Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2122

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
23-002630-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

‘Mensenhandel – wetenschap prostitutiewerkzaamheden – bewijsoverweging – vordering benadeelde partij’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002630-13

datum uitspraak: 7 juni 2016

tegenspraak (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 31 mei 2013 in de strafzaak onder parketnummer 15-740925-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op 10 juli 1978,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging - ten laste gelegd:

primair:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 02 december 2011 tot en met 19 april 2012 te IJmuiden, gemeente Velsen, en/of te Haarlem en/of te Utrecht en/of te Eindhoven en/of elders in Nederland, en/of in Bulgarije,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[slachtoffer 1]

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273a Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273 f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273 f lid 1 sub 4), en/of

3) heeft gedwongen of bewogen hem en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar/hun seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en/of

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] (artikel 273 f lid 1 sub 6),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met betrekking tot die [slachtoffer 1] in voornoemde periode - terwijl die [slachtoffer 1] zich (in Bulgarije) in een zwakke economische en/of financiële en/of sociale positie bevond en/of in Nederland niet bekend was met de wijze en/of de omstandigheden waaronder er in Nederland (zelfstandig) in de prostitutie gewerkt kan worden en/of de Nederlandse en/of engelse taal niet of nauwelijks machtig was- -

(in Bulgarije)

* die [slachtoffer 1] voorgehouden dat er in Nederland veel geld in de prostitutie kan worden verdiend en/of * die [slachtoffer 1] voorgehouden dat zij in Nederland op de beste plek zou gaan werken en/of dat zij in Nederland geholpen zou worden, en/of

* die [slachtoffer 1] begeleid tijdens haar reis (per vliegtuig) naar Nederland, en/of

* die [slachtoffer 1] afgehaald vanaf de luchthaven schiphol, en/of

(in Nederland)

* die [slachtoffer 1] in de prostitutie laten werken,

* die [slachtoffer 1] gedwongen, althans bewogen, om vele uren en/of dagen achter elkaar en/of bij ongesteldheid te werken in de prostitutie,

* voor die [slachtoffer 1] bepaald welk tarief en/of welke werktijden zij diende te hanteren,

* die [slachtoffer 1] begeleid of laten begeleiden naar de Kamer van Koophandel en/of de gemeente Velsen en/of andere instanties en/of (aldus) geregeld dat die [slachtoffer 1] voldeed aan de (wettelijke) voorwaarden om in Nederland als prostituee te kunnen werken,

* die [slachtoffer 1] toestemming laten vragen om een dag niet als prostituee te hoeven werken,

* een woonadres voor die [slachtoffer 1] geregeld of laten regelen,

* de werkplek(ken)/locaties bepaald voor die [slachtoffer 1],

* die [slachtoffer 1] van/naar haar werkplek(ken) gebracht en/of opgehaald en/of laten brengen en/of laten ophalen,

* die [slachtoffer 1] (nagenoeg) voortdurend onder controle en/of toezicht gehouden en/of doen geloven dat ze (nagenoeg) voortdurend onder controle en/of toezicht werd gehouden,

* die [slachtoffer 1] (vrijwel) dagelijks verantwoording af laten leggen over het aantal prostitutieklanten waarmee die [slachtoffer 2] seksuele handelingen tegen betaling had verricht en/of over de door haar met prostitutiewerkzaamheden verdiende geldbedragen,

* die [slachtoffer 1] de helft, in elk geval een groot/aanzienlijk gedeelte van het door haar in de prostitutie verdiende geld afgenomen en/of laten afnemen, in elk geval in ontvangst genomen en/of laten nemen,

* (daarnaast) die [slachtoffer 1] kosten in rekening gebracht of laten brengen en/of kosten laten betalen voor (onder andere) de huur van de woning waarin die [slachtoffer 1] verbleef en/of chauffeurskosten en/of de huur van de werkplek(ken) van die [slachtoffer 1],

* die [slachtoffer 1] angst ingeboezemd, en/of

aldus en/of op enigerlei (andere) wijze in de communicatieve en/of feitelijke omgang met die [slachtoffer 1] een situatie gecreëerd en/of in stand gehouden, waarin verdachte en/of zijn mededader(s) door de feitelijke verhoudingen een overwicht verkreeg/verkregen over die [slachtoffer 1], en/of misbruik heeft/hebben gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht dat verdachte en/of zijn mededader(s) over die [slachtoffer 1] had(den);

subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2011 tot en met 11 januari 2012 te Plovdiv, in ieder geval in Bulgarije, en/of te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer) en/of te IJmuiden, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer 1], heeft aangeworven en/of mede genomen, met het oogmerk die [slachtoffer 1] in een ander land (Nederland) ertoe te brengen zich beschikbar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, (immers heeft hij, verdachte, en of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1]

- voorgehouden dat er in Nederland veel geld in de prostitutie kan worden verdiend,

- voorgehouden dat zij in Nederland op de beste plek zou gaan werken en/of dat zij in Nederland geholpen zou worden,

- begeleid tijdens haar reis (per vliegtuig) naar Nederland en/of

- afgehaald van de luchthaven Schiphol;) (artikel 273f lid 1 sub 3)

Het hof begrijpt dat de in de tenlastelegging opgenomen naam [slachtoffer 2] een kennelijke vergissing betreft, aangezien de gehele tenlastelegging slechts betrekking heeft op ‘mensenhandel’ ten aanzien van [slachtoffer 1]. Voor zover ook overigens nog in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg op 9 januari 2013 op vordering van de officier van justitie, toegestane wijziging tenlastelegging. Bij deze wijziging is het subsidiaire feit aan het ten laste gelegde toegevoegd. Omdat de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig was, heeft de rechtbank beslist dat de wijziging en een vertaling daarvan aan de verdachte diende te worden betekend. Daartoe is het onderzoek ter terechtzitting geschorst.

Bij hervatting van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de raadsman aangevoerd dat de (vertaalde) wijziging niet op de juiste wijze aan de verdachte was betekend, zodat de dagvaarding wat betreft deze wijziging, partieel nietig diende te worden verklaard. De rechtbank heeft bij vonnis beslist dat zij dit punt onbesproken laat nu zij het primair ten laste gelegde bewezen acht.

In hoger beroep heeft de raadsman dit verweer niet gehandhaafd. Gelet hierop, alsmede op de hierna te nemen bewijsbeslissing, heeft de verdachte derhalve geen belang meer bij bespreking van dit verweer.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 2 december 2011 tot en met 19 april 2012 te IJmuiden, gemeente Velsen en/of te Haarlem en/of te Utrecht en/of te Eindhoven en/of in Bulgarije, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 1] met één of meer van de onder lid 1, sub 1˚ van artikel 273a Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang, misleiding en misbruik van een kwetsbare positie,

1. heeft geworven, vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting, en

2. heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard en

3. heeft bewogen hem en/of zijn mededaders te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en

tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1]

immers hebben hij en zijn mededaders met betrekking tot die [slachtoffer 1] in voornoemde periode - terwijl die [slachtoffer 1] in Nederland niet bekend was met de wijze en de omstandigheden waaronder er in Nederland zelfstandig in de prostitutie gewerkt kan worden en de Nederlandse en Engelse taal niet of nauwelijks machtig was -

in Bulgarije

* die [slachtoffer 1] voorgehouden dat er in Nederland veel geld in de prostitutie kan worden verdiend en

* die [slachtoffer 1] voorgehouden dat zij in Nederland op de beste plek zou gaan werken en dat zij in Nederland geholpen zou worden, en

* die [slachtoffer 1] begeleid tijdens haar reis (per vliegtuig) naar Nederland, en

in Nederland

* die [slachtoffer 1] afgehaald vanaf de luchthaven Schiphol, en

* die [slachtoffer 1] in de prostitutie laten werken,

* voor die [slachtoffer 1] bepaald welk tarief en welke werktijden zij diende te hanteren,

* die [slachtoffer 1] begeleid naar de Kamer van Koophandel en de gemeente Velsen

* die [slachtoffer 1] toestemming laten vragen om een dag niet als prostituee te hoeven werken,

* een woonadres voor die [slachtoffer 1] geregeld,

* de werkplekken en locaties bepaald voor die [slachtoffer 1],

* die [slachtoffer 1] van/naar haar werkplekken laten brengen en laten ophalen,

* die [slachtoffer 1] onder controle gehouden,

*die [slachtoffer 1] verantwoording af laten leggen over het aantal prostitutieklanten waarmee die [slachtoffer 1] seksuele handelingen tegen betaling had verricht en over de door haar met prostitutiewerkzaamheden verdiende geldbedragen,

* die [slachtoffer 1] de helft van het door haar in de prostitutie verdiende geld in ontvangst genomen.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bespreking van een bewijsverweer ten aanzien van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het primair ten laste gelegde medeplegen van uitbuiting van [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen verklaard wordt. Zij heeft daartoe aangevoerd hetgeen in haar schriftelijke requisitoir is vermeld.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd hetgeen in zijn pleitnotities is vermeld, inhoudende – kort gezegd – dat de verdachte [slachtoffer 1] met [medeverdachte 1] slechts in contact heeft gebracht, zonder dat hij wist wat [medeverdachte 1] met haar zou bespreken of afspreken. De verdachte heeft haar samen met haar vader begeleid naar Nederland, maar dat was niet vanwege de afspraak die zij met [medeverdachte 1] had gemaakt, maar vanwege de liefdesrelatie die hij met haar had. De verdachte heeft vervolgens drie weken met [slachtoffer 1] in IJmuiden vakantie gevierd en is toen teruggegaan naar Bulgarije, omdat de relatie voorbij was. Pas daarna is [slachtoffer 1] als prostituee in Nederland gaan werken. Elke vorm van sms-contact die hij daarna nog met haar heeft gehad, was sporadisch en puur uit interesse en had niets te maken met enige vorm van controle over haar werkzaamheden en werkomstandigheden.

Het subsidiair tenlastegelegde kan evenmin worden bewezen nu hij haar niet heeft begeleid naar een ander land om daar in de prostitutie te werken, maar slechts met haar is meegereisd, omdat zij een relatie hadden.

Het hof stelt allereerst het volgende vast.

Uit de aangifte van [slachtoffer 1] leidt het hof af (p. 1461 e.v. van het doorgenummerde proces-verbaal), dat zij in Bulgarije werkte als danseres in bar [naam bar] te Plovdiv en dat haar door de manager van die bar (het hof begrijpt: verdachte) is gevraagd of zij interesse had te gaan werken in het buitenland waar de verdiensten hoger waren. Hij, verdachte, kon haar in contact brengen met iemand die dat voor haar kon organiseren. Hij heeft haar in contact gebracht met [medeverdachte 1]. Deze heeft haar meegedeeld dat zij op de beste plek zou werken, waarbij haar duidelijk werd dat het iets met prostitutiewerkzaamheden te maken zou hebben (p. 1461/1462 en haar (weliswaar ongetekende) verklaring bij de rechter-commissaris op 22 november 2012). [slachtoffer 1] is vervolgens samen met haar vader en de verdachte naar Nederland gevlogen.

In Nederland werden zij opgevangen door [medeverdachte 2] (bijnaam [bijnaam]), die hen bracht naar een adres in IJmuiden (gemeente Velsen) aan de [adres 2] (p. 1462), waar reeds woonden: [slachtoffer 2]), [medeverdachte 3] (ook wel genoemd [medeverdachte 3] of [medeverdachte 3], zijnde de vrouw van [medeverdachte 1]), [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], van wie de vrouwen reeds in de prostitutie werkzaam waren. [slachtoffer 1] en de verdachte kwamen daarbij inwonen. Haar vader werd afgezet bij hotel [naam hotel], alwaar hij zou verblijven.

[slachtoffer 1] werd gezegd dat zij achter ‘het raam’ zou gaan werken en dat daarvoor eerst zaken geregeld moesten worden, hetgeen door [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [bijnaam] werd gedaan. De verdachte heeft op enig moment [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar de Kamer van Koophandel gebracht – zonder daar overigens binnen te zijn geweest - teneinde de administratieve formaliteiten voor het uitoefenen van het beroep van prostituee te regelen (p. 146). De verdachte liet [slachtoffer 1] op 1 februari 2012 achter – onder de hoede van [medeverdachte 1] en zijn partner [medeverdachte 3].

Vanaf begin februari 2012 is [slachtoffer 1] in de prostitutie gaan werken. [slachtoffer 1] moest een gedeelte van haar verdiensten aan [medeverdachte 1] afdragen, zij was geen ‘eigen baas’ (verklaring [medeverdachte 3], 1663/159 van 4 mei 2012). Dit wordt bevestigd door het door [slachtoffer 1] bijgehouden schriftje, waarin staat vermeld welke bedragen zij diende af te staan aan [medeverdachte 1]. [medeverdachte 3] en [slachtoffer 2] verklaren elk voor zich dat dat bedrag gelijkelijk moest worden gedeeld door de verdachte en [medeverdachte 1]. [slachtoffer 1] moest 50% van haar verdiensten als prostituee aan [medeverdachte 1] en de verdachte afdragen (verklaring van 25 april 2012 van [slachtoffer 2], p. 1625/p. 137). De overige 50% ging op aan kosten van huur van een kamer, reiskosten en chauffeurskosten (eerst [medeverdachte 2], later ‘de domme’ [verdachte]). Het resterende bedrag was voor haar zelf (zie de verklaring van [slachtoffer 1], p. 1481/122).

Vanaf maart 2012 hield [slachtoffer 1] de verdachte op de hoogte van haar verdiensten (sms-berichten p. 1514-1517/p. 10, 11, 47-49). [slachtoffer 1] moest aan de verdachte verantwoording afleggen. Hij wilde weten wat zij per dag verdiende (verklaring van [slachtoffer 1], p. 1466/107). Ook heeft zij één keer naar [medeverdachte 1] geld overgemaakt (verklaring [slachtoffer 1], p. 1467/108). [verdachte] (‘de domme’) en ook [medeverdachte 1] controleerden [slachtoffer 1] (verklaring [slachtoffer 2] van 24 en 25 april 2012, p. 1627/p.139, alsmede [slachtoffer 1] in het telefoongesprek van 20 februari 2012, 16:53, p. 1621/79), terwijl [medeverdachte 1] en de verdachte samen contacten met onder meer [slachtoffer 1] onderhielden (verklaring van [medeverdachte 3] van 4 mei 2014, p. 1660/156). [naam] moest [slachtoffer 1] naar haar werk brengen (tapgesprek, p. 296). Uit de afgetapte telefoongesprekken tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is voorts nog af te leiden dat [slachtoffer 1] doorwerkte tijdens haar ongesteldheid (‘ondanks dat haar spons erg veel lekt’, p. 1575).

Het hof overweegt als volgt.

De stelling van de raadsman dat de verdachte slechts betrokken is geweest bij het leggen van het contact tussen [slachtoffer 1] en [medeverdachte 1], zonder dat de verdachte wist wat er tussen hen is besproken, acht het hof niet aannemelijk: verdachte en [medeverdachte 1] kenden elkaar (zij waren vrienden, zie hiervoor de verklaring van [slachtoffer 2] van 24 en 25 april 2012, p. 138), de verdachte wist dat [medeverdachte 1] prostituees voor zich had werken en [medeverdachte 2] partner [medeverdachte 3] werkte in Nederland reeds als prostituee. Met deze kennis heeft de verdachte [slachtoffer 1] benaderd en haar expliciet met [medeverdachte 1] in contact gebracht voor de mogelijkheden in het buitenland werk te vinden. Gelet op het vorenstaande kan het niet anders dan dat de verdachte reeds in Bulgarije wist dat het bij dat werk om prostitutiewerkzaamheden ging.

In Nederland woonden [slachtoffer 1] en de verdachte tot aan diens vertrek op 1 februari 2012 in het zelfde huis als onder meer [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en heeft de verdachte op enig moment [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in verband met de op handen zijnde prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] naar de Kamer van Koophandel gebracht. Aldus staat vast dat de verdachte betrokken is geweest bij het werven, naar Nederland brengen en in Nederland huisvesten van [slachtoffer 1], wetende dat zij in de prostitutie zou gaan werken. Dat [slachtoffer 1] in de eerste periode van 12 januari tot 1 februari 2012 feitelijk niet in de prostitutie heeft gewerkt, doet daar niet aan af, nu zij, na verdachtes vertrek, aanstonds met die werkzaamheden onder leiding van [medeverdachte 3], ’die op dezelfde plek werkte’ (p. 1451) en [slachtoffer 2], is begonnen op verschillende plaatsen in Nederland (verklaring van [slachtoffer 1], p. 1463).

Dat de verdachte ook vanuit Bulgarije invloed op [slachtoffer 1] kon uitoefenen blijkt uit de omstandigheid dat er telefonisch contact is geweest tussen [medeverdachte 1] en de verdachte omtrent de tweede overkomst van de vader van [slachtoffer 1] in maart (op 21 maart 2012,16:10:39) waarin de verdachte tegen [medeverdachte 1] zegt dat hij [slachtoffer 1] tot de orde zal roepen (p. 220-221). Het hof leidt mede uit dit telefoongesprek voorts de nauwe samenwerking tussen [medeverdachte 1] en verdachte met betrekking tot de mensenhandel van [slachtoffer 1] af.

Uit de verklaringen van [medeverdachte 3] en [slachtoffer 2] blijkt niet alleen, zoals ook [slachtoffer 1] heeft verklaard, dat [slachtoffer 1] de helft van haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden moest afdragen aan [medeverdachte 1], maar bovendien dat deze op zijn beurt daarvan de helft aan de verdachte afdroeg. Uit het sms-contact tussen [slachtoffer 1] en de verdachte blijkt voorts dat zij hem op de hoogte moest houden van haar verdiensten.

Dat het bij de sms-berichten slechts zou gaan om een belangeloze interesse, zoals de raadsman stelt, acht het hof gelet op het voorgaande volstrekt onaannemelijk. Hieruit volgt dat de verdachte financieel heeft geprofiteerd van de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] en dat zijn bemoeienissen met haar in dit verband gericht waren op haar uitbuiting.

Uit het voorafgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt het hof af dat de verdachte samen met anderen ([medeverdachte 1], [medeverdachte 3] ([medeverdachte 3]), [medeverdachte 2] ([bijnaam]) en [verdachte], de chauffeur) betrokken is geweest, in nauwe en bewuste samenwerking, bij i) de komst van [slachtoffer 1] naar Nederland opdat zij zou komen te werken in de prostitutie, ii) haar verblijf hier te lande, iii) het faciliteren van haar werkzaamheden, iv) het controleren van haar werkzaamheden en v) haar uitbuiting, waarvan onder meer de verdachte ook financieel heeft geprofiteerd.

Het verweer van de raadsman vindt voor het overige zijn weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest, en wordt verworpen. Het hof acht daarom bewezen hetgeen hierboven is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Mensenhandel terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt mensenhandel door het slachtoffer in Bulgarije voor te spiegelen dat zij in Nederland in de prostitutie veel (meer) geld zou kunnen verdienen en onder betere omstandigheden dan in Bulgarije en dat zij daarbij door hen zou worden geholpen. Met deze vorm van misleiding heeft de verdachte haar geworven en overgebracht naar Nederland, waar zij vervolgens min of meer gedwongen, en anders dan haar was voorgespiegeld, heeft moeten werken in de prostitutie, terwijl zij de helft van haar inkomsten heeft moeten afstaan aan de verdachte en zijn mededaders, alsmede verantwoording moest afleggen over het aantal door haar gewerkte uren en verdiensten. Door aldus het slachtoffer te domineren op haar werk- en in zekere zin ook haar thuissituatie, heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke vrijheid. Hij heeft zijn financieel gewin boven de vrijheid en integriteit van het slachtoffer gesteld. Dit is een ernstig strafbaar feit waarvoor, gelet op de daarvoor geldende richtlijn voor strafvordering mensenhandel in de zin van dienstbaarheid of arbeidsuitbuiting, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden in beginsel passend is.

Daartegenover staat dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de meest recente Justitiële Documentatie niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld. Tevens houdt het hof rekening met een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep als bedoeld in artikel 6 EVRM aangezien

drie jaren zijn verstreken tussen het instellen van het hoger beroep van de verdachte op 4 juni 2013 en de uiteindelijke behandeling in hoger beroep op 24 mei 2016, zonder dat van een bijzondere omstandigheid sprake is geweest. Het hof zal met deze overschrijding in strafverminderende zin rekening houden en zal daarom, alles afwegende, volstaan met een gevangenisstraf van zeven maanden, die het passend en geboden acht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.620,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag.

De verdediging heeft ter terechtzitting de vordering van de benadeelde partij betwist en gesteld dat de verdachte nimmer enig geldbedrag heeft ontvangen van het slachtoffer. Zij heeft daarom om afwijzing van de vordering verzocht.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij deels geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat dat deel zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, te weten 50% van de door haar in de prostitutie verdiende inkomsten. Met de advocaat van de benadeelde partij is het hof van oordeel dat kan worden uitgegaan van een (minimum)bedrag van 100 euro aan inkomsten per dag. Uitgaande van een periode van 71 gewerkte dagen betreft het inkomen van de benadeelde partij totaal tenminste 7.100 euro. Aangezien de benadeelde partij hiervan de helft heeft moeten afdragen aan de verdachte en zijn mededaders, begroot het hof de schade op 3.550 euro. De verdachte is evenals zijn mededaders tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht in Nederland en in Bulgarije, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.550,00 (drieduizend vijfhonderdenvijftig euro) en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer voornoemd ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.550,00 (drieduizend vijfhonderdenvijftig euro) materiële schade.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. G.M. Boekhoudt en mr. R.C.P. Haentjens, in tegenwoordigheid van mr. F. Hardonk-Kruiswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juni 2016.