Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2166

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
200.179.415/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzoek tot vernietiging van een besluit van de VvE (tot weigering van toestemming voor een door appellanten beoogde aanbouw) en tot het geven van vervangende machtiging is terecht door kantonrechter afgewezen. Kostenveroordeling in verzoekschriftprocedures.

Wetsartikelen: artt. 2:8, 2:15, 5:121 en 5:130 BW, artt. 237 en 289 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1639
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.179.415/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 4156632 EA VERZ 15-546

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juni 2016

inzake

1 [appellant sub 1] en

2. [appellant sub 2] ,

beiden wonend te [woonplaats] ,

appellanten in principaal appel, geïntimeerden in incidenteel appel,

advocaat: mr. A.C. Kool te Amsterdam,

tegen

VERENIGING VAN EIGENAARS VAN HET GEBOUW “DE WENDING” AAN DE PIETER DE HOOCHSTRAAT TE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. A. Blokhuis-van Balen te Amsterdam.

1 Procesverloop

Partijen worden hierna [appellanten] en de VvE genoemd. [appellanten] worden afzonderlijk als [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aangeduid.

[appellanten] zijn bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 30 oktober 2015, in hoger beroep gekomen van een tussen partijen onder voormeld zaaknummer op 2 oktober 2015 gegeven beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter). Het beroepschrift strekt ertoe, kort gezegd, dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en het verzoek van [appellanten] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van de VvE in de kosten van beide instanties, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

Op 15 december 2015 is ter griffie van het hof een verweerschrift van de VvE, met producties, ingekomen. Daarbij verzoekt de VvE het hof, zakelijk, het beroep van [appellanten] af te wijzen en hen in de proceskosten van beide instanties (in zoverre bevat het verweerschrift een incidenteel appel), met wettelijke rente, te veroordelen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. De hierboven genoemde advocaten hebben de zaak nader toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnota’s en nog enkele stukken overgelegd. Door c.q. namens partijen zijn inlichtingen verschaft. Tevens heeft een van de verschenen belanghebbenden het woord gevoerd.

Ten slotte is de behandeling gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1.1 tot en met 1.8 een aantal feiten vastgesteld. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

In deze zaak gaat het om het volgende.

( a) [appellanten] zijn sinds 13 maart 2015 eigenaar van het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van de woning met serre en achtertuin aan de [adres 1] . Deze woning maakt deel uit van het appartementen-complex “De Wending”. Dit complex omvat twintig appartementen en verdere ruimten en is gelegen aan de [adres 2] .

( b) Het appartementencomplex is door de gemeente Amsterdam (verder: de gemeente) in erfpacht uitgegeven. De splitsing in appartementen heeft plaatsgevonden bij akte van 20 september 1995. Bij die akte is ook de VvE opgericht. In genoemde splitsingsakte is het Modelreglement 1992, in de stukken ook wel “Splitsings-reglement” genoemd (verder: het modelreglement), van toepassing verklaard met uitzondering van Annex 1.

( c) Artikel 9 lid 2 van het modelreglement houdt in dat het een eigenaar of gebruiker zonder toestemming van de vergadering van eigenaars (van de VvE) niet is toegestaan veranderingen aan te brengen in de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken, ook als deze zich in de privé gedeelten bevinden. Artikel 13 van het modelreglement luidt, voor zover van belang: “Iedere op-, aan- of onderbouw zonder toestemming van de vergadering is verboden”. Volgens artikel 17 lid 2 van het modelreglement kan bij huishoudelijk reglement het gebruik van privé gedeelten nader worden geregeld. Het vierde lid van dat artikel luidt: “Iedere eigenaar en gebruiker is verplicht het privé gedeelte te gebruiken overeenkomstig de daaraan in de akte gegeven bestemming. Een gebruik dat afwijkt van deze bestemming is slechts geoorloofd met toestemming van de vergadering (…)”. De artikelen 22 lid 1 en 44 lid 1 van het modelreglement luiden, voor zover van belang, als volgt: (22) “Iedere eigenaar en gebruiker die recht heeft op het gebruik van een privé gedeelte, voor zover bestemd tot tuin, is verplicht deze voor zijn rekening als tuin aan te leggen en te onderhouden (…)” respectievelijk (44) “Bepalingen in het huishoudelijk reglement die in strijd zijn met de wet of het reglement worden voor niet-geschreven gehouden”.

( d) Artikel 32 van het van 8 mei 2001 daterende huishoudelijk reglement van de VvE (verder: het huishoudelijk reglement) luidt, voor zover van belang: “Iedere op- aan- of onderbouw zonder voorafgaande kennisgeving aan het bestuur [van de VvE; hof], is verboden. Het aanbrengen van veranderingen in het gebouw waardoor het architectonisch uiterlijk of de constructie ervan gewijzigd zou worden, is zonder voorafgaande toestemming van de ledenvergadering niet toegestaan. (...)”.

( e) Bij e-mail van 9 april 2015 heeft [appellant sub 1] het bestuur van de VvE (verder: het bestuur) verzocht hem toestemming te verlenen voor een door hem voorgenomen uitbouw waarbij 30m2 meter van de circa 60m2 tuin aan de linkerzijde van zijn woning bebouwd zal worden, met als gevolg een vergroting van het oppervlak van zijn woning met 25m2. De voorgenomen bebouwing loopt vanaf de achterzijde van de woning door tot de erfafscheiding aan de achterkant van de tuin. In de e-mail heeft [appellant sub 1] laten weten dat de steunkolommen van de woning in tact kunnen blijven, dat hij voor het dak beoogt beplanting of dakpannen aan te brengen, zulks afhankelijk van de wensen van de buren, en dat hij eventuele opmerkingen van het bestuur zal proberen mee te nemen in de definitieve tekening.

( f) Bij brief van 20 april 2015 heeft het bestuur de leden van de VvE uitgenodigd voor een extra ledenvergadering op 28 april 2015, onder meer in verband met voormeld verzoek van [appellant sub 1] . In die brief maakt het bestuur melding van zijn bezwaren tegen het verzoek.

( g) [appellant sub 1] heeft vervolgens aan het bestuur en de leden van de VvE een (ongedateerde) brief gestuurd waarin hij ingaat op de door het bestuur naar voren gebrachte bezwaren.

( h) Tijdens de ledenvergadering van de VvE op 28 april 2015 is gesproken over de door [appellant sub 1] verzochte toestemming voor de uitbouw. Blijkens de notulen van de vergadering hebben verschillende leden hun mening naar voren gebracht en hebben ook [appellanten] het woord gevoerd. De aanwezige leden hebben op één lid na - dat zich van stemming onthield - tegen de door [appellanten] beoogde uitbouw gestemd. De notulen van de vergadering bevatten een “korte samenvatting” van de argumenten tegen de uitbouw, voor zover van belang luidende:

“Belangrijkste argumenten zijn:

• De uitbouw leidt tot een aantasting van het architectonisch uiterlijk van het gebouw;

(…)

• Bij het doorvoeren van de uitbouwplannen zou het woongenot van de bewoners aanzienlijk afnemen (… aantasting tuinen, …, aantasting architectonisch aanzicht van het gebouw en vermindering uitzicht op tuinzijde).

Overige argumenten zijn:

(…)

• De uitbouw leidt tot het creëren van een ongewenst precedent. Iedereen met een tuin kan hierdoor een dergelijke verbouwing gaan maken, waardoor het totale architectonisch uiterlijk en het karakter van het gebouw ernstig wordt aangetast;

• De uitbouw leidt voor alle bewoners tot een aanzienlijke wijziging van het aangezicht van de binnentuin en dit is ongewenst”.

( i) In eerste aanleg hebben [appellanten] de kantonrechter verzocht, kort gezegd, het besluit van de ledenvergadering van de VvE (verder: de vergadering) van 28 april 2015, waarbij de toestemming voor de voorgenomen verbouwing werd geweigerd, op grond van art. 5:130 BW te vernietigen en [appellanten] op de voet van art. 5:121 BW vervangende machtiging voor die verbouwing te verlenen, uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van de VvE, [appellanten] daarvan uitgesloten, in de kosten van het geding.

( j) Na verweer van de VvE heeft de kantonrechter bij de bestreden beschikking het verzoek afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Tegen de afwijzing van hun verzoek komen [appellanten] in het principaal appel op, terwijl de VvE in incidenteel appel bezwaar maakt tegen de door de kantonrechter uitgesproken kostencompensatie. Waar in het navolgende zonder nadere aanduiding van “grief” of “grieven” zal worden gesproken, wordt gedoeld op het principaal appel.

3.2.1.

Met de grieven 3 en 4 betogen [appellanten] , zakelijk, dat zij voor de door hen voorgenomen uitbouw geen toestemming van de vergadering nodig hebben. Zij stellen dat - anders dan artikel 13 van het modelreglement dat ter zake toestemming van de vergadering vereist - artikel 32 van het huishoudelijk reglement (slechts) inhoudt dat een op-, aan- of onderbouw verboden is, indien daarvan niet tevoren kennis is gegeven aan het bestuur. Volgens [appellanten] zou artikel 13 van het modelreglement woordelijk in het huishoudelijk reglement zijn opgenomen, indien het de bedoeling was geweest dat voor een aanbouw als de onderhavige toestemming van de vergadering nodig was. Weliswaar is tevens in artikel 32 van het huishoudelijk reglement opgenomen dat het aanbrengen van veranderingen in het gebouw waardoor het architectonisch uiterlijk of de constructie ervan gewijzigd zou worden, niet is toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de vergadering, maar daarmee wordt slechts gedoeld op een verandering in het privégedeelte (waardoor het architectonisch uiterlijk of de constructie van het gebouw wijzigt). De door hen beoogde aanbouw betreft geen verandering in het gebouw, aldus nog steeds [appellanten]

3.2.2.

Met hun zojuist weergegeven betoog miskennen [appellanten] dat, zoals de VvE ook heeft aangevoerd, ingevolge artikel 44 van het modelreglement het modelreglement prevaleert indien het huishoudelijk reglement daarmee strijdig is. Dit betekent dat [appellanten] ingevolge artikel 13 van het modelreglement de toestemming van de vergadering nodig hebben voor de door hen voorgenomen uitbouw, die immers als een aanbouw in de zin van deze bepaling moet worden aangemerkt. Bovendien staat tussen partijen niet ter discussie dat met de door [appellanten] beoogde uitbouw de buitengevel van het appartementencomplex wordt veranderd. Ook op grond van artikel 9 lid 2 van het modelreglement behoeven [appellanten] daarvoor de toestemming van de vergadering. De conclusie is dat deze grieven falen. Al wat partijen op dit punt verder naar voren hebben gebracht kan onbesproken blijven.

3.3.1.

De grieven 1 en 2 houden, kort gezegd, in dat de kantonrechter ten onrechte het besluit van de vergadering van 28 april 2015 niet heeft vernietigd wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:15 lid 1 aanhef en sub b BW ten aanzien van de totstandkoming ervan.

3.3.2.

De kantonrechter heeft deze beslissing in overweging 9 van de bestreden beschikking als volgt gemotiveerd:

“(…) Weliswaar heeft het bestuur van de VVE bij de oproep [voor de ledenvergadering van 28 april 2015; hof] haar mening gegeven over de door [appellant sub 1] gevraagde toestemming, maar [appellant sub 1] heeft hier voorafgaand aan de vergadering nog op kunnen reageren in een schriftelijke reactie aan alle leden. Verder blijkt uit de notulen dat zowel [appellant sub 1] als [appellant sub 2] ter vergadering ieder het woord hebben kunnen voeren en hun standpunt hebben kunnen toelichten. Zij hebben noch bij verzoekschrift noch anderszins voorafgaand aan de zitting over de gang van zaken ter vergadering geklaagd. Gelet op het voorgaande kan daarom niet worden gezegd dat de totstandkoming van het besluit van de VVE van 28 april 2015 in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.”

3.3.3.

Hoewel aan [appellanten] , zoals zij met grief 1 hebben betoogd, kan worden toegegeven dat zij in een e-mail aan het bestuur van 30 april 2015 hebben geklaagd over de gang van zaken tijdens de ledenvergadering van 28 april 2015 en het hof daarom de voorlaatste volzin van de zojuist geciteerde overweging niet onderschrijft, deelt het hof op grond van de overige in die overweging genoemde omstandigheden de conclusie van de kantonrechter dat de totstandkoming van het besluit niet in strijd is met de (in art. 2:8 BW bedoelde) redelijkheid en billijkheid. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [appellanten] de juistheid van de notulen op zichzelf niet hebben betwist en dat, anders dan [appellanten] blijkens hun toelichting op grief 2 menen, de in art. 2:8 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid niet met zich brengen “dat de voorzitter ter vergadering eerst appellanten had moeten vragen om hun plannen zelf aan de leden mee te delen waarbij appellanten hadden kunnen aangeven dat zij volledig open stonden voor overleg en aanpassing van het ontwerp”. Tot deze door [appellanten] bepleite handelwijze bestond te minder de noodzaak, nu het bestuur de plannen van [appellanten] bij brief van 20 april 2015 al aan de leden had doen toekomen en [appellanten] nog bij een brief aan de leden op die brief van het bestuur hadden gereageerd. Ook deze grieven treffen dus geen doel.

3.4.1.

De grieven 5 en 6 zijn gericht tegen het in overweging 13 van de bestreden beschikking neergelegde oordeel van de kantonrechter dat ook de inhoud van het besluit van de ledenvergadering van 28 april 2015 niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

3.4.2.

Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof voorop dat [appellanten] geen grief hebben gericht tegen overweging 11 van de bestreden beschikking, waarin de kantonrechter heeft geoordeeld dat de toetsingsmaatstaf met betrekking tot de inhoud van het besluit is of de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en (naar) billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

3.4.3.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen niet in redelijkheid en (naar) billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en evenmin dat zij zonder redelijke grond als bedoeld in art. 5:121 lid 1 BW haar toestemming aan de door [appellanten] gewenste uitbouw heeft geweigerd. De argumenten van de VvE, zoals onder 3.1 (h) weergegeven, acht het hof - zo niet ieder afzonderlijk dan toch zeker in onderling verband beschouwd - valide althans niet onredelijk. Het gaat hier immers om een voorgenomen uitbouw ter grootte van ongeveer de helft van de tot het appartement van [appellanten] behorende tuin van 60m2, welke tuin alsdan (in strijd met het bepaalde in artikel 22 van het modelreglement) in zoverre niet als zodanig wordt aangelegd en onderhouden. Bovendien zou door de door [appellanten] voorgenomen uitbouw zowel het architectonisch uiterlijk van de achterzijde van het appartementencomplex als het uitzicht vanuit (althans een aantal van) de andere appartementen op de binnentuinen in een niet te verwaarlozen mate wijzigen. Het staat de VvE in redelijkheid vrij een en ander niet te wensen, ook al heeft de gemeente tegen door [appellanten] voorgenomen uitbouw geen (publiekrechtelijke) bezwaren en staat er buiten (de tuinen van) het appartementencomplex een stenen bijgebouw van een pand aan de Hobbemakade. De hier tegenover staande van belangen van [appellanten] , te weten een vergroting van het vloeroppervlak van hun woning en van hun woongenot, alsmede een waardevermeerdering van hun appartement, wegen naar het oordeel van het hof niet zo zwaar dat geoordeeld zou moeten worden dat de VvE haar toestemming zonder redelijke grond als bedoeld in art. 5:121 BW heeft geweigerd. Hierbij dient nog te worden bedacht dat [appellanten] bij de aanschaf van hun appartement wisten althans konden weten dat dit in geval van eventuele gezinsuitbreiding (in hun visie) te klein zou zijn en dat een eventuele uitbouw van hun woning aan de achtergevel van het complex (ten koste van de tuin), gelet op de artikelen 9, 13 en 22 van het openbaar toegankelijke modelreglement, de toestemming van de vergadering van de VvE zou behoeven. De door [appellanten] gestelde belangen boeten aan relevantie en zwaarte danig in als gevolg van het feit dat [appellanten] onder de zojuist geschetste omstandigheden, zonder enig vooroverleg met de VvE ter zake van een mogelijke uitbouw als door hen gewenst, hun appartement hebben gekocht: zij hadden in redelijkheid kunnen bevroeden, althans dienden er serieus rekening mee te houden, dat die uitbouw bij de VvE op bezwaren zou stuiten. Wanneer vooroverleg vanwege tijdsdruk bij de aankoop van hun appartement niet mogelijk was, blijft onverkort overeind dat [appellanten] rekening hadden moeten houden met mogelijke bezwaren. Ook deze grieven hebben daarom geen succes.

3.5.

De grieven 7 en 8 missen zelfstandige betekenis en kunnen onbesproken blijven.

3.6.

De slotsom is dat de kantonrechter het verzoek van [appellanten] terecht heeft afgewezen. [appellanten] hebben geen concrete stellingen te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden. Hun bewijsaanbod wordt daarom van de hand gewezen.

3.7.

Anders dan het in dagvaardingszaken geldende artikel 237 Rv bepaalt het in verzoekschriftenprocedures toepasselijke artikel 289 Rv, kort gezegd, dat een kostenveroordeling kan worden opgelegd. Er bestaat (dan ook) geen verplichting voor de rechter om in een verzoekschriftprocedure een kostenveroordeling uit te spreken; hij heeft daartoe de bevoegdheid. De kantonrechter heeft kennelijk geen aanleiding gezien in deze zaak van deze bevoegdheid gebruik te maken en dat stond haar vrij, wat er zij van de uitgesproken (kennelijk op art. 237 Rv gebaseerde) kostencompensatie en de motivering daarvan. Anders dan de VvE met haar incidenteel appel beoogt, zal het hof op grond van het voorgaande de desbetreffende beslissing in stand laten. Bij deze stand van zaken zal de bestreden beschikking geheel worden bekrachtigd. Het hof ziet evenmin aanleiding in hoger beroep een kostenveroordeling uit te spreken.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, R.J.M. Smit en L.R. van Harinxma thoe Slooten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2016.