Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2154

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
200.167.966/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhuur bedrijfsruimte ex art. 7:290 BW. Vordering verhuurder tot ontruiming en betaling huurachterstand. Reconventionele vordering huurder tot eerdere ontbinding of vernietiging wegens dwaling. Zie ECLI:NL:GHAMS:2015:1538.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3146
mr. J.M. Winter-Bossink en mr. N. Amiel annotatie in UDH:TvHB/14020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.167.966/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 3064824 CV EXPL 14-13644

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juni 2016

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

appellant,

advocaat: mr. S. Besli te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. Hennis te Haarlem.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 18 februari 2015 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 21 november 2014, in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

Bij arrest van 21 april 2015 heeft het hof een comparitie van partijen gelast, die op 12 juni 2015 heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal van deze comparitie bevindt zich bij de processtukken.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven tevens wijziging van eis, met producties;

- memorie van antwoord, met productie.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad,

primair

I. vast zal stellen dat de huurovereenkomst gesloten op 9 september 2013 tussen [geïntimeerde] en [appellant] moet worden vernietigd en [geïntimeerde] zes maanden huur ten bedrage van (6 x € 3.872,=, dus) € 23.232,=, drie maanden borgstelling ten bedrage van (3 x € 3.872,=, dus) € 11.616,= alsmede de goodwill ten bedrage van € 30.000,=, in totaal een bedrag van € 64.848,=, moet terugbetalen aan [appellant] ,

II. vast zal stellen dat de overnamesom van de inventaris ten bedrage van € 12.100,= en de investeringskosten ten bedrage van € 20.000,= alsmede de kosten voor het opstellen van de huurovereenkomst ten bedrage van 665,50, in totaal een bedrag van € 32.765,50, moeten worden terugbetaald aan [appellant] ,

een en ander te vermeerderen met de handelsrente vanaf 7 mei 2014;

subsidiair

III. [geïntimeerde] zal veroordelen tot afgifte/teruggave van alle roerende zaken die aanwezig waren in de bedrijfsruimte aan [appellant] , dan wel – als afgifte/teruggave niet meer mogelijk is – [geïntimeerde] zal veroordelen de waarde van die zaken, begroot op een bedrag van € 32.100,=, aan [appellant] te vergoeden,

IV. [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van € 30.000,= (zwart geld) uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking,

een en ander te vermeerderen met de handelsrente vanaf 7 mei 2014,

met – zowel primair als subsidiair – beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 De feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1.1 tot en met 1.9 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Omdat die feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [geïntimeerde] heeft bij schriftelijke ‘huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW’ van 9 september 2013 aan [appellant] , volgens deze huurovereenkomst ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nr. [nummer] , met ingang van 1 september 2013 voor de aanvangsduur van vijf jaar verhuurd de bedrijfsruimte aan de [adres] (verder: het gehuurde), met als contractuele bestemming (artikel 1.3)

“detailhandelsverkoop van etenswaren en dranken en het, ter plaatse, nuttigen daarvan”.

De aanvangshuurprijs bedroeg € 38.400,= per jaar (€ 3.200,= per maand), te vermeerderen met BTW, per 1 september 2014 te verhogen tot € 42.000,= excl. BTW per jaar. De onderhandelingen met [geïntimeerde] over de totstandkoming van de overeenkomst zijn aan de zijde van [appellant] gevoerd door zijn vader (verder: [A] ).

(ii) Ingevolge artikel 1.2 van de huurovereenkomst betrof het casco-huur, met dien verstande dat in artikel 8 van de huurovereenkomst in aanvulling daarop is bepaald dat ook tot het gehuurde behoort:

“De gehele inventaris zoals beschreven in het inspectierapport. De goederen en de apparatuur dienen door huurder zelf onderhouden te worden en eventueel vervangen te worden op kosten van de huurder.”

(iii) In artikel 9.4 van de huurovereenkomst is bepaald, kort samengevat, dat de huurder zelf verantwoordelijk is voor de benodigde vergunningen en dat problemen hiermee zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst onverlet laten. In artikel 9.7 van diezelfde overeenkomst is bepaald:

“Het is huurder, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder, dewelke toestemming verhuurder redelijkerwijs niet zal onthouden, niet toegestaan alcoholische dranken te schenken en/of te verkopen in het gehuurde.”

(iv) [geïntimeerde] had voorts bedongen dat zes maanden huur, ofwel een bedrag van € 23.232,= incl. BTW, zou worden vooruitbetaald. De overeengekomen waarborgsom bedroeg € 11.616,= incl. BTW. Verder had [geïntimeerde] bedongen dat contractkosten tot een beloop van € 665,50 door [appellant] zouden worden vergoed. Daarnaast had [geïntimeerde] bedongen dat [appellant] de inventaris – die [geïntimeerde] had verworven van de curator in het faillissement van de vorige huurder – overnam voor een bedrag van € 12.100,= incl. BTW. Al deze posten, in totaal een bedrag van € 47.613,50, heeft [geïntimeerde] bij facturen van 9 september 2013 aan [appellant] in rekening gebracht en dit bedrag is door [appellant] , althans voor hem, voldaan bij bankoverschrijvingen van 10 en 11 september 2013.

( v) Na enige perikelen over (vermeend) niet functionerende (al dan niet onoordeelkundig aangesloten) apparatuur alsook kennelijke problemen van [appellant] met de verkrijging van vergunningen, is na de opening in het gehuurde van restaurant [X] door [A] verzocht de huurovereenkomst op naam van zijn echtgenote te zetten, doch hierover is geen overeenstemming bereikt.

(vi) Op 11 december 2013 heeft [geïntimeerde] bij de politie aangifte gedaan van bedreiging door [A]

(vii) Bij brief van 31 december 2013 van mr. A.A. Namaki, advocaat te Nijmegen, kennelijk (ook) namens [appellant] , heeft deze onder meer medegedeeld dat [geïntimeerde] een bedrag van € 30.000,= ‘zwart’ zou hebben ontvangen in het kader van de huurovereenkomst, waarop – en op de overige inhoud van die brief – [geïntimeerde] uitgebreid en afwijzend heeft gereageerd, met dien verstande dat hij nog wel bereid was de huurovereenkomst op naam van de echtgenote van [A] te zetten.

(viii) Nadat mr. Namaki bij brief van 23 januari 2014 zonder enige concretisering had gesteld dat zijn cliënt het niet met [geïntimeerde] ’s voorstelling van zaken eens was en bij brief van 3 februari 2014 onder meer had volhard in [appellant] ’s stelling over het ‘zwart’ betaalde bedrag, en nadat [appellant] vergeefs had aangedrongen op een latere ingangsdatum van het huurcontract, heeft [geïntimeerde] op 20 maart 2014 opnieuw aangifte gedaan bij de politie tegen [appellant] en/of mr. Namaki wegens belediging/smaad/smaadschrift/laster, in het bijzonder ter zake van de bewering in de hiervoor onder (vii) bedoelde brief van 31 december 2013 dat hij € 30.000,= aan ‘zwart’ geld zou hebben ontvangen.

(ix) De door [geïntimeerde] voor de maanden maart, april en mei 2014 aan [appellant] verstuurde huurfacturen ten bedrage van in totaal € 11.616,= incl. BTW zijn onbetaald gebleven. De gemachtigde van [appellant] in de procedure voor de kantonrechter, mr. A.J. Kiela, heeft bij brieven van 30 april 2014 en 21 mei 2014 aan de incassogemachtigde van [geïntimeerde] voorstellen gedaan tot beëindiging van de huurovereenkomst per 1 mei 2014. Deze is vervolgens met onderling goedvinden per 1 juni 2014 beëindigd.

3.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd, kort gezegd, ontruiming van het gehuurde en vergoeding van de daarmee gemoeide kosten, alsmede betaling van een bedrag van € 11.616,= aan huurachterstand tot en met mei 2014, met nevenvorderingen. [appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd en van zijn kant in reconventie gevorderd, kort gezegd, primair vaststelling dat de huurovereenkomst moet worden vernietigd of ontbonden en dat door [geïntimeerde] een bedrag van € 77.613,50 (inclusief het gestelde bedrag van € 30.000,= aan ‘zwart’ geld) aan [appellant] moet worden betaald, subsidiair vaststelling dat [geïntimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, zodat hem alleen de huurpenningen over de periode van 1 september 2013 tot 1 mei 2014 toekomen en [geïntimeerde] een bedrag van € 46.637,50, en meer subsidiair een bedrag van € 34.537,50, aan [appellant] moet (terug)betalen. [geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.3.

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep, kort gezegd, als volgt overwogen. Nu beide partijen hebben gesteld dat de huurovereenkomst met onderling goedvinden per 1 juni 2014 is beëindigd, is de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van de huurpenningen tot en met mei 2014 toewijsbaar, tenzij het beroep van [appellant] in reconventie op ontbinding of vernietiging (per een eerdere datum) slaagt. Dit laatste is echter niet het geval. Voor zover [appellant] zich daartoe beroept op schending door [geïntimeerde] van de mededelingsplicht dat in het gehuurde geen alcoholische dranken mochten worden geschonken, faalt dat betoog omdat dit, zoals in de huurovereenkomst bepaald, [appellant] ’s eigen verantwoordelijkheid was. Voor zover [appellant] daartoe heeft gesteld dat de in het gehuurde aanwezige apparatuur niet zou hebben gefunctioneerd, heeft [appellant] – nog daargelaten dat partijen het erover eens lijken te zijn dat deze apparatuur door [geïntimeerde] van [appellant] is gekocht – zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. Met betrekking tot de vordering van [appellant] tot terugbetaling van een bedrag van € 30.000,= aan ‘zwart geld’ geldt dat [appellant] , in het licht van de betwisting van deze vordering door [geïntimeerde] , deze vordering in meerdere opzichten onvoldoende heeft onderbouwd. Ten slotte zijn de buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar, heeft [geïntimeerde] belang bij zijn vordering tot ontruiming en dient [appellant] zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten te worden veroordeeld, aldus (nog steeds) de kantonrechter. Op grond van een en ander heeft de kantonrechter in conventie [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 11.616,= aan hoofdsom (met wettelijke handelsrente) en een bedrag van € 883,99 aan buitengerechtelijke incassokosten, [appellant] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, [appellant] veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders gevorderde afgewezen, en in reconventie de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

Met zijn eerste grief betoogt [appellant] , kort gezegd, dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat voor vernietiging van de huurovereenkomst wegens dwaling geen plaats is, omdat [appellant] zich daartoe beroept op schending door [geïntimeerde] van de mededelingsplicht dat in het gehuurde geen alcoholische dranken mochten worden geschonken, maar dit, zoals in de huurovereenkomst is bepaald, [appellant] eigen verantwoordelijkheid was. [appellant] voert in dit verband in hoger beroep aan dat [geïntimeerde] hem in het kader van de totstandkoming van de huurovereenkomst de onjuiste mededeling heeft gedaan dat het exploiteren van een restaurant in de bedrijfsruimte was toegestaan en ook de vorige huurder in die ruimte al een restaurant exploiteerde. [geïntimeerde] heeft deze stelling gemotiveerd betwist en gesteld dat er tussen partijen uitsluitend over is gesproken dat op het pand een horecavergunning rust (bepaalde openingstijden en geen alcohol). Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.5.

Volgens artikel 1.3 van de huurovereenkomst zal het gehuurde door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als detailhandelsverkoop van etenswaren en dranken en het, ter plaatse, nuttigen daarvan (en dus niet als restaurant), terwijl in artikel 9.4 is overeengekomen dat de huurder zelf zorg dient te dragen voor alle benodigde vergunningen en te leveren diensten en hier ook zelf verantwoordelijk voor is, en dat het later of niet verkrijgen van enige vergunning of benodigde diensten geen opschortende of ontbindende werking van enige afspraak in deze overeenkomst en ook geen vernietiging hiervan tot gevolg heeft. Met name uit laatstgenoemde bepaling kan redelijkerwijs niet anders worden afgeleid – en door partijen over en weer zijn begrepen – dan dat partijen hebben afgesproken dat als bij [appellant] al sprake zou zijn van dwaling, deze voor diens rekening dient te blijven als bedoeld in artikel 6:228 lid 2 BW en geen grond kan opleveren voor vernietiging van de huurovereenkomst. De stelling van [appellant] dat partijen niettemin iets anders hebben afgesproken althans hebben bedoeld iets anders overeen te komen, is door [appellant] onvoldoende uitgewerkt en gespecificeerd en onvoldoende onderbouwd, zodat hij ter zake niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en aan bewijslevering niet wordt toegekomen. Voor zover [appellant] zijn vordering in dit verband heeft gegrond op de redelijkheid en billijkheid dan wel op onrechtmatige daad, heeft hij zijn stellingen eveneens onvoldoende onderbouwd, zodat het hof ook hieraan voorbij gaat.

3.6.

Uit het voorgaande volgt dat grief I faalt.

3.7.

De tweede grief van [appellant] heeft betrekking op de beweerdelijk gedane betaling van ‘zwart geld’ ten bedrage van in totaal € 30.000,=. Deze grief mist allereerst feitelijke grondslag voor zover daarin ligt besloten dat de kantonrechter zou hebben beslist dat een betaling van € 30.000,= aan ‘zwart geld’ is gedaan. Dat heeft de kantonrechter immers niet overwogen. Voorts wordt met deze grief de desbetreffende rechtsoverweging (7) van de kantonrechter slechts ten dele bestreden. Zo bestrijdt [appellant] bijvoorbeeld niet de overweging dat het in het algemeen al de vraag is of degene die meewerkt aan een uitdrukkelijk als ‘zwart’ bedoelde betaling deze achteraf in rechte kan terugvorderen, evenmin als de overweging dat het op de weg van [appellant] had gelegen uiteen te zetten op welk moment en waarom de eis van de ‘zwarte betaling’ zou zijn gesteld. De enkele mededeling, thans in hoger beroep, dat het geldbedrag dat nu getypeerd wordt als ‘zwart geld’ onderdeel is van de goodwill die hij ( [appellant] ) heeft moeten betalen voor de bedrijfsruimte, is, zonder nadere toelichting die ontbreekt, daartoe onvoldoende. Ten slotte is de toelichting op deze grief nagenoeg gelijk aan de stellingen die [appellant] reeds bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie (onder 5) heeft geponeerd, hoewel [geïntimeerde] op de in eerste aanleg door [appellant] te dezer zake ingenomen stellingen zeer uitvoerig en voldoende onderbouwd heeft gereageerd bij conclusie van eis in reconventie (onder 19-21). In het licht daarvan en van wat de kantonrechter ter zake in het bestreden vonnis heeft overwogen, moet daarom worden geconcludeerd dat [appellant] zijn stellingen op dit punt – die dus niet meer zijn dan een herhaling van wat hij in eerste aanleg al had aangevoerd – ook in hoger beroep onvoldoende heeft onderbouwd en dat hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Aan mogelijke bewijslevering wordt daarom niet meer toegekomen.

3.8.

Het voorgaande brengt mee dat grief II evenmin kan slagen.

3.9.

[appellant] heeft in hoger beroep bij wege van vermeerdering van eis subsidiair teruggave of afgifte gevorderd door [geïntimeerde] van de roerende zaken die zich in de bedrijfsruimte bevonden, dan wel vergoeding door [geïntimeerde] van de waarde daarvan, door hem begroot op € 32.100,=. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] op 1 mei 2014 eigenhandig de sloten van de bedrijfsruimte vervangen, zodat vrijwillige ontruiming daarvan door [appellant] niet meer mogelijk was omdat hij geen toegang meer had tot de bedrijfsruimte en voor hem een raadsel is waar zijn bedrijfsinventaris is gebleven. Het hof overweegt dat [geïntimeerde] erkent dat hij op 1 mei 2014 de sloten van de bedrijfsruimte heeft vervangen. [appellant] heeft daaraan echter zelf toegevoegd dat dit door hem werd geconstateerd op het moment dat hij aldaar voor de deur verscheen, en dat op een A4-papiertje met de pen stond geschreven dat dit in verband met een inbraak was en dat een 06-nummer zou kunnen worden gebeld (zie ook productie 3 bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie). [appellant] heeft niet betwist dat de sloten inderdaad in verband met een inbraak zijn vervangen en evenmin gesteld dat hij dit telefoonnummer heeft gebeld en/of [geïntimeerde] heeft verzocht tot de bedrijfsruimte te worden toegelaten. Voorts heeft [appellant] niet (gemotiveerd) de stelling betwist dat [geïntimeerde] [appellant] herhaaldelijk in de gelegenheid heeft gesteld de hem toekomende inventaris te verwijderen en mee te nemen, dat [appellant] van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt en dat de aanwezigheid van de inventaris het pand op dit moment niet verhuurbaar maakt (conclusie van antwoord in reconventie onder 15). Een en ander leidt ertoe dat onvoldoende grond bestaat de in appel vermeerderde (subsidiaire) eis van [appellant] toe te wijzen.

3.10.

[appellant] heeft voor het overige geen feiten gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen dan hiervoor gegeven moeten leiden, zodat zijn bewijsaanbod – dat wat te bewijzen concrete feiten betreft op geen enkele wijze nader is toegespitst – als niet ter zake dienend wordt gepasseerd.

3.11.

De slotsom luidt dat het appel faalt en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst de in hoger beroep vermeerderde (subsidiaire) eis van [appellant] af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerde] gevallen, op € 711,= voor verschotten en op € 3.262,= voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, L.A.J. Dun en D.J. van der Kwaak, en is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2016 door de rolraadsheer.