Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2155

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
21-09-2016
Zaaknummer
200.169.373/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekering van strandhuisje. Nadere invulling van art. 7:925 BW in de algemene voorwaarden. Condensvorming is een normaal te verzekeren gebeurtenis, maar aantasting van houten vloerdelen daardoor is dat niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 6, p. 335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I AOF

zaaknummer : 200.169.373/01

zaak- rolnummer rechtbank Amsterdam : 3412392/CV EXPL 14-26346

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juni 2016

inzake

1 REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

2. AMLIN EUROPE N.V.,
gevestigd te Amstelveen,

3. HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellanten,

advocaat: mr. W.M. van Rossenberg te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem.

Partijen worden hierna Reaal, Amlin en HDI, gezamenlijk ook Verzekeraars, en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Verzekeraars zijn bij dagvaarding van 13 april 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 6 februari 2015, onder bovenvermeld zaak- rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en Verzekeraars als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven,

- memorie van antwoord

Partijen hebben de zaak ter zitting van 15 februari 2016 doen bepleiten, Verzekeraars door mr. van Rossenberg voornoemd, en [geïntimeerde] door mr. Meijer voornoemd, mr. van Rossenberg aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd.

Verzekeraars hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - hoofdelijke veroordeling van Verzekeraars in de kosten van het geding in hoger beroep.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en worden derhalve ook door het hof als vaststaand aangenomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

[geïntimeerde] is eigenaar van een 10 foot container die is ingericht als strandhuisje. (hierna: het strandhuisje) Voor het strandhuisje heeft [geïntimeerde] , door tussenkomst van Marsh Nederland N.V. (hierna: Marsh) als makelaar, een verzekering afgesloten.

2.2.

De polis houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Verzekeraars verbinden zich jegens de verzekeringnemer de verzekerde(n) dekking te verlenen conform onderstaande gegevens.

soort verzekering Strandhuisjes en Collectieve parken

verzekeringnemer Dhr. [geïntimeerde]

verzekerde Dhr. [geïntimeerde] en/of Mw. [A]

(…)

verzekerde zaken 2 strandhuisjes te Bakkum Noord

(…)

gedekte gevaren All risks

voorwaarden Algemene Voorwaarden Verzekering Strandaccomodaties 2011

(…)

eigen risico EUR 250 per gebeurtenis tijdens verblijf op het strand

Verzekeraars hebben het risico verdeeld aldus dat Reaal een aandeel heeft van 33,3400% en Amlin en HDI ieder 33,3300%. Reaal is aangewezen als “leader”.

2.3.

De Algemene Voorwaarden Verzekering Strandaccommodaties 2011 (hierna: de algemene voorwaarden) houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

“(…) Artikel 2 Onzekerheidsbepaling

Deze overeenkomst beantwoordt, tenzij partijen uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen, aan het vereiste van onzekerheid als bedoeld in artikel 7:925 BW, indien en voorzover de schade op vergoeding waarvan aanspraak wordt gemaakt, het gevolg is van een gebeurtenis waarvan voor partijen ten tijde van het sluiten van de verzekering onzeker was dat daaruit voor verzekerde schade was ontstaan dan wel naar de normale loop van omstandigheden nog zou ontstaan. (…)

Artikel 6 Omvang van de dekking

A. Zaakschade

Verzekerd wordt tegen schade aan of verlies van de op het polisblad genoemde verzekerde zaken die is veroorzaakt door een gevaar/gebeurtenis waartegen is verzekerd, ongeacht of deze gevaren/gebeurtenissen zijn veroorzaakt door de aard of een gebrek van de verzekerde zaken.

Schade aan of verlies van de verzekerde zaken ongeacht door welke oorzaak -behoudens de in artikel 9 genoemde uitsluitingen- is gedekt als die oorzaak het directe gevolg is van een verzekerd gevaar/gebeurtenis, onverschillig waar dit heeft plaats gevonden. (…)

Artikel 7 Dekkingsvormen en verzekerde gevaren/gebeurtenissen

Verzekerd is de dekkingsvorm als op het polisblad vermeld

Uitgebreid artikel 7.1

All Risks artikel 7.2

7.1.

Uitgebreid

(…)

7.1.8

Water, stoom, neerslag, blusmiddel

(…)

7.1.8.5 Schade door vochtdoorlating van muren, constructiefouten of slecht onderhoud van het gebouw is uitgesloten.

(…)

7.2

All Risks

7.2.1

De gevaren als omschreven in de artikelen 7.1
(…)
7.2.4 Andere van buiten komende onheilen

Alle (andere) van buiten komende onheilen (…)

Artikel 9 Uitsluitingen

(…)

9.5

Instorting/verzakking

Van de verzekering is uitgesloten zaak- respectievelijk bedrijfsschade veroorzaakt door of als gevolg van instorting of verzakking van de accommodatie, tenzij veroorzaakt door een gedekt gevaar. Echter schade door vochtdoorlating van muren, constructiefouten of slecht onderhoud van de accommodaties is uitgesloten.”

2.4.

[geïntimeerde] heeft door middel van een schade-aangifteformulier op 15 juli 2013 via Marsh aan Verzekeraars een schade aan het strandhuisje gemeld. Als schadeoorzaak is op het schade-aangifteformulier “condensvorming” vermeld.

2.5.

Expertisebureau Groenendijk B.V. heeft op 30 september 2013 in opdracht van Marsh een rapport van expertise opgemaakt. Het expertiserapport houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“(…) Bevindingen

Expertise tezamen met verzekerde vindt plaats op de opslaglocatie van de container (…). Hierbij komt vast te staan, dat de houten vloerdelen aan de linker voorzijde alsmede aan de rechter achterzijde rot zijn en derhalve zijn ingezakt. Op de wanden en de plafonds is druk komen te staan, waardoor deze zijn gaan bollen. Hierdoor zijn de bevestigingsschroeven losgeraakt.

Oorzaak

Tijdens inspectie van het dak en de buitenzijde van de container worden geen beschadigingen aangetroffen, die tot de geconstateerde schade hebben kunnen leiden.

Aan de binnenzijde werden geen sporen van lekkage gevonden. Vastgesteld wordt, dat de schade is ontstaan door condensvorming.

(…)

Schade

Het herstel van de ontstane schade zal bestaan uit het demonteren en vervolgens vervangen van de vloer, de wanden en het plafond van het huisje. De kosten hiervoor zullen Euro 5.990,77 incl. B.T.W. bedragen. (…)”

3 Beoordeling

3.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd Verzekeraars, ieder voor hun aandeel, en uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot vergoeding van de aan het strandhuisje ontstane schade, onder aftrek van het eigen risico en te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten en met veroordeling van Verzekeraars in de kosten van het geding.

3.2.

De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] grotendeels toegewezen en Reaal veroordeeld tot betaling van € 2.022,13 en Amlin en HDI ieder tot betaling van € 2.021,60 telkens te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 7 maart 2014, met veroordeling van Verzekeraars in de kosten van het geding. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen Verzekeraars met drie grieven op.

Voor zover bij gelegenheid van het pleidooi ( pleitnota, p.6) is aangevoerd dat zelfstandige betekenis toekomt aan de omstandigheid dat het hier een makelaarspolis betreft en in zoverre sprake is van een nieuwe grief is die, mede in aanmerking genomen het daartegen gemaakte bezwaar, tardief.

3.3.

Met grief I komen Verzekeraars op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontstaan van de schade aan het strandhuisje heeft te gelden als een onzeker voorval in de zin van artikel 7:925 BW. Verzekeraars voeren daartoe onder verwijzing naar het arrest van het hof Den Haag van 1 september 1992, S&S 1993, nr. 7 en het arrest van Hoge Raad van 26 november 1993, S&S 1994, nr. 49 aan dat condensvorming een natuurlijk verschijnsel is dat zich bij het gebruik van een container als strandhuisje steeds zal voordoen en dat het als gevolg daarvan optreden van schade aan de in de container aangebrachte houten vloerdelen en betimmering een normaliter te verwachten gebeurtenis is en dus geen onzeker voorval.

3.4.

Voor het bestaan van een verzekering is op grond van artikel 7:925 BW vereist dat bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst voor partijen geen zekerheid bestaat wanneer of tot welk bedrag een uitkering moet worden gedaan. Partijen hebben dit onzekerheidsvereiste nader ingevuld door in artikel 2 van de algemene voorwaarden overeen te komen dat sprake is van het vereiste onzeker voorval “indien en voor zover de schade op vergoeding waarvan aanspraak wordt gemaakt, het gevolg is van een gebeurtenis waarvan voor partijen ten tijde van het sluiten van de verzekering onzeker was dat daaruit voor verzekerde schade was ontstaan dan wel naar de normale loop van omstandigheden nog zou ontstaan”.

3.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de expert vastgestelde schade aan de vloerdelen en de betimmering van het strandhuisje is ontstaan als gevolg van de omstandigheid dat vochtige lucht in het strandhuisje is gecondenseerd tegen de koelere buitenwanden van de container, waarna het aldus ontstane vocht onder de op de bodem van de container aangebrachte houten vloerdelen is terechtgekomen en deze vloerdelen zijn gaan rotten. Met Verzekeraars kan worden aanvaard dat bij het gebruik van een container als strandhuisje waarin, zoals hier onbetwist het geval was, soms door meerdere mensen de nacht wordt doorgebracht, het ontstaan van condensvorming tegen de buitenwanden van de container een naar de normale loop van de omstandigheden te verwachten gebeurtenis is. Dat geldt echter niet voor de vraag of het door condensvorming ontstane vocht uiteindelijk ook daadwerkelijk leidt tot aantasting van de houten vloerdelen. Dat is immers mede afhankelijk van een groot aantal min of meer onzekere factoren, waaronder naar ervaringsregels te denken valt aan de weersomstandigheden tijdens en de intensiteit van het gebruik van het strandhuisje, de mate waarin onder invloed daarvan door condensvorming vocht zal/is ontstaan, de voor de vloerdelen gebruikte materialen en de toegepaste constructie, de mate van ventilatie en ook de wijze waarop de houten vloerdelen tegen vochtinwerking zijn beschermd. Nu over het bestaan, de bekendheid en de voorzienbaarheid van elk van deze factoren in dit geval niets is gesteld, is het hof met de kantonrechter van oordeel dat voor [geïntimeerde] ten tijde van het sluiten van de verzekering onzeker was dat bij gebruik van het strandhuisje naar de normale loop van omstandigheden als gevolg van condensvorming schade aan de houten vloerdelen en betimmering van het strandhuisje zou ontstaan. Grief I faalt derhalve.

3.7.

Met grief II komen Verzekeraars allereerst op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de condensvorming in het strandhuisje een van buiten komend onheil is als bedoeld in artikel 7.2.4 van de algemene voorwaarden. Partijen zijn het er over eens dat de schade is ontstaan als gevolg van condensvorming die ontstaat als vochtige lucht in aanraking komt met een koeler oppervlak, hier de buitenwand van de container. Daarmee is de schade veroorzaakt door de inwerking van vocht dat ontstaat als gevolg van een zich onafhankelijk van het verzekerde strandhuisje voordoend natuurverschijnsel. Dat is een van buiten komend onheil.

3.8.

Verzekeraars hebben nog aangevoerd dat niet iedere van buiten komende oorzaak als een van buiten komend onheil in de zin van de polis heeft te gelden, omdat tevens sprake dient te zijn van een ‘evenement’. De algemene dekkingsomschrijving (in art.6) bevat het woord evenement niet; daar is sprake van schade tengevolge van een gevaar/gebeurtenis waartegen is verzekerd. Dat in dit geval sprake is van een gevaar of gebeurtenis acht het hof, gelet op de ruime reikwijdte van die begrippen en bij gebreke van enig daarop gericht partijdebat, duidelijk. Het hier toepasselijke art. 7.1.8 vermeldt het woord evenement evenmin. Naar het hof begrijpt hebben verzekeraars bedoeld te betogen dat sprake moet zijn van een plotseling optredend van buiten komend onheil en niet van een geleidelijke inwerking. Een zodanige beperking van de dekking is echter in artikel 7.2.4 van de algemene voorwaarden (of elders) niet te lezen, nu daarin de hier van toepassing zijnde all risks dekking eenvoudigweg wordt uitgebreid tot schade als gevolg van “Alle (andere) van buiten komende onheilen”.

3.9.

Verzekeraars voeren tot slot nog aan dat de schade aan het strandhuisje van dekking is uitgesloten omdat sprake zou zijn van slecht onderhoud als bedoeld in de artikelen 7.1.8.5 en 9.5 van de algemene voorwaarden, aangezien de houten vloerdelen kennelijk niet voldoende tegen vochtinwerking waren beschermd. [geïntimeerde] heeft echter op zijn beurt gemotiveerd betwist dat sprake was van slecht onderhoud en ook de door Marsh ingeschakelde expert heeft dienaangaande niets geconstateerd. Onder die omstandigheden kan niet als vaststaand worden aangenomen dat sprake is geweest van slecht onderhoud, zodat - nu verzekeraars geen concreet en voldoende bepaald bewijsaanbod hebben gedaan - ook dit verweer niet kan slagen.

3.8.

Grief III bevat geen zelfstandige klacht en behoeft in het licht van het voorgaande geen nadere bespreking.

3.9.

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Nu Verzekeraars daartegen geen verweer hebben gevoerd zullen zij als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Verzekeraars hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 711,00 aan verschotten en € 1.896,00 voor salaris;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, A.W.H. Vink en A.J. Akkermans en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2016.