Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2267

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
23-002897-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:389, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming. Legale inkomsten niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-002897-13

Datum uitspraak: 15 juni 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 juni 2008 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-120038-04 tegen de veroordeelde:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1973,

adres: [adres 1] .

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 860.405,-.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 19 juni 2008 in de strafzaak veroordeeld ter zake van – kort gezegd – opzettelijk handelen in strijd met in de artikelen 3 onder B en 2 onder C van de Opiumwet gegeven verboden en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 19 juni 2008 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 530.815,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Het gerechtshof Amsterdam heeft de veroordeelde bij arrest van 19 november 2010 de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 525.815,-, vermeerderd met het vervolgprofijt over het wederrechtelijk verkregen voordeel vanaf de datum van inbeslagneming tot aan de datum van de terechtzitting van 5 november 2010, te weten € 38.058,18.

De veroordeelde heeft beroep in cassatie ingesteld tegen laatstgenoemd arrest.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 11 juni 2013 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en de zaak teruggewezen opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 546.345,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De raadsman heeft betwist dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De raadsman heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de veroordeelde uit de handel in horloges en een computerdeal legale inkomsten heeft verkregen. De overeenkomst die de verdediging heeft overhandigd ter onderbouwing van de gestelde computerdeal voldoet weliswaar niet aan de Westerse standaarden, maar dat betekent niet dat de overeenkomst daarom vals is. De deal is immers gesloten in Pakistan en daar gelden andere gebruiken en handelsnormen. Daar komt bij dat het door het Openbaar Ministerie ingestelde onderzoek naar de cheques onvolledig is geweest, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.

Legale inkomsten uit horlogehandel van de veroordeelde zijn niet aannemelijk geworden. De veroordeelde heeft verklaard dat hij horloges in zijn woning had ten tijde van de doorzoeking, maar van activiteiten (zoals bemiddeling bij verkoop) waarmee hij inkomsten heeft gegenereerd, heeft hij geen bonnetjes, administratie of enige andere vorm van documentatie overgelegd, noch heeft hij concrete bedragen genoemd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij desgevraagd verklaard, over de tenlastegelegde periode geen administratie te hebben bijgehouden. Aldus is de stelling van de veroordeelde onvoldoende concreet en onvoldoende onderbouwd.

Evenmin is de aangevoerde computerdeal, waarbij de veroordeelde zou hebben opgetreden als bemiddelaar tussen de getuige [getuige 1] namens [bedrijf 1] enerzijds en [getuige 2] anderzijds, aannemelijk geworden. Met het overleggen van een overeenkomst van 2 juni 2000 (’tri party agreement’) en twee betaalbewijzen en de verklaring van de getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris, is legaal vermogen van de veroordeelde onvoldoende onderbouwd, te meer gelet op het navolgende. Uit een proces-verbaal van 16 november 2006 van de verbalisant [verbalisant] blijkt dat het Pakistaanse bedrijf dat het geld aan de veroordeelde zou hebben gegeven, [bedrijf 1] , niet staat ingeschreven in het handelsregister, niet bekend is bij de Pakistaanse belastingdienst en niet staat ingeschreven op het opgegeven adres. Bovendien stond het telefoonnummer dat op het briefpapier van [bedrijf 1] werd vermeld, in de periode van 2000 tot 2003 op naam van een andere onderneming op een ander adres. Op grond van deze omstandigheden is het niet aannemelijk geworden dat daadwerkelijk een computerdeal als aangevoerd heeft plaatsgevonden en dat de veroordeelde daaruit legale inkomsten heeft verkregen. Het ligt op de weg van de veroordeelde om met deugdelijke administratieve bescheiden ter onderbouwing van zijn stelling ter zake te komen. De door de raadsman overgelegde memo van onderzoek, opgemaakt door verbalisanten van de politie Amsterdam-Amstelland, leidt in dezen niet tot een ander oordeel, nu daarin slechts in resumerende termen is gerelateerd welke onderzoekshandelingen zijn verricht en wat daarvan de uitkomsten zijn geweest. Er is geen aanwijzing dat het Openbaar Ministerie op informatie is gestuit die aanleiding had moeten vormen voor nader onderzoek.

Berekening

Uit het financiële rapport blijkt dat van de veroordeelde in de periode van 1 januari 2002 tot en met 10 februari 2004 geen legale inkomsten zijn vastgesteld. De veroordeelde heeft desondanks forse uitgaven gedaan. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het financiële rapport bepaald door middel van een kasopstelling, waarbij een negatief verschil tussen de uitgaven van de veroordeelde en zijn legale inkomsten is geconstateerd, welk verschil de veroordeelde niet op een aannemelijke wijze heeft verklaard. Hoewel de veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald met de bewezen verklaarde feiten, heeft hij aldus kunnen beschikken over een groot geldbedrag zonder dat hij legale inkomsten heeft gehad die een dergelijk bedrag kunnen verklaren. Daarom moet worden aangenomen dat hij die uitgaven uit een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gedaan.

Het hof ontleent de schatting van het wederrechtelijk voordeel verkregen aan de inhoud van de

wettige bewijsmiddelen en gaat uit van de volgende berekening:

Kasopstelling

Beginsaldo contant geld € 0,-

+/+ legale contante ontvangsten € 0,-

eindsaldo contant geld € 29.777,13

werkelijke uitgaven incl. bankstortingen € 830.627,98

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 860.405,11

Op 10 februari 2004 is een transportbusje, merk Hyundai, kenteken [kenteken 1] waarin de verdovende middelen vervoerd werden, in beslag genomen. Volgens de verkoper [betrokkene 1] had [verdachte] het busje voor € 4.000,- gekocht. Naar het oordeel van het hof is evenwel niet komen vast te staan dat de veroordeelde daadwerkelijk € 4.000,- in contanten voor het transportbusje heeft betaald. Dit bedrag zal om die reden in aftrek worden gebracht.

Met de rechtbank schat het hof het totale wederrechtelijk verkregen voordeel op een (afgerond)

bedrag van € 856.405,-.

Vervolgprofijt

Het hof is van oordeel dat de betalingsverplichting zich mede uitstrekt tot wederrechtelijk verkregen voordeel in de vorm van rente, verkregen op in beslag genomen gelden. Het hof zal derhalve het daadwerkelijk behaalde rendement vaststellen aan de hand van een nadere op schrift gestelde financiële berekening, welke door de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 juni 2016 is overgelegd, berekend, vanaf de datum van de inbeslagneming tot aan de dag van de terechtzitting van 1 juni 2016, op € 15.530,08.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal, zijnde een rapport inzake Project VIVIANE, betreffende een Financieel onderzoek contra [verdachte] , van 26 oktober 2005, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] .

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

5.2.4 Eindsaldo

Het eindsaldo aan contant geld is het contante geld dat onder [verdachte] in beslag genomen is. In dit geval gaat het om € 29.777,13.

5.2.5 Beschikbaar voor het doen van uitgaven

Door het aantreffen en in beslag nemen van het contante geldbedrag onder [verdachte] ontstaat een negatief saldo van € 29.777,13.

5.2.6 Contante uitgaven

- Op 10 februari 2004 werd een transportbusje, merk Hyunday, kenteken [kenteken 1] in beslag genomen. Het kenteken stond op naam van [betrokkene 2] . [betrokkene 2] verklaarde dat het kenteken op verzoek van zijn familielid [betrokkene 1] uit Rotterdam op zijn naam was gezet. [betrokkene 1] verklaarde dat het busje niet van hem was maar van een persoon wiens naam hij niet wil noemen. [betrokkene 1] is een persoonlijk contact van [verdachte] . De verkoper verklaarde het busje op 1 september 2003 voor € 4.000 verkocht te hebben. De verkoper werd cash betaald. Vermoed wordt dat het busje aangeschaft is door [verdachte] en dit bezit te hebben willen afschermen door het op naam te laten zetten van [betrokkene 2] .

- [verdachte] reed op de dag van zijn aanhouding en daarvoor in een Mercedes, type CLK270 CDI coupé, kleur grijs, kenteken [kenteken 2] . Vanaf 16 juni 2003 staat het kenteken op naam van [bedrijf 2] . In de woning van [verdachte] werden t.a.v. dit voertuig diverse rekeningen gevonden in de vorm van verkeersovertredingen, parkeerboetes etc. Aan de rekeningen waren betaalstrookjes geniet. Uit informatie van het centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) blijkt dat vanaf aanvang huur (augustus 2003) tot en met 10 februari 2004 twintig bekeuringen zijn uitgedeeld die op twee na allemaal gefactureerd zijn aan de tenaamgestelde, zijnde autoleasebedrijf [bedrijf 2] . [bedrijf 2] verklaarde dat de bekeuringen door haar betaald werden en via automatische incasso doorgefactureerd werden aan [betrokkene 3] . [betrokkene 3] verklaarde dat de betaling van een van de bekeuringen, de boete ad € 136, via het postkantoor cash is betaald door de huurster [betrokkene 4] .

De auto werd volgens eigenaar [bedrijf 2] Lease verhuurd aan [bedrijf 3] . te Harderwijk. [betrokkene 3] verklaarde de auto vanaf oktober 2003 voor € 1.150 per maand te verhuren aan [betrokkene 4] . Gelet op de bekeuring van 13 september 2003 wordt uitgegaan van de aanvang van de huurtermijn op 1 september 2003. [betrokkene 4] verklaarde het bedrag van € 1.150 maandelijks cash van [verdachte] te krijgen waarna zij het bedrag per Postbank overboekte. Uitgaande van 1 september 2003 betreft het 5 betalingen, totaal €5.750 (5 x € 1.150 = € 5.750).

Door [betrokkene 3] werd verklaard dat bij aanvang van de huur van de Mercedes door [betrokkene 4] aan verzekeringspremie € 1.500 cash werd betaald. Deze cashbetaling valt binnen de onderzoeksperiode.

Uitgaven: € 136, € 5.750 en € 1.500.

- Uit inbeslagname en uit verhoor blijkt dat [verdachte] een contante som aan geld heeft geleend c.q. geïnvesteerd aan ondernemer [betrokkene 5] , t.b.v. diens onderneming [bedrijf 4] op de [adres 2] te Amsterdam. [betrokkene 5] verklaarde dat eerdergenoemde [betrokkene 1] zijn broertje is. De ondernemer [betrokkene 5] verklaarde dat hij van [verdachte] cash € 6.000 of € 7.000 had geleend. Van het geleende geld had hij nog niets terugbetaald. Gelet op de inbeslaggenomen

aantekeningen, administratie en verklaringen is het geld geleend in december 2003. Voorts blijkt uit de aantekeningen van [verdachte] dat aan Kapli € 6.000,- is geleend.

Uitgaven: € 6.000.

- Uit onderzoek blijkt dat [verdachte] met medewerking van zijn vriendin [betrokkene 4] en mevrouw [betrokkene 6] , zijnde de makelaar/verkoopster/eigenaresse van het betreffende pand, onder zijn “valse” naam [naam] in augustus 2002 een appartement/penthouse op het adres [adres 3] te Kijkduin (gemeente ‘s-Gravenhage) heeft gekocht. In totaal is voor en ten behoeve van dat pand € 129.999,68 uitgegeven. Alle uitgaven zijn door [verdachte] cash gedaan. Aan de verkoopster [betrokkene 6] is cash circa € 104.000 betaald. Overige onkosten voor het appartement liepen via [betrokkene 4] . Een deel van de uitgaven liep via haar bankrekening, maar de rekening werd dan gevoed met cash stortingen. Het geld ontving zij van [verdachte] .

Uitgaven: € 129.999,68.

- Uit onderzoek blijkt dat [verdachte] met medewerking van zijn vriendin [betrokkene 4] met gebruikmaking van zijn valse identiteit [naam] in Spanje twee appartementen heeft gekocht middels cash betalingen en cashstortingen op bankrekeningen. De betalingen vonden in gedeeltes plaats in 2002 en 2003. De laatste betaling in juni 2003. Het betreffen de appartementen [adres 4] (Marbella). Het appartement 2A heeft hij vervolgens gegeven aan en op naam gesteld van zijn vriendin [betrokkene 4] . In appartement 2B wonen thans zijn ouders. In totaal heeft hij voor beide appartementen ten minste € 651.183,- betaald.

Uitgaven: € 651.183.

- Uit onderzoek in Spanje blijkt dat [verdachte] onder de valse naam [naam] twee bankrekeningen heeft geopend die hij voedde met onder meer cash stortingen. Voorts blijkt dat in Spanje door [betrokkene 4] ook een rekening werd geopend die eveneens gevoed werd met (cash)stortingen, In totaal werd op deze rekeningen in de periode augustus 2002 tot en met januari 2004 € 371.765,27 gestort. Van deze drie rekeningen werden onder meer de twee hiervoor genoemde appartementen betaald. De hierna genoemde bedragen € 9.329,95 en

€ 22.729,35 worden beschouwd als (cash) uitgaven aangezien de bankrekeningen werden gevoed met cash stortingen.

Van de rekening bij [bank 1] o.n.v. [naam] werden ook andere uitgaven bekostigd zoals vliegtickets. Aan vliegtickets etc. werd middels zijn creditcard in totaal € 9.329,95 afgeschreven.

Na zijn aanhouding op 10 februari 2004 zorgde [verdachte] ervoor dat de twee rekeningen o.n.v. [naam] leeggetrokken werden en boekte hij geld over naar familie in Engeland. Het gaat om een bedrag van € 9.229,35 vanaf de rekening bij [bank 1] en een bedrag van € 13.500 vanaf de rekening bij de [bank 2] . Totaal: € 22.729,35.

Uitgaven: € 9.329,95 en € 22.729,35.

Totaal: € 830.627,98.

5.2.7 Kasopstelling

De kasopstelling ziet er als volgt uit:

Beginsaldo contant geld € 0,00

+/+ Legale contante ontvangsten + € 0,00

-/- Eindsaldo contant geld - € 29.777,13

Beschikbaar voor het doen van uitgaven - € 29.777,13

-/- Werkelijke uitgaven incl. bankstortingen - € 830.627,98

Wederrechtelijk verkregen voordeel - € 860.405,11

2. Een geschrift, zijnde een berekening door het Openbaar Ministerie van het door de veroordeelde genoten vervolgprofijt per 1 juni 2016.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Bedrag 29.777,13

Begin 1-1-1998

Einde 1-6-2016

Totale rentevergoeding 15.530,08

Verplichting tot betaling aan de Staat

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering dient te worden gebracht de schenking van een appartement in Spanje [adres 4] ) aan zijn vriendin [betrokkene 4] ter waarde van € 325.590,-.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De betalingsverplichting dient daarom in redelijkheid te worden gematigd.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het hof kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt vast dat de vervolging van de veroordeelde in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat de redelijke termijn in de cassatiefase eveneens is overschreden. Het hof wijst bovendien arrest op 15 juni 2016, drie jaar na het arrest van de Hoge Raad.

Gelet op deze overschrijding zal het hof het bedrag, dat de veroordeelde wordt verplicht aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in redelijkheid matigen. Een korting van € 5.000 op het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel is redelijk om de schending van de redelijke termijn te compenseren.

Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 541.345,-.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 871.935,00 (achthonderdeenenzeventigduizend negenhonderdvijfendertig euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 541.345,00 (vijfhonderdeenenveertigduizend driehonderdvijfenveertig euro).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Amsterdam, mr. P.C. Römer en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

15 juni 2016.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte]

[....]