Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:217

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-01-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
200.133.278/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Budgetbeheer in aanvulling op schuldhulpverlening. Wanprestatie van de budgetbeheerster, waardoor de woning van de cliënt is ontruimd en waarvoor de beheerster aansprakelijk is. Omvang van de schade die de beheerster moet vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.133.278/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 1397901/HA EXPL 12-1565

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 januari 2016

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. D.G. Peters te Amsterdam,

tegen:

de besloten vennootschap PLANGROEP B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

advocaat: mr. L.F. Nijenhuis te Tiel.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Plangroep genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 9 juli 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 10 april 2013, onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Plangroep als gedaagde.

Hierna hebben partijen de volgende stukken genomen:

- een memorie van grieven, tevens houdende vermeerdering van eis, van [appellant] ;

- een memorie van antwoord, met producties, van Plangroep.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 30 juni 2015 doen bepleiten, [appellant] door mr. Peters voornoemd en Plangroep door mr. Nijenhuis voornoemd, beiden aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd.

Hierna is de zaak enige tijd aangehouden met het oog op het treffen van een minnelijke regeling tussen partijen, die niet tot stand is gekomen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest - zijn vorderingen als verwoord in de memorie van grieven alsnog zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

Plangroep heeft geconcludeerd, primair, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep. Subsidiair voorwaardelijk heeft Plangroep geconcludeerd tot afwijzing van alle vorderingen van [appellant] , eveneens met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis van 10 april 2013 onder 1.1 tot en met 1.7 een aantal feiten vastgesteld die tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep grotendeels niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan, voor zover nog van belang in hoger beroep.

2.1

Tussen [appellant] en Plangroep bestaat sinds medio 2009 een overeenkomst van budgetbeheer (hierna: de overeenkomst), toen Plangroep het dossier van [appellant] heeft overgenomen van de voormalige Kredietbank Amsterdam. De overeenkomst is niet schriftelijk vastgelegd.

2.2

Op grond van de overeenkomst is Plangroep verantwoordelijk voor het beheer van het inkomen van [appellant] . Dat beheer is gericht op het stabiliseren van de betaling van vaste lasten en op het voorkomen van (verdere) betalingsachterstanden. Hiertoe ontvangt Plangroep alle inkomsten van de cliënt, waarmee leefgeld, vaste lasten en eventuele incidentele nota's worden betaald. Budgetbeheer geschiedt in aanvulling op de schuldhulpverlening (waarbij getracht wordt regelingen te treffen met schuldeisers) en, anders dan bij onderbewindstelling, op basis van vrijwilligheid. De kosten voor de diensten van Plangroep in het kader van budgetbeheer worden door de gemeente Amsterdam gedragen.

2.3

In de periode tussen mei 2009 en 17 augustus 2011 zijn geen dan wel beperkte inkomsten binnengekomen op de door Plangroep beheerde rekening van [appellant] .

2.4

In voormelde periode heeft [appellant] een huurachterstand laten ontstaan bij zijn verhuurder Stadgenoot. Bij vonnis van 24 augustus 2011 heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam de huurovereenkomst ontbonden en [appellant] veroordeeld tot ontruiming van de woning. Stadgenoot heeft het vonnis aan [appellant] betekend en aangezegd tot ontruiming van de woning over te gaan. Hierna heeft de schuldhulpverlener een betalingsregeling getroffen met de deurwaarder. Op verzoek van de schuldhulpverlener heeft Plangroep geld overgemaakt naar de verhuurder, Stadgenoot. De huur diende telkens vóór de eerste dag van de maand waarop deze betrekking had, te worden voldaan.

2.5

Op 26 september 2011 is de uitkering van [appellant] van € 877,70 op de door Plangroep beheerde rekening binnengekomen. Op 3 oktober 2011 heeft [appellant] Plangroep gebeld en gesproken met een medewerker van Plangroep. [appellant] heeft in dit telefoongesprek aan Plangroep gevraagd wat zijn saldo was, hetgeen volgens de medewerker van Plangroep € 1.100,-- betrof. Vervolgens heeft [appellant] de medewerker verzocht dit bedrag aan hem over te maken. Dit heeft Plangroep gedaan. Op dat moment was de huur voor oktober 2011 nog niet door Plangroep aan Stadgenoot betaald.

2.6

De huur van de woning van [appellant] voor de maand oktober 2011 is onbetaald gebleven. In oktober en november 2011 is er wederom inkomen van [appellant] bij Plangroep binnengekomen. Op 25 november 2011 is er contact geweest tussen [appellant] en Plangroep, waarbij hij heeft verzocht het beschikbare saldo aan hem over te maken zodat hij de deurwaarder van de verhuurder kon betalen om ontruiming te voorkomen. Plangroep heeft hieraan geen gevolg gegeven. Op

28 november 2011 is Stadgenoot overgegaan tot ontruiming van de woning van [appellant] . Op die dag is de huur voor december 2011 ad € 502,99 door Plangroep aan Stadgenoot overgemaakt.

2.7

Na ontruiming van zijn woning verblijft [appellant] in verschillende opvanglocaties.

2.8

Thans (ten tijde van de behandeling in hoger beroep) is [appellant] toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

3 Beoordeling

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat Plangroep wanprestatie jegens hem heeft gepleegd in de nakoming van overeenkomst tot budgetbeheer en aansprakelijk is voor alle schade die daar het gevolg van is, vermeerderd met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat. Voorts heeft hij betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten gevorderd.

3.2

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld - kort samengevat - dat Plangroep is tekortgeschoten jegens [appellant] in de nakoming van de overeenkomst tot budgetbeheer, door hem tijdens het telefoongesprek van 3 oktober 2011 niet concreet te vertellen dat op dat moment de huur van de maand oktober 2011 niet was overgemaakt. Bovendien is ook de huur van november 2011 niet tijdig betaald door Plangroep en heeft Plangroep geen afdoende verklaring gegeven voor het feit dat op 25 november 2011, toen ontruiming dreigde, niet is overgegaan tot uitbetaling van geld aan [appellant] om hem in staat te stellen ontruiming af te wenden, terwijl zij later wel op 28 november 2011 (de dag van ontruiming) de huur heeft overgemaakt. Voorts heeft de kantonrechter geoordeeld dat er oorzakelijk verband is tussen het tekortschieten van Plangroep en de schade van [appellant] als gevolg van de ontruiming. De kantonrechter heeft de schade van [appellant] op de voet van artikel 6:105 lid 1 BW begroot op € 5.000,--, zijnde het standaardbedrag dat door woningbouwverenigingen bij verhuizingen in stadsvernieuwingszaken. Het meer of anders gevorderde is door de kantonrechter afgewezen.

3.2

Bij grief 1 voert [appellant] aan dat de kantonrechter buiten het geschil van partijen is getreden door op grond van artikel 6:105 lid 1 BW de toekomstige schade te begroten op € 5.000,--, 'zonder nader bewijsaanbod van [appellant] '. In de toelichting stelt [appellant] dat hij een verklaring voor recht had gevorderd. Weliswaar had hij verzuimd een voorschot te vorderen, zoals wel per post stond aangekondigd in de dagvaarding, maar - zo begrijpt het hof zijn standpunt - hij hoefde er geen rekening mee te houden dat de kantonrechter tot een definitieve begroting van de schade zou overgaan, zonder hem in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren van zijn schade.

3.3

Het hof overweegt als volgt. Op zichzelf is het rechter toegestaan om, wanneer daarvoor voldoende aanknopingspunten zijn, de schade zelf te begroten, ook al is gevorderd vergoeding van schade op te maken bij staat. De rechter dient echter wel een verrassingsbeslissing te voorkomen en partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over zijn voornemen om de schade zelf te begroten (HR 19 oktober 2001, NJ 2001, 653). In het onderhavige geval heeft de rechter dat nagelaten. In zoverre is het bezwaar van [appellant] terecht.

3.4

Thans, in hoger beroep, vordert [appellant] een verklaring voor recht dat Plangroep aansprakelijk is voor alle schade die het gevolg is van de wanprestatie van Plangroep in de nakoming van de overeenkomst tot budgetbeheer, nader op te maken bij staat, alsmede een voorschot op de schade van € 8.000,-- aan vergoeding van verloren geraakte inboedel, € 5.000,-- aan toekomstige verhuiskosten en € 823,80 aan kosten van de ontruiming. Subsidiair vordert [appellant] dat het hof een deskundige zal benoemen die de schade kan begroten die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden.

3.5

Het hof begrijpt het standpunt van Plangroep in hoger beroep aldus, dat zij niet betwist het oordeel van de kantonrechter dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tot budgetbeheer jegens [appellant] , maar zulks op voorwaarde dat zij in hoger beroep niet tot een hoger bedrag wordt veroordeeld dan in eerste aanleg.
Het hof zal dan ook eerst beoordelen of [appellant] aanspraak kan maken op andere bedragen voor kosten en schade dan waartoe Plangroep in het bestreden vonnis veroordeeld.

3.6

Voor wat betreft het voorschot van € 8.000,-- dat [appellant] vordert wegens verloren gegane inboedel van het gehuurde, geldt het volgende. [appellant] heeft niet gesteld - en dus ook niet met bewijsstukken onderbouwd - waaruit zijn inboedel bestond. Het hof heeft dan ook geen enkel houvast bij de begroting van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het verloren gaan daarvan. Gelet op de door Plangroep in het geding gebrachte verklaring van deurwaarder Reuling van 18 november 2013, die inhoudt - zakelijk weergegeven - dat de door hem in de woning van [appellant] aangetroffen inboedel ten tijde van de ontruiming geen enkele waarde had, kan het hof er ook niet vanuit gaan dat de waarde van de inboedel van [appellant] vergelijkbaar was met een standaardinboedel. [appellant] heeft ook niet betwist dat er na de ontruiming geen opslag van inboedel heeft plaatsgevonden, zoals gebruikelijk is wanneer er bij een ontruiming goederen van enige waarde worden aangetroffen.
Het hof ziet dan ook geen grond om het door [appellant] gevorderde bedrag van

€ 8.000,-- toe te wijzen, ook niet bij wijze van voorschot. Het hof zal ook niet een deskundige benoemen om deze schade te begroten, nu [appellant] op geen enkele manier heeft duidelijk gemaakt waaruit zijn inboedel bestond.

3.7

Het bedrag van € 5.000,-- voor verhuis- en herinrichtingskosten is door de kantonrechter toegewezen en [appellant] geeft te kennen zich hierin te kunnen vinden. Ook Plangroep heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.

3.8

Het door [appellant] gevorderde bedrag van € 823,80 aan kosten ontruiming is door hem onderbouwd met productie 9 (factuur van 29 november 2011). Naar 's hofs oordeel is dit bedrag als schade als gevolg van de ontruiming van de woning aan te merken en ligt dit bedrag voor toewijzing gereed. Plangroep heeft ook geen gemotiveerd verweer gevoerd tegen toewijzing van deze schadepost.

3.9

In zijn memorie van grieven heeft [appellant] voorts aangevoerd dat hij schade lijdt doordat hij een sociale huurwoning is kwijtgeraakt en daarvoor nu niet meer in aanmerking komt; hij zal heel lang moeten wachten voordat hij weer een woning krijgt toegewezen. Woningen in de vrije sector zijn voor hem onbereikbaar. Plangroep zou kunnen bemiddelen dan wel de kosten voldoen waarmee een huurwoning in de vrije sector bereikbaar wordt.
Het hof acht het aannemelijk dat [appellant] deze schade heeft geleden en is van oordeel dat deze schade te zien is als gevolg van de wanprestatie van Plangroep. Het verlies van de sociale huurwoning van [appellant] heeft voor hem meegebracht dat hij in de daklozenopvang is terechtgekomen en dat onzeker is of, en wanneer hij weer over een eigen (sociale) huurwoning kan beschikken. Dit is voldoende grond voor toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure, zoals door [appellant] is gevorderd.

3.10

Het hiervoor onder 3.8 en 3.9 overwogene brengt mee dat is voldaan aan de voorwaarde waaronder Plangroep haar bezwaren tegen het bestreden vonnis heeft ingesteld, namelijk dat zij (in beginsel) zal worden veroordeeld tot meer en andere schade dan het bedrag waartoe zij in eerste aanleg is veroordeeld door de kantonrechter. Het hof zal derhalve thans overgaan tot de behandeling van die bezwaren.

3.11

Voor zover het standpunt van Plangroep inhoudt dat geen sprake is van overeenkomst van opdracht omdat budgetbeheer een vrijwillige keuze is (memorie van antwoord punt 29), volgt het hof dat standpunt niet. Plangroep heeft zich verbonden tot het uitvoeren werkzaamheden voor cliënten als [appellant] - het bieden van hulp bij en beheren van financiën - en ontvangt daarvoor een financiële vergoeding. Daarmee is voldaan aan de vereisten voor een overeenkomst van opdracht.

3.12

Voorts is het standpunt van Plangroep, zo begrijpt het hof, dat [appellant] tijdens het telefoongesprek op 3 oktober 2011 met een medewerker van Plangroep op intimiderende toon het tegoed van zijn rekening heeft opgevraagd. Vanwege de intimiderende toon heeft Plangroep gevolg gegeven aan zijn verzoek, temeer omdat [appellant] zelf gerechtigd was over zijn middelen te beschikken omdat budgetbeheer geschiedt op basis van vrijwilligheid. Door de medewerker van Plangroep is gemeld dat de huur voor de maand november (bedoeld zal zijn: oktober) nog niet was betaald. Plangroep stelt dan ook dat haar niets te verwijten is.

3.13

Het hof overweegt als volgt.
Zelfs als juist is dat [appellant] tijdens het telefoongesprek op 3 oktober 2011 zich intimiderend heeft opgesteld jegens de medewerker van Plangroep, dan nog geldt dat Plangroep reeds op dat moment was tekortgeschoten bij het budgetbeheer. Plangroep heeft immers niet weersproken dat, na de betekening van het ontruimingsvonnis aan [appellant] , met de deurwaarder was afgesproken dat de huur vóór de eerste van de maand diende te worden voldaan. De huur voor oktober 2011 was derhalve hoe dan ook te laat betaald door Plangroep, terwijl - dit staat niet ter discussie - er wel voldoende saldo was om die huur te betalen. Duidelijk is - en dat had Plangroep redelijkerwijs ook kunnen en moeten begrijpen - dat een te late huurbetaling in een situatie waarin er een betekend ontruimingsvonnis ligt, uiterst riskant is voor de huurder en direct het risico op ontruiming meebrengt. Het hof deelt derhalve het oordeel van de kantonrechter dat Plangroep jegens [appellant] is tekortgeschoten in de uitvoering van de overeenkomst tot budgetbeheer, door niet tijdig de huur over oktober 2011 te betalen. Dat budgetbeheer vrijwillig is, maakt dat niet anders. Beslissend is evenmin of Plangroep heeft gezegd dat de huur voor oktober nog moest worden betaald; deze was hoe dan ook te laat.

Daarbij komt dat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat niet begrijpelijk is waarom Plangroep op 25 november 2011 niet is overgegaan tot betaling van het gehele saldo aan [appellant] , zodat ontruiming mogelijk nog had kunnen worden afgewend door contante betaling aan de deurwaarder (terwijl Plangroep wel op de dag van ontruiming nog een reguliere huurbetaling voor de maand december heeft gedaan). Ook in dit opzicht is Plangroep tekort geschoten jegens [appellant] .

3.14

Het standpunt van Plangroep dat de ontruiming niet het gevolg is geweest van haar tekortschieten, maar van de eerdere wanprestatie van [appellant] bij de betaling van huurpenningen en het daardoor toegewezen ontruimingsvonnis, volgt het hof niet. Stadgenoot had immers afgezien van tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis, mits de huur steeds voor de eerste van de maand zou worden betaald. Het lag op de weg van Plangroep, als budgetbeheerder, ervoor te zorgen dat dat ook zou gebeuren (uiteraard voor zover er toereikend saldo was).

3.15

De conclusie is dat de bezwaren van Plangroep tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij aansprakelijk is voor de schade die [appellant] lijdt en nog zal lijden door de ontruiming, niet opgaan.

3.16

De door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten conform Voorwerk II zijn door hem toereikend onderbouwd en door Plangroep niet gemotiveerd betwist. Het hof zal deze kosten derhalve toewijzen.

3.17

De slotsom is dat het vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van [appellant] zullen worden toegewezen als nader in het dictum te bepalen. Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zal Plangroep worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof zal geen kostenveroordeling in het voorwaardelijk incidenteel appel uitspreken, nu [appellant] geen afzonderlijke memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel heeft genomen.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 11 maart 2013;

en opnieuw rechtdoende:

1. verklaart voor recht dat Plangroep tekort geschoten is in de nakoming van de overeenkomst van budgetbeheer jegens [appellant] en dat Plangroep aansprakelijk is voor alle schade die daarvan het gevolg is, nader op te maken bij staat;

2. veroordeelt Plangroep - uitvoerbaar bij voorraad - tot een voorschot op die schade van € 5.000,-- aan toekomstige verhuis- en herinrichtingskosten en
€ 832,80 aan ontruimingskosten;

3. veroordeelt Plangroep tot betaling aan [appellant] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 363,--;

4. veroordeelt Plangroep in de kosten van de procedure en begroot deze aan de zijde van [appellant] tot op heden op:
in eerste aanleg: € 765,17;

in hoger beroep: € 391,82 aan verschotten en € 1.896,-- voor salaris en € 131,-- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, en R.H. de Bock en J.C.W. Rang en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2016.