Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2169

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
200.184.064/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Anders dan kantonrechter acht het hof wel een e-grond aanwezig, vanwege onvoldoende meewerken aan re-integratie door werknemer. Wel transitievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1137
AR 2016/2938
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.184.064/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 4324399 EA VERZ 15-822

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juni 2016

inzake

TEICO SERVICE B.V,

gevestigd te Lijnden (gemeente Haarlemmermeer),

appellante,

advocaat: mr. A.W. Kouwets te Bussum,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaten: mrs. E.H.J. Slager en J. Polman te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Teico en [geïntimeerde] genoemd.

Teico is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 19 januari 2016, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) onder bovenstaand zaaknummer op 20 oktober 2015 heeft gegeven. Het beroepschrift bevat vijf grieven. Het strekt ertoe dat het hof genoemde beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende de arbeidsovereenkomst zal beëindigen, zal bepalen dat Teico aan [geïntimeerde] geen transitievergoeding verschuldigd is, [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 545,- wegens door Teico aan [geïntimeerde] betaalde proceskosten van de eerste instantie en [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen nakosten.

Op 7 maart 2016 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep met producties van [geïntimeerde] ingekomen. Daarin verzoekt [geïntimeerde] primair het beroep te verwerpen, subsidiair, in geval van, zo begrijpt het hof, beëindiging van de arbeidsovereenkomst, [geïntimeerde] een billijke vergoeding én een transitievergoeding toe te kennen en meer subsidiair een transitievergoeding, zowel ten aanzien van het subsidiaire als het meer subsidiaire verzoek daarbij rekening te houden met de opzegtermijn krachtens de cao voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf, en in alle gevallen Teico te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep met nakosten.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 20 april 2016. Bij die gelegenheid hebben namens partijen hun voornoemde advocaten het woord gevoerd. Daarbij heeft mr. Kouwets zich bediend van aan het hof overgelegde aantekeningen.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten. De uitspraak is bepaald op heden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1.1 tot en met 1.12 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[geïntimeerde] , geboren [in] 1964, is sedert 27 november 2007 in dienst van Teico en is laatstelijk werkzaam in de functie van medewerker algemeen schoonmaak-onderhoud gedurende 10 uur per week, verdeeld over vijf dagen, tegen een salaris van laatstelijk € 449,60 bruto per vier weken, exclusief vakantietoeslag.

2.2

[geïntimeerde] is sinds 14 april 2014 arbeidsongeschikt.

2.3

De bedrijfsarts heeft [geïntimeerde] op 25 februari 2015 in staat geacht te starten in aangepaste (eigen) werkzaamheden voor drie keer één uur per week.

2.4

[geïntimeerde] is, ondanks daartoe strekkend verzoek van Teico, op en vanaf 27 maart 2015 niet verschenen op het werk om werkzaamheden te verrichten.

2.5

Teico heeft [geïntimeerde] per brief van 30 maart 2015 opgedragen vóór donderdag 2 april 2015 aan te geven wat de reden is dat [geïntimeerde] op 27 maart 2015 niet op het werk was verschenen. [geïntimeerde] heeft op die brief niet gereageerd.

2.6

[A] (verder: [A] ), casemanager personeelszaken, heeft namens Teico op 1 april 2015 aan [geïntimeerde] geschreven vanwege het zonder opgave van redenen niet op het werk verschijnen de loonbetaling per direct op te schorten en [geïntimeerde] verzocht vóór woensdag 8 april 2015 met haar contact op te nemen. [geïntimeerde] neemt geen contact op met [A] maar verschijnt op 9 april 2015 op het spreekuur van de bedrijfsarts. Deze heeft zijn op 25 februari 2015 gegeven oordeel over de werkhervatting gehandhaafd.

2.7

Op 16 april 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen enerzijds [A] en [B] namens Teico, en anderzijds [geïntimeerde] , die werd bijgestaan door haar dochter en door haar zoon, [C] (verder: [C] ). In dat gesprek, waarvan een weergave bij brief van gelijke datum aan [geïntimeerde] wordt bevestigd, geeft [geïntimeerde] aan een deskundigenoordeel te zullen aanvragen.

2.8

Op 24 april 2015 heeft Teico aan [geïntimeerde] geschreven die dag van het UWV te hebben vernomen dat bij het UWV nog geen aanvraag voor een deskundigenoordeel was binnengekomen. Teico schrijft dat als zij vóór 8 mei 2015 geen deskundigenoordeel heeft ontvangen, zij zal overgaan tot een loonstop.

2.9

Op 8 mei 2015 heeft Teico aan [geïntimeerde] geschreven die dag (opnieuw) van het UWV te hebben vernomen dat bij het UWV nog geen aanvraag voor een deskundigenoordeel was binnengekomen. Teico schrijft dat als [geïntimeerde] niet vóór 22 mei 2015 meewerkt aan haar re-integratie, bij het UWV een ontslagaanvraag zal worden ingediend op grond van verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie.

2.10

Op 8 mei 2015 heeft [C] om 19.37 per e-mail aan Teico de aanvraag voor een deskundigenoordeel bevestigd.

2.11

Op 8 juni 2015 om 20.02 uur heeft [C] per e-mail aan Teico geschreven van het UWV vernomen te hebben dat deze instantie aanvullende informatie nodig heeft, en dat [C] die uiterlijk woensdag 10 juni 2015 van Teico wil ontvangen. Het betreft onder andere de volgende informatie over het tijdstip waarop de werkhervatting had moeten plaatsvinden en het concrete werkaanbod.

2.12

Op 9 juni 2015 heeft Teico per brief aan het UWV en aan [geïntimeerde] antwoord gegeven op de op 8 juni 2015 gestelde vragen.

2.13

Op 14 juli 2015 heeft het UWV per e-mail aan [A] geschreven: “Enige tijd geleden sprak ik u telefonisch over het deskundigenoordeel dat door mevrouw [geïntimeerde] is aangevraagd. Hierbij wil ik u laten weten dat de aanvraag door ons is afgesloten omdat mevrouw [geïntimeerde] niet meer reageert op diverse oproepen van onze kant. Wij kunnen nu geen oordeel afgeven. Van belang was dat mevrouw [geïntimeerde] door de verzekeringsarts gezien moest worden. Er komt dus geen deskundigenoordeel meer.”

2.14

Op 28 juli 2015 heeft het UWV, op verzoek van [geïntimeerde] , alsnog een (eerste) deskundigenoordeel afgegeven. Dit hield in dat het door Teico op 27 maart 2015 aangeboden werk niet passend was.

2.15

Op 13 augustus 2015 heeft Teico aan [geïntimeerde] geschreven dat deze werd opgeroepen op 17 augustus 2015 bij de bedrijfsarts te verschijnen, dat [C] op 11 augustus 2015 aan de arbodienst had laten weten geen aanleiding te zien naar de bedrijfsarts te komen en dat [geïntimeerde] daarom door Teico gesommeerd werd om op 17 augustus 2015 bij de bedrijfsarts te verschijnen. [geïntimeerde] is op 17 augustus 2015 bij de bedrijfsarts verschenen, maar heeft aan de bedrijfsarts geen medische machtiging willen afgeven waarmee [geïntimeerde] aan haar behandelend artsen toestemming gaf medische informatie over [geïntimeerde] aan de bedrijfsarts te verstrekken.

2.16

Op 16 september 2015 heeft het UWV, op verzoek van Teico, een (tweede) deskundigenoordeel afgegeven. Dit hield in dat [geïntimeerde] verwijtbaar heeft gehandeld door geen medische machtiging van de bedrijfsarts te ondertekenen; dit heeft de re-integratie doen stagneren. Op 29 september 2015 heeft [geïntimeerde] alsnog de bedoelde machtiging verstrekt.

3 Beoordeling

3.1.

Teico heeft bij het inleidende verzoek verzocht (i) de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] te ontbinden op grond van primair (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW en subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW: (ii) het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op primair het eerst mogelijke moment en subsidiair het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd; (iii) te bepalen dat Teico aan [geïntimeerde] geen transitievergoeding verschuldigd is op grond van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [geïntimeerde] als bedoeld in artikel 7:673 a lid 7 sub c BW en (iv) [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten. Teico heeft als grond voor de ontbinding voor wat betreft de in artikel 7:669 lid 3 sub e BW bedoelde grond (de ‘e-grond’) aangevoerd dat [geïntimeerde] hardnekkig weigert om een start te maken met haar re-integratie en voor wat betreft de in artikel 7:669 lid 3 sub g BW bedoelde grond (de ‘g-grond’) dat [geïntimeerde] niet bereid is om op een enigszins redelijke wijze te communiceren om tot re-integratie te komen.

3.2

[geïntimeerde] heeft zich tegen de verzochte ontbinding verweerd. Zij heeft primair verzocht de arbeidsovereenkomst niet te ontbinden, subsidiair haar in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst een billijke vergoeding toe te kennen, inclusief transitievergoeding, en meer subsidiair, zo begrijpt het hof, een transitievergoeding, wat betreft het (meer) subsidiaire verzoek met inachtneming van de fictieve opzegtermijn krachtens de cao voor het Schoonmakers- en Glazenwassersbedrijf.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen en Teico veroordeeld in de proceskosten.

3.4

Teico komt tegen deze beschikking op met de volgende grieven. Grief I is gericht tegen de afwijzing van het ontbindingsverzoek en de veroordeling van Teico in de proceskosten. Grief II heeft betrekking op de overweging dat de door Teico aangevoerde redenen voor de verzochte ontbinding respectievelijk beëindiging verband houden met de ziekte van [geïntimeerde] . De grieven 3 en 4 zijn gericht tegen de overweging dat geen redelijke grond voor ontbinding bestaat in de vorm van verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW en de overweging dat wel aannemelijk is dat [geïntimeerde] op een aantal punten tekort schiet, maar dat dit onvoldoende is voor een verwijtbaar handelen in genoemde zin. Met grief 5 bestrijdt Teico het oordeel van de kantonrechter dat ook geen redelijke grond voor ontbinding bestaat in de vorm van een verstoorde arbeidsverhouding.

3.5

De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.5.1

Teico baseert het verzoek tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor wat betreft de e-grond op het door [geïntimeerde] op een verwijtbare wijze niet meewerken aan redelijke voorschriften verband houdende met de re-integratie van [geïntimeerde] in of buiten het bedrijf van Teico. Teico noemt hiertoe drie voorbeelden: (i) het door [geïntimeerde] niet binnen een redelijke termijn verzoeken van een deskundigenoordeel; (ii) het door [geïntimeerde] pas na geruime tijd afgeven van een medische machtiging en (iii) het door [geïntimeerde] niet meewerken aan re-integratie in het tweede spoor.

(i) Aanvraag deskundigenoordeel

3.5.2

[geïntimeerde] is door de bedrijfsarts in staat bevonden om vanaf 27 maart 2015 gedurende drie maal één uur per week aangepaste werkzaamheden te verrichten. Zij heeft dat niet gedaan. Teico heeft [geïntimeerde] bij brief van 30 maart 2015 opgeroepen voor een gesprek bij Teico op 2 april 2015. [geïntimeerde] is op dat gesprek, zonder berichtgeving, niet verschenen. Teico heeft bij brief van 1 april 2015 een loonopschorting aangekondigd ingaande 8 april 2015 en heeft [geïntimeerde] daarbij gewezen op de mogelijkheid van het aanvragen van een deskundigenoordeel. [geïntimeerde] is vervolgens op 9 april 2015 naar de bedrijfsarts gegaan, die heeft herhaald haar in staat te achten om gedurende drie maal één uur per week aangepaste werkzaamheden te verrichten. [geïntimeerde] heeft daar geen uitvoering aan gegeven. Teico heeft [geïntimeerde] vervolgens opgeroepen voor een gesprek op 16 april 2015. [geïntimeerde] is op dat gesprek verschenen. Blijkens het door Teico van dat gesprek opgestelde, en door [geïntimeerde] niet betwiste, verslag is afgesproken dat [geïntimeerde] een deskundigenoordeel zou aanvragen. Teico heeft [geïntimeerde] op 24 april 2015 geschreven dat het deskundigenoordeel nog niet was aangevraagd, en [geïntimeerde] werd gesommeerd dat uiterlijk 8 mei 2015 te doen, waarbij per die datum een loonstop werd aangekondigd. Teico heeft [geïntimeerde] op 8 mei 2015 geschreven, dat nog steeds geen deskundigenoordeel was aangevraagd. [C] heeft op 8 mei 2015 om 19.37 uur namens [geïntimeerde] per e-mail aan Teico bevestigd dat een deskundigenoordeel was aangevraagd. [C] heeft Teico op 8 juni 2015 om informatie verzocht, welke volgens het UWV nodig was voor de aanvraag van het deskundigenoordeel, en welke informatie Teico aan [C] vóór 10 juni 205 diende te verstrekken. Teico heeft de desbetreffende informatie op 9 juni 2015 aan het UWV en aan [C] verstrekt. De arbeidsdeskundige [D] van het UWV heeft op 14 juli 2015 aan Teico geschreven dat de deskundigenaanvraag was afgesloten omdat [geïntimeerde] niet meer reageerde op diverse oproepen van de kant van het UWV. [geïntimeerde] is op 21 juli 2015 op het spreekuur van de verzekeringsarts van het UWV geweest, en het UWV heeft op 28 juli 2015 een (eerste) deskundigenoordeel afgegeven inhoudend dat [geïntimeerde] op 27 maart 2015 arbeidsongeschikt was.

3.5.3

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] aldus niet binnen een redelijke termijn een (eerste) deskundigenoordeel heeft verzocht. Teico had haar al bij brief van 1 april 2015 gewezen op de mogelijkheid tot het aanvragen daarvan. Het had op de weg gelegen van [geïntimeerde] dat toen voortvarend te doen, aangezien zij geen gevolg gaf aan het oordeel van de bedrijfsarts gedurende drie maal één uur per week het werk te hervatten en zij daarvoor goede redenen meende te hebben. Ook toen tussen Teico en [geïntimeerde] op 16 april 2015 was afgesproken dat [geïntimeerde] een deskundigenoordeel zou aanvragen, heeft [geïntimeerde] dat niet met gepaste voortvarendheid gedaan. Zij heeft daarmee gewacht tot 8 mei 2015, en heeft, via [C] , die avond een kennelijk onvolledige aanvraag ingediend. De informatie die door [C] namens [geïntimeerde] op 8 juni 2015 aan Teico werd verzocht, was, blijkens het door Teico op 9 juni 2015 gegeven antwoord, informatie die al stond in de diverse door Teico vóór 8 juni 2015 aan [geïntimeerde] verstuurde brieven. Het is daarmee [geïntimeerde] aan te rekenen dat het UWV de deskundigenaanvraag kennelijk pas op 9 juni 2015 in behandeling heeft genomen daar waar het betreft de redelijkheid van de opdracht om passende arbeid te gaan verrichten per 27 maart 2015. [geïntimeerde] heeft niet weersproken dat zij aan minimaal één oproep van het UWV in het kader van de aanvraag om een deskundigenoordeel geen gehoor heeft gegeven. Dat [geïntimeerde] vervolgens pas ruim zes weken later, te weten op 21 juli 2015, door een verzekeringsarts van het UWV werd gezien is een vertraging die haar daarmee ook minst genomen deels valt aan te rekenen. Dat het UWV vervolgens oordeelde dat [geïntimeerde] op 27 maart 2015 niet arbeidsgeschikt was neemt niet weg dat [geïntimeerde] aldus handelend aan redelijke voorschriften in de zin van artikel 7:629 lid 3 onder d BW van Teico, namelijk om – naar zij had moeten begrijpen: met voldoende voortvarendheid – een deskundigenoordeel aan te vragen, en ondanks een toezegging daartoe geen uitvoering heeft gegeven.

(ii) Afgeven medische machtiging

3.5.4

Nadat het UWV het eerste deskundigenoordeel, houdende dat [geïntimeerde] op 27 maart 2015 arbeidsongeschikt was, op 28 juli 2015 had afgegeven, heeft Teico [geïntimeerde] uitgenodigd voor een bezoek aan de bedrijfsarts op 13 augustus 2015. [geïntimeerde] is 13 augustus 2015 op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen, maar heeft aan de bedrijfsarts geen machtiging willen afgeven op grond waarvan het [geïntimeerde] ’ behandelend arts(en) was toegestaan medische informatie aan de bedrijfsarts te verstrekken (hierna: de medische machtiging). Blijkens het (tweede) deskundigenoordeel van het UWV d.d. 16 september 2015 zag [C] er het nut niet van in die medische machtiging te verstrekken. [C] heeft dit standpunt ter zitting in hoger beroep herhaald. [C] voerde hierbij aan dat Teico een ontbindingsverzoek had ingediend en re-integratie daarmee kennelijk niet meer aan de orde was. Pas op 29 september 2015, de dag van de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek in eerste aanleg, heeft [geïntimeerde] de medische machtiging verstrekt. Het verzoek van de bedrijfsarts aan [geïntimeerde] om een medische machtiging te verstrekken was alleszins redelijk. De bedrijfsarts diende de re-integratiemogelijkheden van [geïntimeerde] vast te stellen zolang het dienstverband niet was geëindigd. Bovendien verzocht [geïntimeerde] het ontbindingsverzoek af te wijzen, waarmee zij te kennen gaf zelf te streven naar voortzetting van het dienstverband. Door gedurende de periode van 13 augustus 2015 tot 28 september 2015 de verzochte medische machtiging niet af te geven gaf [geïntimeerde] wederom geen uitvoering aan een redelijke verzoek in het kader van haar re-integratie.

(iii) Re-integratie in tweede spoor

3.5.5

Teico heeft gesteld, en [geïntimeerde] heeft niet weersproken, dat [geïntimeerde] door Teico werd opgeroepen voor een gesprek op 18 januari 2016 met een re-integratiebedrijf in verband met werkhervatting in het tweede spoor, en dat [geïntimeerde] dit gesprek op 18 januari 2016 heeft afgezegd aangezien zij eerst over het door een arbeidsdeskundige opgesteld belastbaarheidspatroon wilde beschikken. [geïntimeerde] was op 18 januari 2016 ruim 21 maanden arbeidsongeschikt. Blijkens het door haar verzochte (eerste) deskundigenoordeel was zij niet arbeidsgeschikt voor haar eigen werk of passend werk binnen Teico. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat nadien een verbetering in haar gezondheidssituatie was opgetreden. Werkhervatting bij Teico, derhalve in het eerste spoor, lag daarom vanaf eind juli 2015 niet voor de hand. Teico was daarom – zekerheidshalve, teneinde een eventuele loonsanctie te voorkomen - gehouden te onderzoeken of [geïntimeerde] geschikt was voor werkhervatting in het tweede spoor. Het verzoek tot een intakegesprek hierover op 18 januari 2016 was daarom alleszins redelijk. Dat [geïntimeerde] dit gesprek, op het allerlaatste moment, afzegde omdat zij eerst wilde beschikken over het door een arbeidsdeskundige opgesteld belastbaarheidspatroon was in de gegeven omstandigheden niet redelijk. Ook al had zij willen beschikken over dit belastbaarheidspatroon voordat zij een standpunt zou willen innemen over eventuele aangeboden werkzaamheden elders: dit had haar niet hoeven te beletten met het re-integratiebedrijf een intakegesprek te voeren. Daar komt bij dat [geïntimeerde] ook al niet uit eigen beweging de opgestelde eerstejaarsevaluatie wilde ondertekenen en opsturen en dat Teico haar per aangetekende post moest sommeren dit te doen alvorens zij daar uitvoering aan gaf.

3.5.6

Concluderend is het hof van oordeel dat bij [geïntimeerde] sprake is van een patroon van weigerachtigheid of, in ieder geval, te grote terughoudendheid in het uitvoering geven aan redelijke re-integratievoorschriften. [geïntimeerde] is daarmee tekortgeschoten in haar op grond van artikel 7:658a en 660a BW rustende verplichtingen. Daarmee vervalt op grond van artikel 7:670a lid 1 BW het op grond van artikel 7:670 leden 1 en 11 BW gedurende de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid en de termijn van de vertraging bij de WIA-aanvraag geldende opzegverbod. Het ontbindingsverbod zoals bepaald in artikel 7:671b lid 2 BW is daarmee niet van toepassing. De gedragingen van [geïntimeerde] zijn zeker gezien het min of meer stelselmatig karakter ervan aan te merken als verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW op grond waarvan voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid van Teico niet kan worden gevergd. Teico heeft [geïntimeerde] herhaaldelijk schriftelijk gemaand tot nakoming van deze verplichtingen en Teico beschikt over het (tweede) deskundigenoordeel, zodat de situatie dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 7:671b lid 5 BW zich niet voordoet. De beschikking van de kantonrechter wordt daarom vernietigd.

3.6

Artikel 7:683 lid 5 BW houdt in dat indien het hof na een eerder afgewezen ontbindingsverzoek bepaalt dat de arbeidsovereenkomst eindigt, de artikelen 7:671b en c BW ten aanzien van een vergoeding van overeenkomstige toepassing zijn. Noch uit de wettekst, noch uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het hof in een dergelijk geval ook de fictieve opzegtermijn, zoals bepaald in artikel 7:671b lid 8 sub a BW, zou moeten toepassen. Het hof ziet in de omstandigheden van het geval ook geen reden dat te doen. Het hof bepaalt dat, met toepassing van artikel 7:683 lid 5 BW, de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 juli 2016.

3.7

Uit het oordeel dat [geïntimeerde] verwijtbaar heeft gehandeld volgt dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door Teico, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld. Het verzoek van [geïntimeerde] om toekenning van een billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.

3.8

Nu de arbeidsovereenkomst eindigt op verzoek van Teico dient deze wijze van beëindiging voor wat betreft de toepassing van artikel 7:673 BW, te weten de toekenning van een transitievergoeding, te worden beschouwd als een ontbinding op verzoek van de werkgever. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] weliswaar verwijtbaar heeft gehandeld, doch dat niet is gebleken van een ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [geïntimeerde] , zoals bedoeld in artikel 7:673 lid 7 sub c BW. Het hof bepaalt daarom dat aan [geïntimeerde] een transitievergoeding toekomt. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep onweersproken gesteld dat de hoogte van de transitievergoeding € 1.199,04 bruto bedraagt. Dit bedrag zal worden toegekend.

3.9

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties worden veroordeeld. [geïntimeerde] wordt veroordeeld de door Teico al betaalde proceskosten ter grootte van € 545,- aan Teico terug te betalen.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter van 20 oktober 2015

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 juli 2016;

bepaalt dat aan [geïntimeerde] hierbij een transitievergoeding toekomt van € 1.199,04;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot heden aan de zijde van Teico gevallen, op € 466,= aan verschotten en € 545,= aan salaris gemachtigde voor de eerste aanleg en op € 718,= aan verschotten en € 1.264,= aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 131,- voor nasalaris, en te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt ;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 545,- aan Teico van al uitbetaalde proceskosten;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G. Boot, C.M. Aarts en W.H.F.M. Cortenraad en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2016.