Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2297

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
200.159.939/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Regresverbod artikel 7:962 lid 3 BW. Beslissend is of de medeverzekerde jegens de verzekerde aansprakelijk is wegens een omstandigheid die afbreuk zou hebben gedaan aan de uitkering wanneer die omstandigheid aan de verzekerde zelf zou zijn toe te rekenen. Die situatie doet zich hier niet voor, zodat regres niet mogelijk is. Een redelijke uitleg van de uitsluitingsbepaling brengt mee dat er sprake moet zijn geweest van een ernstige mate van onzorgvuldigheid (zoals het gedurende langere tijd en zonder toezicht onbeheerd achterlaten van een auto). De onderhavige situatie, waarin een derde die zojuist een proefrit heeft gemaakt een enkel onbewaakt moment aangrijpt om een auto te stelen terwijl de (mede)verzekerde in de onmiddellijke nabijheid van het voertuig blijft, laat zich daarmee niet gelijk stellen.

Voor aansprakelijkheid bestuurder geldt de gewone maatstaf van artikel 6:162 BW aangezien hij handelde als medewerker van de garage en niet ter uitvoering van zijn taken als bestuurder.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 962
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2016/128
AR 2016/1753
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.159.939/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/14/149709 / HA ZA 13-300

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juni 2016

inzake

1 [appellant sub 1] ,

gevestigd en kantoorhoudend te [plaats] ,

2. [appellant sub 2],

wonend te [plaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

de naamloze vennootschap ANSVAR VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. T. Havekes te Voorburg.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna gezamenlijk [appellanten] en afzonderlijk [appellant sub 1] en [appellant sub 2] genoemd. Geïntimeerde zal Ansvar worden genoemd.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 7 oktober 2014 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 augustus 2014, onder zaaknummer C/14/149709 / HA ZA 13-300 gewezen tussen Ansvar als eiseres en [appellanten] als gedaagden.

Op 2 december 2014 heeft het hof een tussenarrest gewezen waarin een comparitie na aanbrengen is gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 29 januari 2015. Een minnelijke regeling is daarbij niet tot stand gekomen.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel;

- memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van Ansvar zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Ansvar tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het vonnis aan Ansvar hebben voldaan, vermeerderd met rente, en met veroordeling van Ansvar in de proceskosten van beide instanties;

Ansvar heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden eindvonnis met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, inclusief nakosten.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.17 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze door de rechtbank vastgestelde feiten zijn – voor zover niet bestreden in het voorwaardelijk incidenteel appel - niet in geschil. Het hof zal hierna in de rechtsoverwegingen 3.1-3.7 de onbetwiste relevante feite opsommen.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.2.

Op 19 december 2011 heeft de heer [X] (verder [X] ) een nieuwe auto van merk en type Mercedes-Benz C 350 gekocht voor een koopsom van € 58.924,57. [X] heeft voor deze auto bij Ansvar een motorrijtuigverzekering met cascodekking afgesloten.

3.3.

[X] is op 27 augustus 2012 overleden. De verzekering is vervolgens op naam gezet van zijn echtgenote, mevrouw [Y] (verder [Y] ).

3.4.

In september 2012 heeft de zoon van [Y] de auto namens zijn moeder - ter verkoop - in consignatie gegeven bij [appellant sub 1] , die de auto heeft aangeboden op haar website.

3.5.

Op 16 november 2012 heeft een man telefonisch zijn interesse in de auto kenbaar gemaakt, waarop deze man zich nog diezelfde dag bij de garage geeft gemeld voor een proefrit. Hij heeft zich daarbij voorgesteld als ‘ [J] ’. Na afloop van de proefrit heeft ‘ [J] ’ de auto geparkeerd aan de overkant van de straat waaraan [appellant sub 1] is gevestigd. Toen [appellant sub 2] meteen daarop werd aangesproken door een cliënt van het garagebedrijf, is ‘ [J] ’ weer in de auto gestapt en daarmee weggereden.

3.6.

Van deze diefstal is door [appellant sub 2] aangifte gedaan, maar dit heeft niet geleid tot het terugvinden van de auto.

3.7.

In opdracht van Ansvar, bij wie [Y] de schade onder de verzekering heeft gemeld, heeft CED Forensic B.V nader onderzoek verricht naar de omstandigheden waaronder de diefstal heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van de uitkomsten daarvan heeft Ansvar zowel [appellant sub 1] als (persoonlijk) [appellant sub 2] aansprakelijk gesteld.

3.8.

In eerste aanleg heeft Ansvar gevorderd dat [appellanten] zullen worden veroordeeld aan haar te voldoen een bedrag van € 40.750,--, zijnde het bedrag dat zij uit hoofde van de verzekering aan [Y] heeft moeten voldoen, te vermeerderen met rente en buitengerechtelijk incassokosten, zulks overeenkomstig het bepaalde in art. 7:692 BW waarin de subrogatie van de uitkerend verzekeraar is geregeld, dan wel subsidiair uit hoofde van het bepaalde in art. 6:162 BW.

3.9.

De rechtbank heeft het gevorderde - behoudens het eigen risico van [Y] ten bedrage van € 136,-- , waarvan niet is gebleken dat deze vordering Ansvar zou toekomen - toegewezen en wel jegens [appellant sub 1] uit hoofde van subrogatie en jegens [appellant sub 2] uit hoofde van onrechtmatige daad.

3.10.

Tegen deze oordelen van de rechtbank zijn [appellanten] in het principaal appel met zes grieven opgekomen. Het hof ziet aanleiding eerst grief V in het principaal appel en de voorwaardelijke grief in het incidenteel appel te bespreken.

3.11.

[appellanten] betogen met grief V dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Ansvar uit hoofde van het bepaalde in art. 7:962 BW is gesubrogeerd in de rechten van [Y] jegens [appellanten] . Omdat - zulks staat tussen partijen vast - [appellant sub 1] uit hoofde van de consignatieverhouding als medeverzekerde onder de polis valt aan te merken, is zij geen ‘derde’ waarop deze subrogatie betrekking heeft, terwijl de vorderingen van Ansvar, voor zover daarover al anders zou worden geoordeeld, ook stranden op het regresverbod in het derde lid van deze bepaling. Anders dan [appellanten] betogen, impliceert het bepaalde in het eerste lid van art. 7:962 BW niet dat de verzekeraar nimmer wordt gesubrogeerd in de rechten die een verzekerde heeft jegens een medeverzekerde. Beslissend hiervoor is, zoals de tweede zin van het derde lid van art. 7:962 BW aangeeft, of de medeverzekerde jegens de verzekerde aansprakelijk is wegens een omstandigheid die afbreuk zou hebben gedaan aan de uitkering wanneer die omstandigheid aan de verzekerde zelf zou zijn toe te rekenen (in welk geval regres dus in weerwil van de eerste zin van art. 7:962 lid 3 BW alsnog mogelijk is). Meer concreet zou dat het geval zijn wanneer het aan [appellanten] verweten handelen jegens [Y] een beroep op de uitsluiting in artikel 3 lid 6 van de polisvoorwaarden zou rechtvaardigen. Op grond van die bepaling is van dekking uitgesloten “schade, veroorzaakt of ontstaan door diefstal, inbraak (of poging daartoe) en joyriding, indien de verzekerde onvoldoende zorg kan worden verweten. Van verwijtbaar onvoldoende zorg is in ieder geval sprake indien de verzekerde het motorrijtuig onbeheerd heeft achtergelaten terwijl is nagelaten dit voldoende af te sluiten en/of de sleutels in het motorrijtuig zijn achtergelaten.”

Naar het hof meent doet die situatie zich hier niet voor. Een redelijke uitleg van de betreffende bepaling brengt mee - temeer nu het hier een uitzondering op het regresverbod betreft en dus een beperkte uitleg daarvan is aangewezen - dat er aan de zijde van de verzekerde (en de met hem gelijk te stellen medeverzekerde) sprake moet zijn geweest van een ernstige mate van onzorgvuldigheid (zoals het gedurende langere tijd en zonder toezicht onbeheerd achterlaten van een auto). De situatie die zich hier heeft voorgedaan, waarin een derde die zojuist een proefrit heeft gemaakt een enkel onbewaakt moment aangrijpt om een auto te stelen terwijl de (mede)verzekerde in de onmiddellijke nabijheid van het voertuig blijft, laat zich daarmee niet gelijk stellen. Een redelijke uitleg brengt dan ook mee dat de verzekering ook een dergelijk voorval dient te dekken, ook in de situatie waarin niet voorafgaand aan de proefrit naar de persoonsgegevens is gevraagd. Het voorgaande houdt in dat grief V in het principaal appel in beginsel slaagt.

3.12.

Omdat daarmee is voldaan aan de voorwaarde waaronder het incidenteel appel is ingesteld, zal het hof vervolgens de grief in het incidenteel appel - waarin Ansvar betwist dat [appellant sub 2] tijdens de proefrit is meegereden - bespreken. Deze grief faalt. Het hof meent dat er reden is uit te gaan van de juistheid van door [appellanten] gestelde toedracht, waarbij [appellant sub 2] tijdens de proefrit zou hebben meegereden. Deze toedracht - die ook door Ansvar zelf eerder tot uitgangspunt lijkt te zijn genomen - komt het hof aannemelijk voor, al was het maar omdat er in de door Ansvar (hypothetisch) gestelde toedracht voor [J] geen enkele grond zou zijn geweest om na de proefrit naar de garage terug te keren (uitgaande van zijn oogmerk om de auto te stelen). Aangezien de betwisting door Ansvar verder op geen enkele wijze is onderbouwd, zal het hof hieraan dan ook verder voorbijgaan.

3.13.

Op grond van het voorgaande hebben [appellanten] geen belang meer bij de bespreking van de grieven I en II in het principaal appel.

3.14.

De grieven III en IV lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Grief III richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant sub 2] in privé aansprakelijk is uit hoofde van een door hem gepleegde onrechtmatige daad, bestaande uit het niet nemen van voldoende voorzorgsmaatregelen. Volgens de grief gelden voor [appellant sub 2] , nu hij directeur en bestuurder van [appellant sub 1] is, niet zoals de rechtbank heeft aangenomen de gewone regels voor de onrechtmatige daad maar geldt voor hem een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid zoals dat van toepassing is binnen het leerstuk van de bestuurdersaansprakelijkheid, inhoudende dat hij slechts aansprakelijk kan zijn wanneer hem een ernstig en persoonlijk verwijt zou zijn te maken (waarvan volgens [appellanten] geen sprake is geweest). Met grief IV komen [appellanten] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant sub 2] persoonlijk onrechtmatig jegens [Y] heeft gehandeld. [appellant sub 2] heeft zo stellen zij (meer dan) voldoende veiligheidsmaatregelen getroffen, waarbij [appellanten] refereren aan het door hen onder grief III gestelde. Van belang is, zoals [appellanten] terecht naar voren brengen, dat [appellant sub 2] wordt aangesproken als (willekeurige) medewerker van [appellant sub 1] bij de uitoefening van de door dit bedrijf uitgeoefende werkzaamheden en niet als bestuurder van deze vennootschap. Dit heeft tot gevolg dat het handelen van [appellant sub 2] moet worden beoordeeld aan de hand van de gewone onrechtmatigheidsmaatstaf van art. 6:162 BW en voor zijn aansprakelijkheid dus niet is vereist dat hem een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt (vergelijk HR 18 september 2015:ECLI:NL:HR:2015:1406, NJ 2015, 267). Naar het oordeel van het hof is hetgeen Ansvar heeft aangedragen echter onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat [appellant sub 2] jegens [Y] onrechtmatig heeft gehandeld. Dat [appellant sub 2] toen hij door een derde werd aangesproken een kort ogenblik niet heeft opgelet, en hiermee ‘ [J] ’ de gelegenheid heeft gegeven weg te rijden met de auto, is niet een zodanige onoplettendheid dat [appellant sub 2] hierdoor onrechtmatig heeft gehandeld. Ook deze grieven slagen derhalve.

3.15.

Grief VI van [appellanten] betreft de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling. Het hof ziet aanleiding, nu de grieven III, IV en V slagen, het vonnis van de rechtbank op dit punt te vernietigen en Ansvar te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties. Tevens zal de door [appellanten] gevorderde terugbetaling van al hetgeen zij Ansvar uit hoofde van het vonnis van de rechtbank hebben voldaan, vermeerderd met de wettelijk rente daarover vanaf de dag van betaling tot die der algehele voldoening, worden toegewezen.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

wijst de vorderingen van Ansvar af;

veroordeelt Ansvar tot terugbetaling aan [appellanten] van al hetgeen [appellanten] aan Ansvar uit hoofde van het vonnis van de rechtbank hebben voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling tot die der algehele voldoening;

veroordeelt Ansvar in de proceskosten in eerste aanleg, begroot op € 1.836,-- aan verschotten en €1.788,-- aan salaris advocaat, en in die van het hoger beroep, in principaal en in incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van [appellanten] begroot op € 2.813,02 aan verschotten en op € 3.262,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

Dit arrest is gewezen door mrs. L.R. van Harinxma thoe Slooten, J.F. Aalders en M. Kremer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2016.