de Key, onder vermelding van referentie 0000000000000000AC. Op 11 mei 2009 is het verstekvonnis door de deurwaarder ten uitvoer gelegd en is de woning ontruimd. Op 24 mei 2009 heeft [appellant] een bedrag van € 257,41 aan Lieven de Key betaald. Bij dagvaarding van 26 mei 2009 is [appellant] in verzet gekomen van het verstekvonnis. De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 juni 2009 het verstekvonnis vernietigd. Lieven de Key is van dit vonnis in hoger beroep gegaan bij dit hof. Bij arrest van 11 november 2009 heeft het hof het vonnis bekrachtigd. Hiervan is geen cassatie-beroep ingesteld. Bij dagvaarding van 21 juli 2009 heeft Lieven de Key tegen [appellant] voor de kantonrechter een bodemzaak aanhangig gemaakt, waarbij zij onder meer ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming heeft gevorderd. Bij vonnis van 21 mei 2010 zijn de vorderingen van Lieven de Key afgewezen. Van dit vonnis is Lieven de Key in hoger beroep gekomen bij dit hof. Bij arrest van 19 juli 2011 heeft het hof het vonnis bekrachtigd. Hiervan is geen cassatieberoep ingesteld.

3.4.

In dit geding stelt [appellant] dat de ontruiming van de woning op 11 mei 2009 jegens hem onrechtmatig is geweest omdat daaraan een geldige titel ontbrak en dat hij als gevolg van die ontruiming (materiële en immateriële) schade heeft geleden. [appellant] vordert op deze grond veroordeling van Lieven de Key tot betaling aan hem van een bedrag van € 117.946,07 wegens materiële schade en een bedrag van € 10.000,- wegens immateriële schade.

3.5.

Bij eindvonnis van 28 januari 2015 heeft de rechtbank Lieven de Key veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 14.071,28, te vermeerderen met wettelijke rente, met veroordeling van Lieven de Key in de proceskosten.

3.6.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen komt [appellant] op in hoger beroep. Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt.

3.7.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vergoedingsplicht van Lieven de Key met 75% dient te worden verminderd. Zij heeft daartoe het volgende, samengevat, overwogen. Het is aannemelijk dat Lieven de Key, indien zij had geweten dat de betalingen van 6 april 2009 en 11 mei 2009 in mindering strekten op de huurschuld van [appellant] (zodat in combinatie met de betaling van 6 mei 2009 de huurschuld vrijwel geheel was ingelopen), niet tot executie van het ontruimingsvonnis zou zijn overgegaan. Het moet aan [appellant] worden toegerekend dat Lieven de Key van de bestemming van die betalingen niet op de hoogte was. Beide betalingen zijn immers door een derde gedaan zonder dat daarbij is vermeld dat deze strekten tot voldoening van de schuld van [appellant] en zonder dat zij waren voorzien van een kenmerk waaraan dat door Lieven de Key had kunnen worden ontleend. Daar komt bij dat de betaling van 11 mei 2009 op een zodanig moment is gedaan dat Lieven de Key daarmee hoe dan ook redelijkerwijs geen rekening mee kon houden. De rechtbank waardeert de vermindering van de vergoedingsplicht in verband daarmee op 50%. Ook het niet ontvangen van brieven en exploten door [appellant] moet aan hem worden toegerekend. Het lag op zijn weg te bewerkstelligen dat belangrijke communicatie hem zou bereiken. Indien zijn post systematisch door een buurvrouw werd verduisterd, zoals [appellant] stelt, had hij in verband daarmee maatregelen moeten treffen. Het is aannemelijk dat het niet tot ontruiming zou zijn gekomen als [appellant] adequaat op de stukken van Lieven de Key had gereageerd. De rechtbank waardeert de vermindering van de vergoedingsplicht in verband hiermee op 25%, waarmee de totale vermindering op 75% kwam..

3.8.

Over dit oordeel van de rechtbank klaagt [appellant] in grief 1.

3.9.

De rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat Lieven de Key onrechtmatig heeft gehandeld door op 11 mei 2009 het ontruimingsvonnis ten uitvoer te leggen nu dat vonnis niet onherroepelijk was en later is vernietigd. Dit neemt niet weg dat (een deel van) de schade die [appellant] als gevolg van de ontruiming heeft geleden - waarbij het debat tussen partijen gaat over de vraag of de woning door Lieven de Key nodeloos is ontruimd - voor zijn rekening moet blijven indien die schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [appellant] kan worden toegerekend.

3.10.

De klacht dat Lieven de Key zelf tekort is geschoten door niet op te merken dat de betalingen van 6 april 2009 en 11 mei 2009 door Stichting De Werkplaats in mindering strekten op de schuld van [appellant] faalt. Nu beide betalingen niet door [appellant] zijn gedaan noch een betalingskenmerk of een verwijzing naar [appellant] bevatten en [appellant] evenmin op andere wijze aan Lieven de Key duidelijk heeft gemaakt dat deze betalingen in mindering strekten op zijn schuld, kan Lieven de Key in redelijkheid niet worden tegengeworpen dat zij de beide betalingen niet in verband heeft gebracht met de schuld van [appellant]. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het [appellant] bekend moet zijn geweest dat Lieven de Key een corporatie is met een zeer groot aantal huurders. Dat [appellant] in het verleden regelmatig de huur heeft betaald via de rekening van Stichting De Werkplaats acht het hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, waarbij nog opmerking verdient dat [appellant] niet uit de doeken heeft gedaan of bij die eerdere betalingen wel een naar hem herleidbaar kenmerk is opgegeven. Hetzelfde geldt voor de stelling dat [appellant] opnieuw, maar nu traceerbaar, had kunnen betalen als Lieven de Key de ontvangen bedragen direct zou hebben teruggeboekt. De sinds deze betalingen tot de ontruiming verstreken tijd - wat de betaling op 11 mei 2009 betreft: vrijwel nihil - acht het hof te kort om Lieven de Key op dit punt enig verwijt te kunnen maken.

3.11.

Ook volgt het hof [appellant] niet in zijn klacht tegen de overweging van de rechtbank dat [appellant] adequate maatregelen had moeten nemen indien zijn post systematisch door de buurvrouw werd verduisterd. [appellant] heeft hier tegen in gebracht dat hij een postbus heeft genomen zodra hij wist dat de buurvrouw de post ook uit zijn brievenbus met nieuw slot haalde, maar dit betoog acht het hof te vaag. Van [appellant] had mogen worden verwacht dat hij in het kader van het op dit punt gevoerde debat verdere gegevens zou verstrekken, hetgeen hij echter heeft nagelaten. Zo heeft hij niet eens gesteld dat hij Lieven de Key ervan op de hoogte heeft gesteld dat hij vanaf zekere datum bereikbaar was via een postbus.

3.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat ook het hof ervan uitgaat dat het mede aan [appellant] is toe te rekenen dat het ondanks de betalingen van 6 april 2009 en 11 mei 2009 tot ontruiming is gekomen en voorts dat [appellant] geen brieven en exploten heeft ontvangen. Niettemin waardeert het hof de mate waarin de aan Lieven de Key respectievelijk aan [appellant] toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen anders dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof weegt de bijdrage van deze wederzijdse omstandigheden zodanig dat deze in gelijke mate tot de schade hebben bijgedragen. Het betrekt hierbij ten voordele van [appellant] de betaling op 6 mei 2009, de aanwezigheid van de poes bij de ontruiming, hetgeen omtrent het interieur van de woning in dit geding is komen vast te staan (waarbij het hof nog verwijst naar de onderstaande overwegingen op dat punt) en het telefonische contact tussen [appellant] en Lieven de Key in februari 2009. Met [appellant] is het hof van oordeel dat Lieven de Key in een en ander aanleiding had behoren te zien nog eens te trachten met [appellant] in contact te komen. Het hof verenigt zich dan ook niet met het oordeel van de rechtbank dat de vergoedingsplicht van Lieven de Key met 75% dient te worden verminderd. Het hof acht een vermindering van 50% aangewezen.

3.13.

In zoverre slaagt grief 1.

3.14.

In grief 2 bestrijdt [appellant] de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van de vordering ter zake van post K (€ 2.417,79 wegens verdwenen eigendommen van de vriendin van [appellant], [vriendin]). De rechtbank heeft dit onderdeel afgewezen op de grond dat [vriendin] geen procespartij is, [appellant] ook niet heeft gesteld dat deze vordering aan hem is overgedragen of dat hij door haar is gemachtigd vergoeding van haar schade op eigen naam te haren behoeve te vorderen. [appellant] heeft alsnog zodanige machtiging overgelegd. Uit hetgeen van de zijde van Lieven de Key hieromtrent naar voren is gebracht bij memorie van antwoord moet worden afgeleid dat niet (langer) in geschil is dat [vriendin] aan [appellant] last heeft gegeven haar vordering op eigen naam van [appellant] in rechte te innen. Bij gebreke van enig ander concreet verweer ter zake van dit onderdeel van de vordering, is de vordering in zoverre alsnog toewijsbaar, met dien verstande dat de hiervoor besproken omstandigheden die leiden tot een vermindering van de vergoedingsplicht van Lieven de Key ook gelden in de verhouding met [vriendin]. Toewijsbaar is dus 50% van € 2.417,79, € 1.208,90. Grief 2 slaagt in zoverre.

3.15.

Grief 3 betreft de post derving inkomsten (Q) ad € 31.817,-. De rechtbank heeft bij vonnis van 28 augustus 2013 dit onderdeel van de vordering van [appellant] niet toewijsbaar geoordeeld op de grond dat [appellant] ter zake hiervan geen bewijs had aangeboden. Bij vonnis van 18 december 2013 heeft de rechtbank overwogen dat de zinsnede in het vonnis van 28 augustus 2013 dat [appellant] ter zake van de inkomstenderving bewijs zal moeten leveren op een misslag berust en dat zij aan het alsnog door [appellant] gedane bewijsaanbod voorbijgaat.

3.16.

[appellant] heeft gesteld dat hij via zijn eigen stichting werd ingehuurd door Imtech, dat hij daar heeft gewerkt in de periode voorafgaand aan de ontruiming op 11 mei 2009 en dat hij zijn werkzaamheden voor Imtech heeft hervat nadat hij zijn woning weer in bewoonbare staat had teruggebracht, terwijl hij in de tussentijd heeft moeten rondkomen van een AOW-uitkering. [appellant] verwijst naar productie 7 bij inleidende dagvaarding. Deze productie betreft een “Overzicht gewerkte uren aan huis [straat 1]” met een opsomming van uren die zouden zijn besteed “om ‘alles’ weer op orde te krijgen en de gesloopte zaken weer op te bouwen en aan te brengen”, uren besteed aan “bezoek aan deurwaarder, advocaat, kleren gekocht, gereedschap gekocht”, uren besteed aan “spullen kopen, orienteren op herinrichting huis en overleg met advocaat” en uren wegens “ziek, niet kunnen werken, overspannen van alle narigheid”, alles in de periode van 12 mei 2009 t/m 12 maart 2010. Op het overzicht is vermeld dat [appellant] deze uren geen betaald werk heeft kunnen doen. In eerste aanleg (na tussenvonnis van 28 augustus 2013) heeft [appellant] facturen overgelegd aan Imtech over zeven verschillende weken.

3.17.

Het hof volgt [appellant] niet in zijn stelling dat hij als gevolg van de ontruiming over de door hem genoemde periode inkomen heeft gederfd. Het hof acht het redelijk ervan uit te gaan dat [appellant] als gevolg van de ontruiming gedurende twee weken niet heeft kunnen werken en over die periode inkomensschade heeft geleden. Uit de door [appellant] overgelegde facturen valt af te leiden dat de inkomsten van [appellant] wisselend zijn geweest. Het hof zal de inkomensschade begroten door uit te gaan van het gemiddelde factuurbedrag per week (het hof heeft daarbij bedragen wegens kilometervergoeding en materiaalkosten buiten beschouwing gelaten), € 917,95; over twee weken derhalve € 1.835,91. Op grond van het eerder overwogene komt hiervan 50%, derhalve € 917,95, voor vergoeding in aanmerking. In zoverre slaagt grief 3. Bewijslevering is niet meer aan de orde.

3.18.

In grief 4 komt [appellant] op tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering tot vergoeding van immateriële schade ad € 10.000,-. [appellant] stelt in zijn grief dat wel degelijk sprake is geweest van ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer en dat hij zich onder behandeling van een psycholoog heeft moeten stellen in de periode van 5 november 2013 tot 3 april 2014.

3.19.

In hoger beroep heeft [appellant] een medisch rapport overgelegd van de door hem geconsulteerde psycholoog van 20 mei 2015. Daarin wordt melding gemaakt van de onderhavige ontruiming in 2009, maar ook van het gedwongen verlaten van zijn woning nadien als gevolg van wateroverlast (door Lieven de Key bij memorie van antwoord beschreven als “een volkomen onder water gelopen woning”). Gerefereerd wordt aan vele uitzettingen die [appellant] als klein jongetje heeft moeten meemaken. De psycholoog rapporteert dat de gedwongen uitzettingen uit zijn huis door de woningbouwvereniging zijn aan te merken als een traumatische ervaring in ernstige mate, kortom als een posttraumatische stressstoornis. Beschreven wordt dat [appellant] een ernstige vorm van slaapstoornis heeft waardoor hij ’s nachts zit te computeren of tv moet kijken. De conclusie luidt dat de verwikkelingen van de afhandeling van zijn zaak maken dat [appellant] niet kan herstellen en zijn psychische problematiek van de posttraumatische stressstoornis door de huisuitzettingen alsmaar verergert.

3.20.

Op basis van het in hoger beroep overgelegde psychologisch rapport acht het hof in voldoende mate aannemelijk geworden dat [appellant] zodanig als gevolg van de ontruiming heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel dat grond geeft voor een vordering tot vergoeding van immateriële schade. Op grond van hetgeen de psycholoog heeft gerapporteerd, kan echter niet worden aangenomen dat de beschreven psychische problematiek geheel als gevolg van de onderhavige ontruiming kan worden aangemerkt, nu uit het rapport moet worden afgeleid dat mede oorzakelijk zijn geweest de ervaringen die [appellant] heeft gehad na de ernstige wateroverlast in zijn woning nadien. Alles afwegende waardeert het hof de immateriële schade van [appellant] als gevolg van de ontruiming in 2009 op een bedrag van € 3.000,-. Op grond van het eerder overwogene komt hiervan een bedrag van € 1.500,- (50% van € 3.000,-) voor vergoeding in aanmerking. In zoverre slaagt grief 4.

3.21.

In de grieven 5 en 6 klaagt [appellant], naar het hof begrijpt, over de bewijswaar-dering van de rechtbank met betrekking tot de werken van [naam] en [naam] en de staande lamp. [appellant] biedt (nader) bewijs aan.

3.22.

In het door [appellant] overgelegde taxatierapport van [taxateur] is onder teruggekomen, beschadigde zaken onder 3 respectievelijk 5 verwezen naar een pentekening van [naam], drie gouaches van [naam] en tekeningen van [naam]. Wegens restauratiekosten zijn bedragen vermeld van € 100,- en € 500,-. Op basis van het taxatierapport in samenhang met de getuigenverklaring van Walter acht het hof genoegzaam aangetoond dat deze werken beschadigd zijn aangetroffen en voor de ontruiming onbeschadigd waren. Voor het verweer dat deze werken op een later moment beschadigd zouden zijn geraakt, bestaat onvoldoende aanknopingspunt. Op overeenkomstige gronden acht het hof het bewijs geleverd van het beschadigd zijn van een staande lamp als gevolg van de ontruiming (schadebedrag € 75,-). Een en ander betekent dat een bedrag van 50% van € 675,-, derhalve € 337,50, voor vergoeding in aanmerking komt. De grieven 5 en 6 slagen dus.

3.23.

De rechtbank heeft ter zake van specifieke voorwerpen een schadebedrag toegeschat van € 23.250,-. Het totaal door de taxateur begrote bedrag is € 79.345,-. Het verschil bedraagt € 56.095,-. De rechtbank heeft overwogen dat overige goederen (dus: de niet specifieke voorwerpen) door de getuigen niet, of niet voldoende specifiek zijn genoemd om te kunnen oordelen dat deze aanwezig waren voor de ontruiming en als gevolg van de ontruiming zijn verdwenen of beschadigd. Anderzijds heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat de getuigen zich jaren later niet alle goederen in detail kunnen herinneren, niet wegneemt dat hun totale indruk wel bevestigt dat er nog veel andere goederen zijn verdwenen of beschadigd. De rechtbank heeft daarom bij wege van schatting de overige schade van de inboedel bepaald op de helft van het eerder genoemde bedrag van € 56.095,-, derhalve op € 28.047,50.

3.24.

[appellant] bestrijdt deze benaderingswijze van de rechtbank in grief 7. Het hof sluit zich echter aan bij deze benaderingswijze. De omvang van de schade kan immers niet nauwkeurig worden vastgesteld omdat de inhoud en waarde van de inboedel vóór en ná de ontruiming niet vast staat. Het hof is het met [appellant] eens dat in de gegeven omstandigheden niet al te hoge eisen mogen worden gesteld aan het bewijs van de omvang van de schade, maar daaraan wordt tegemoetgekomen door deze te schatten, waarbij het hof zich als gezegd aansluit bij de benaderingswijze van de rechtbank. Grief 7 faalt. Het slagen van de grieven 5 en 6 brengt overigens mee dat de inboedelschade alsnog dient te worden begroot op € 51.610,- (€ 79.345,- minus € 23.250,- minus € 675,- is € 55.420,- waarvan de helft is € 27.710,-, welk laatste bedrag is te verhogen met € 23.250,- en € 650,-), waarvan 50%, € 25.805,-, voor vergoeding in aanmerking komt.

3.25.

De rechtbank heeft wegens kosten voor vervangende woonruimte ([appellant] heeft in de periode van 11 mei 2009 t/m 28 februari 2010 verbleven bij zijn vriendin) een bedrag begroot van € 52,50 per dag over de periode van 11 mei 2009 tot en met 17 juli 2009. De rechtbank heeft een periode van een maand na de datum van het vonnis waarbij de ontruiming ongegrond werd bevonden redelijk geacht als tijd die [appellant] nodig heeft gehad om de woning opnieuw in te richten.

3.26.

[appellant] klaagt in grief 8 dat deze termijn van een maand te kort is en verzoekt het hof uit te gaan van een termijn van tien maanden (althans een termijn langer dan een maand). Het hof wil aannemen dat het bewoonbaar maken van de woning door [appellant] in de door hem gewenste zin langer heeft geduurd dan een maand. Het gaat hier echter om de vraag of een periode van een maand in redelijkheid voldoende kan worden geoordeeld om de woning zodanig in te richten dat [appellant] deze weer kon betrekken. Het hof beantwoordt deze vraag met de rechtbank bevestigend, zodat grief 8 faalt. De rechtbank heeft de schade wegens vervangende woonruimte begroot op € 3.517,50. Hiervan komt 50%, € 1.758,75, voor vergoeding in aanmerking.

3.27.

De grieven 9 en 10 bouwen voort op eerdere grieven en behoeven daarom geen afzonderlijke bespreking.

3.28.

Het (gedeeltelijk) slagen van de grieven 1 t/m 6 brengt mee dat voor vergoeding in aanmerking komen de volgende bedragen: € 1.208,90, € 917,95, € 1.500,-, € 25.805,-, € 1.758,75 en 735,05 (zie voor het laatste bedrag het eindvonnis onder 2.7). Totaal: € 31.925,65.

3.29.

Het hof dient voor het verschil tussen het laatstgenoemde bedrag en het door de rechtbank toegewezen bedrag alsnog te bespreken het verweer van Lieven de Key in eerste aanleg dat haar handelen steeds gerechtvaardigd is geweest en haar daarom een beroep toekomt op een rechtvaardigingsgrond (conclusie van antwoord onder 16 t/m 19). Dat Lieven de Key, zoals zij stelt, geen aanleiding had om de deurwaarder op 11 mei 2009 niet tot ontruiming van de woning van [appellant] te laten overgaan en dat zij op dat moment beschikte over een geldige ontruimingstitel, behoeft wat betreft het eerste punt gelet op hetgeen hiervoor onder 3.12 is overwogen met betrekking tot de omstandigheden die het hof ten voordele van [appellant] heeft laten gelden relativering. Bovendien blijft staan dat Lieven de Key onder de zo-even bedoelde omstandigheden een risico heeft genomen door een vonnis ten uitvoer te leggen dat geen kracht van gewijsde had en dat naderhand werd vernietigd waardoor zij inbreuk maakte op de rechten van [appellant] en dat de voorstelling die Lieven de Key had omtrent haar recht jegens [appellant] die inbreuk niet rechtvaardigde. Evenmin levert een rechtvaardigingsgrond op de omstandigheid dat het Lieven de Key niet lukte het ontruimingsvonnis in persoon te doen betekenen. Voor zover Lieven de Key heeft bedoeld te betogen dat haar onder deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van haar handelen, verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank dat, kort gezegd, het handelen van Lieven de Key voor haar rekening komt en daarom aan haar kan worden toegerekend.

3.30.

Het bestreden eindvonnis kan, behoudens de kostenveroordeling, niet in stand blijven. Het hof zal in zoverre opnieuw recht doen. Nu partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, bestaat aanleiding de kosten van het hoger beroep te compenseren.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van 28 januari 2015, doch uitsluitend voor zover Lieven de Key daarbij is veroordeeld tot betaling aan [appellant] van € 14.071,28;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Lieven de Key om aan [appellant] te betalen € 31.925,65;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, S.F. Schütz en D. Kingma en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2016.