Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2164

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
200.176.615/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:4471, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Grondafhandelingsovereenkomst. Het Verdrag van Warschau is, gelet op het bepaalde in artikel 1 lid 1 van dat verdrag, op de grondafhandelingsovereenkomst niet rechtstreeks van toepassing. Krachtens die bepaling is dat verdrag (ook voor zover vervangen door het Verdrag van Montreal) immers slechts van toepassing op “all international carriage of persons, luggage or goods performed by aircraft for reward.” Die toepasselijkheidsbeperking wordt niet anders doordat, ter blokkering van de zogenoemde paardensprong, ook hulppersonen van vervoerders ter afwering van buitencontractuele aanspraken de bescherming van de aansprakelijkheidslimieten van het Verdrag van Warschau kunnen inroepen. Het systeem van het Verdrag van Warschau dwingt er evenmin toe dat het verdrag in de onderlinge verhouding tussen vervoerder en afhandelaar van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.176.615/01

zaak/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 3151655\ CV EXPL 14-6495

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juni 2016

inzake

AVIAPARTNER CARGO B.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer,

appellante,

advocaat: mr. B.S. Friedberg te Amsterdam,

tegen:

de rechtsperson naar Russisch recht

AIR BRIDGE CARGO AIRLINES LLC,

gevestigd te Moskou, Rusland,

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Aviapartner en Air Bridge genoemd.

Aviapartner is bij dagvaarding van 31 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, sectie kanton, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter) van 3 juni 2015, onder bovenvermeld zaak/rolnummer gewezen tussen Air Bridge als eiseres en Aviapartner als gedaagde.

Op de rol van 22 september 2015 is tegen Air Bridge verstek verleend.

Aviapartner heeft vervolgens een memorie van grieven ingediend.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Aviapartner heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van Air Bridge zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten. Aviapartner heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2. Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje “de feiten” onder a tot en met f de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met grief I richt Aviapartner zich tegen deze feitenvaststelling. Het hof zal daarmee rekening houden. Voor het overige zijn deze feiten in hoger beroep niet in geschil en dienen zij derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn gebleken uit de niet (voldoende) weersproken stellingen van partijen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.1.

Air Bridge is een Russische luchtvrachtvervoerder. Aviapartner is een op Schiphol gevestigde vrachtafhandelingsagent.

2.1.2.

Aviapartner heeft in oktober 2008 met Aviapartner België (die daarbij ook de aan haar gelieerde bedrijven bond, waaronder Aviapartner) een “Ground Handling Agreement – Simplified Procedure” (hierna: de grondafhandelingsovereenkomst) gesloten met betrekking tot de verwerking van luchtvracht van Air Bridge op luchthaven Schiphol door Aviapartner.

2.1.3.

In de grondafhandelingsovereenkomst staat onder meer vermeld:

PREAMBLE

This Annex B is prepared in accordance with the simplified procedure whereby the Parties agree that the terms of the Main Agreement and Annex A of the SGHA AHM810 of January 2004 as published by the International Air Transport Association shall apply as if such terms were repeated here in full.(…)

PARAGRAPH 5. AREA OF RESPONSIBILITY

5.1 (…)

Without prejudice to the above, the Handling Company shall be liable to the Carrier for any delay in Cargo mail dispatching in case any of the Handling Company’s employees have been found responsible for (…).

2.1.4.

De Main Agreement bepaalt onder meer:

Article 8

Liability and indemnity

8.1 (…)

the Carrier shall not make any claim against the Handling Company and shall indemnify it (subject as hereinafter provided) against any legal liability for claims or suits, including costs and expenses incidental thereto, in respect of

(…)

(c) damage to or delay or loss of baggage, cargo or mail carried or to be carried by the Carrier

(…)

arising from an act or omission of the Handling Company in the performance of this Agreement unless done with intent to cause damage, death, delay, injury or loss or recklessly and with the knowledge that damage, death, delay, injury or loss would probably result.

(…)

Article 11

Duration, Modification and Termination

(…)

11.2

Modifications of, or additions to this Agreement shall be recorded in Annex(es) B.

2.1.5.

Vanaf juni 2011 tot en met november 2011 heeft Air Bridge in totaal $ 17.539,26 aan Aviapartner in rekening gebracht als schadevergoeding, nadat in acht gevallen als gevolg van fouten van Aviapartner luchtvracht op een verkeerde bestemming terecht was gekomen.

2.1.6.

Aviapartner heeft onder verwijzing naar de door IATA opgestelde Standard Ground Handling Agreement (SGHA) elke aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Beoordeling

3.1

In dit geding heeft Air Bridge, samengevat, vergoeding gevorderd van de kosten, die zij heeft moeten maken om de fouten te herstellen die Aviapartner heeft begaan in de uitvoering van de grondafhandelingsovereenkomst, zodanig dat de te vervoeren goederen alsnog op hun juiste bestemming terecht kwamen, waaronder onder meer opslagkosten, terminalkosten en transportkosten, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter heeft de vorderingen van Air Bridge grotendeels toegewezen, onder verwerping van het verweer van Aviapartner dat zij op grond van het dwingendrechtelijke regime van het Verdrag van Warschau van 1929 (hierna: VvW) in samenhang met het Haags Protocol en het Verdrag van Montreal van 1999 (hierna: VvM) niet, dan wel beperkt (namelijk tot het bedrag van de waardevermindering van de vracht) voor deze kosten aansprakelijk is. De kantonrechter overwoog in dat verband dat de grondafhandelingsovereenkomst niet als een (onderdeel van een) vervoersovereenkomst in de zin van artikel 1 VvW kan worden aangemerkt, zodat de aansprakelijkheid van Aviapartner moet worden beoordeeld aan de hand van de tussen hen gesloten overeenkomsten, in het bijzonder artikel 5.1 van de grondafhandelingsovereenkomst, en het toepasselijke Nederlands recht. Die beoordeling leidde tot toewijzing van de vordering tot betaling van kosten. Omdat Air Bridge geen nakoming van een handelsovereenkomst maar schadevergoeding wegens toerekenbaar tekortschieten had gevorderd, werd haar vordering tot betaling van de wettelijke handelsrente afgewezen en is Aviapartner tot betaling van wettelijke rente veroordeeld. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen is Aviapartner onder aanvoering van zes grieven in hoger beroep opgekomen.

3.2

De grieven II tot en met V betreffen in wezen de afwijzing door de kantonrechter van het verweer van Aviapartner dat het dwingendrechtelijke gesloten systeem van het VvW zich ertegen verzet, dat zij voor de onderhavige kosten aansprakelijk is. Aviapartner wijst er in dat verband op dat de grondafhandelaar geen vervoerder is, maar hulppersoon van de vervoerder die krachtens artikel 24 lid 1 VvW op dezelfde wijze tegen aansprakelijkheid is beschermd als de luchtvervoerder. Hetzelfde volgt uit artikel 14 van de Conditions of Carriage van Air Bridge en de achterzijde van de (standaard IATA) vrachtbrief; deze bevatten zogenoemde Himalaya-clausules, op grond waarvan aansprakelijkheidsbeperkingen van de vervoerder ook door (dan wel ten behoeve van) diens hulppersonen kunnen worden ingeroepen. Binnen deze systematiek waarin de vervoerder aansprakelijkheid kan afwijzen (dan wel slechts beperkt aansprakelijk is) past niet, aldus Aviapartner, dat de vervoerder de hulppersoon wel aansprakelijk stelt.

3.3

Nu Aviapartner erkent dat zij niet als vervoerder kan worden aangemerkt en gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst met Air Bridge een overeenkomst van internationaal luchtvervoer is (partijen gaan er integendeel beide vanuit dat het voorwerp van de overeenkomst louter grondafhandeling betreft) is het hof van oordeel dat het VvW, gelet op het bepaalde in artikel 1 lid 1 van dat verdrag, op die overeenkomst niet rechtstreeks van toepassing is. Krachtens die bepaling is het VvW (ook voor zover vervangen door het VvM) immers slechts van toepassing op “all international carriage of persons, luggage or goods performed by aircraft for reward.” Die toepasselijkheidsbeperking wordt niet anders doordat, ter blokkering van de zogenoemde paardensprong, ook hulppersonen van vervoerders ter afwering van buitencontractuele aanspraken de bescherming van de aansprakelijkheidslimieten van het VvW kunnen inroepen.

3.4

Met haar grieven stelt Aviapartner de vraag aan de orde of het systeem van het VvW er desondanks toe noopt dat ook in de onderlinge verhouding tussen vervoerder en afhandelaar het VvW van toepassing is. Die vraag beantwoordt het hof ontkennend. De vordering van Air Bridge in deze zaak betreft vergoeding van kosten (zoals vervoerskosten, opslagkosten en terminalkosten) die zij heeft moeten maken omdat Aviapartner fouten had gemaakt in de uitvoering van de grondafhandelings-overeenkomst. Het gaat dus om eigen kosten van Air Bridge, niet om kosten of schade van de opdrachtgevers die Air Bridge (al dan niet na daarvoor aansprakelijk te zijn gesteld) op Aviapartner poogt te verhalen. Die eigen, door Aviapartner veroorzaakte, kosten van Air Bridge vallen buiten het onderwerp waartoe het VvW krachtens eerdergenoemd artikel 1 lid 1 in materiële zin is begrensd en de door Aviapartner in eerste aanleg aangehaalde exclusiviteitsleer in het VvW heeft op de vordering van Air Bridge dan ook geen betrekking. Er bestaat reeds daarom geen aanleiding het VvW toch op de vordering van toepassing te achten.

3.5

Ook aan (artikel 8.1 van) de Main Agreement valt naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunt te ontlenen dat het betoog van Aviapartner ondersteunt. Die bepaling sluit (anders dan Aviapartner betoogt) qua bewoordingen en strekking niet aan bij de aansprakelijkheidsbepalingen en -limieten van het VvW en de in dat verdrag neergelegde bewijslastverdeling, zodat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de opstellers van de Main Agreement hebben bedoeld de systematiek van het VvW in alle omstandigheden onverkort op de verhouding tussen vervoerder en grondafhandelaar van toepassing te verklaren. De verwijzing naar de Conditions of Carriage van Air Bridge en de voorwaarden op de vrachtbrief kunnen Aviapartner evenmin baten, nu ook die bepalingen van toepassing zijn op de vervoersovereenkomst, niet op de grondafhandelingsovereenkomst, en geen verdergaande strekking hebben dan dat ook de hulppersonen van de vervoerder zich in geval van buitencontractuele aanspraken (namelijk: van de wederpartij van de vervoerder) op de aansprakelijkheidsbeperkingen kunnen beroepen die de vervoerder ten dienste staan.

3.6

Bovenstaande overwegingen brengen tevens mee dat er geen grond is om, bij de beoordeling van de contractuele grondslag van de vorderingen van Air Bridge, de door Aviapartner voorgestane uitleg van artikel 8.1 Main Agreement te volgen, nu Aviapartner er bij die uitleg ten onrechte van uitgaat dat in dat artikel hetzelfde uitgangspunt als in het VvW wordt gehanteerd.

3.7

Volgens Aviapartner heeft de kantonrechter miskend dat de schade die Air Bridge vordert gevolgschade is en dat gevolgschade in iedere tak van vervoer verdragsrechtelijk, wettelijk dan wel contractueel is uitgesloten. Aviapartner gaat er daarbij echter aan voorbij dat de overeenkomst nu juist geen vervoersovereenkomst is, maar alleen grondafhandeling betreft. Aviapartner heeft er nog op gewezen dat vergoeding van gevolgschade ook krachtens artikel 8.5 van de Main Agreement is uitgesloten. Daarover overweegt het hof dat artikel 8.5 weliswaar ervan uit lijkt te gaan dat artikel 8.1 de vergoeding van gevolgschade uitsluit, maar dat volgens Aviapartner (memorie van grieven onder 39 sub b) partijen een van artikel 8.1 afwijkende regeling hebben getroffen door in de grondafhandelingsovereenkomst de in artikel 5.1 opgenomen aansprakelijkheidsclausule op te nemen (zo ook de inleidende dagvaarding van Air Bridge onder 11-13). Het hof is daarom van oordeel dat artikel 8.1 Main Agreement voor de beoordeling van de vordering van Air Bridge geen rol speelt.

3.8

Wat betreft artikel 5.1 van de grondafhandelingsovereenkomst heeft Aviapartner nog gesteld dat deze bepaling niet beoogt de grondafhandelaar aansprakelijk te doen zijn voor schade waarvoor de aansprakelijkheid van de luchtvervoerder is beperkt, dan wel is uitgesloten uit hoofde van het VvW/VvM of de toepasselijke vervoersvoorwaarden. Waarop zij die uitleg baseert heeft Aviapartner niet toegelicht, laat staan dat zij een onderbouwd beroep op uitleg volgens de Haviltex-maatstaf heeft gedaan. Dat had wel op haar weg gelegen. De tekst van de grondafhandelings-overeenkomst bevat namelijk geen aanknopingspunt voor de juistheid van haar standpunt. Voor zover de uitleg van Aviapartner is ingegeven door haar hiervoor weergegeven opvattingen over de toepasselijkheid van het VvW, geldt dat die door het hof niet zijn gevolgd. Nu uit de tekst van artikel 5.1 van de grondafhandelingsovereen-komst niet valt af te leiden dat partijen aansprakelijkheid voor gevolgschade hebben uitgesloten en bij gebreke van aanwijzingen die tot een andere uitleg nopen, heeft de kantonrechter terecht geoordeeld (ervan uitgaande dat de door Air Bridge gevorderde kosten als gevolgschade moeten worden aangemerkt) dat ook die bepaling als grondslag voor toewijzing van het gevorderde kan dienen.

3.9

Op de hierboven weergegeven oordelen stuiten de grieven II tot en met V af. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. De kantonrechter heeft Aviapartner terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat ook grief VI faalt.

3.10

Aviapartner zal als in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel, aan de zijde van Air Bridge te begroten op nihil.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Aviapartner in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Air Bridge begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, J.E. Molenaar en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2016.