Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2092

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
23-003232-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal dmv braak. Enkel aantreffen van DNA op de pd is onvoldoende. Daarvoor is mede bepalend: de aard van het spoor, op welke specifieke plaats het spoor is aangetroffen en of aangenomen moet worden dat het spoor daar door de dader is achtergelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003232-15

datum uitspraak: 19 april 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-669067-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op [geboortedag] 1974,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in D.C.Z. Vreemdelingen te Soesterberg.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 sub 1, 4, 5 en 9 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Aangezien het hof de feiten waarvan de verdachte is vrijgesproken beoordeelt als impliciet cumulatief ten laste gelegde feiten staat voor de verdachte, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

5 april 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

1:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 9 mei 2010 tot en met 5 maart 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een of meer tuinhuis(jes) op de

2) [adres 1] en/of

3) [adres 2] en/of

6) [adres 3] (tussen 21 en 22 augustus 2010) en/of

7) [adres 3] (tussen 31 maart en 1 april 2012)

8) [adres 4]

heeft weggenomen

2) een bodywarmer, sandalen, gereedschap, 2 doosjes oplaadbare batterijen en 2 parfum en/of

3) een flesje Grolsch, een televisie (LCD scherm) en/of een digitaal tv kastje en/of een autoradio en/of

6) een opwind zaklantaarn en/of een zaklantaarn en/of een radio en/of een verrekijker en/of 3 flessen wijn en/of

7) een laptop en/of een fotocamera en/of een fietstas en/of 7 flessen wijn en/of 4 truien en/of een telefoonoplader en/of

8) een mountainbike en/of een televisie (LED flatscreen) en/of een deken en/of een zonnebril en/of een joggingspak en/of een kruiwagen en/of 2 lampen

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

2) [slachtoffer 1] en/of

3) [slachtoffer 2] en/of

6) [slachtoffer 3] en/of

7) [slachtoffer 4] en/of

8) [slachtoffer 5]

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door

op een pand op de [adres 1] (2) en/of de [adres 4] (8) een of meer ra(a)m(en) te vernielen en/of

door op de [adres 2] een schuifpui (3) ) en/of de [adres 3] (6) een ruit in te gooien en/of

door op de [adres 3] de voordeur te forceren (7),

in elk geval door middel van braak en/of verbreking;

2

primair:
hij in of omstreeks de periode vanaf 12 mei 2010 tot en met 13 mei 2010 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een tuinhuisje op de [adres 2] weg te nemen enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat tuinhuis te verschaffen en / of die / dat weg te nemen goed onder zijn / hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en / of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, een ruit heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij in of omstreeks de periode vanaf 12 mei 2010 tot en met 13 mei 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een tuinhuisje op de [adres 2], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door deze in te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Ter terechtzitting gevoerde verweren

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten vrijspraak bepleit. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het enkele feit dat het DNA-profiel, verkregen uit de bemonstering van de in de diverse tuinhuisjes aangetroffen sporen, overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte, niet met zich brengt dat het de verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan het wegnemen van de goederen. Zij heeft daarbij gewezen op de verklaring van de verdachte dat hij wel eens in tuinhuisjes slaapt en voorts op het gegeven dat het veelal om sporen gaat die zijn aangetroffen op verplaatsbare objecten, te weten bierblikjes en sigarettenpeuken.

Het hof overweegt ten aanzien van het gevoerde verweer als volgt.

Ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten geldt dat het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte aan de inbraken in de diverse tuinhuisjes in doorslaggevende mate moet volgen uit de door het Nederlands Forensisch Instituut gerapporteerde match tussen de in die tuinhuisjes aangetroffen en onderzochte biologische sporen en het in de Nederlandse DNA-databank opgenomen DNA-profiel van de verdachte.

Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat het aantreffen van een spoor met daarop lichaamsmateriaal waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte niet zonder meer betekent dat het de verdachte moet zijn geweest die de desbetreffende inbraken heeft gepleegd. Daarvoor is mede bepalend wat de aard van het spoor is, op welke specifieke plaats het spoor is aangetroffen en of aangenomen moet worden dat het spoor daar door de dader is achtergelaten. Het hof constateert dat in een aantal van de onderhavige tuinhuisjes een spoor is aangetroffen op een verplaatsbaar object, te weten een sigarettenpeuk of een bierblikje, dat zich kennelijk voorafgaand aan de inbraak nog niet in het desbetreffende tuinhuisje bevond.

Ten aanzien van feit 1 sub 2 ([adres 1])

Het hof zal de verdachte vrijspreken van de inbraak die onder 1 sub 2 ([adres 1]) is tenlastegelegd nu de gerapporteerde DNA-match ziet op sporen die zijn aangetroffen op peuken op een kleed in het tuinhuisje, terwijl tevens bloed is aangetroffen en bemonsterd waarvan het DNA-profiel niet matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Er is geen aanvullend bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte. Daarom is niet uit te sluiten dat een ander of anderen dan de verdachte de tenlastegelegde diefstal met braak heeft/hebben gepleegd, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 sub 6 ([adres 3])

Het hof zal de verdachte voorts vrijspreken van de inbraak die onder 1 sub 6 ([adres 3]) is tenlastegelegd nu de gerapporteerde DNA-match betrekking heeft op een spoor dat is aangetroffen op een bierblikje in een wandkast in het tuinhuisje. Uit het dossier blijkt dat dit blikje zich voorafgaand aan de inbraak nog niet in het huisje bevond, zodat niet onomstotelijk vast staat dat dit een daderspoor betreft. Aanvullend bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte ontbreekt.

Ten aanzien van feit 1 sub 7 ([adres 3])

Het hof zal de verdachte tot slot vrijspreken van de inbraak die onder 1 sub 7 ([adres 3]) is tenlastegelegd nu de gerapporteerde DNA match ziet op een spoor dat is aangetroffen op een sigarettenpeuk op de tafel in het tuinhuisje. Ook hier ontbreekt aanvullend bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte en staat niet onomstotelijk vast dat het een daderspoor betreft.

Ten aanzien van feit 1 sub 3 ([adres 2])

Het hof acht het onder 1 sub 3 ten laste gelegde ([adres 2]) bewezen nu de gerapporteerde DNA match ziet op een bloedspoor dat is aangetroffen op een keukenkastdeur in het tuinhuisje. Hierdoor staat niet alleen vast dat de verdachte in het tuinhuisje is geweest, maar bovendien dat hij in aanraking is gekomen met een keukenkastdeur, terwijl blijkens de aangifte de keukenkasten kennelijk zijn doorzocht. Naar het oordeel van het hof is het bloedspoor derhalve een daderspoor. Voorts ontbreekt enige aanwijzing dat een ander dan de verdachte in het tuinhuisje is geweest. Aldus kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte dat spoor heeft achtergelaten nadat hij de ruit van de schuifpui van het tuinhuisje heeft vernield en hij zich kennelijk heeft verwond aan het glas.

Ten aanzien van feit 1 sub 8 ([adres 4])

Het hof acht het onder 1 sub 8 ([adres 4]) bewezen nu de gerapporteerde DNA-match ziet op een bloedspoor dat is aangetroffen op een keukenkastplank in het tuinhuisje. Hierdoor staat niet alleen vast dat de verdachte in het tuinhuisje is geweest, maar bovendien dat hij in aanraking is gekomen met de plank van een keukenkast, terwijl blijkens het proces-verbaal van bevindingen (doorgenummerde dossierpagina 117) onder meer levensmiddelen zijn ontvreemd. Naar het oordeel van het hof is het bloedspoor derhalve een daderspoor. Voorts ontbreekt iedere aanwijzing dat een ander dan de verdachte in het tuinhuisje is geweest. Aldus kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte dat spoor heeft achtergelaten nadat hij het keukenraam had vernield en hij zich kennelijk heeft verwond aan het glas.

Ten aanzien van feit 2 ([adres 2])

Het hof acht het onder 2 tenlastegelegde bewezen en overweegt hieromtrent het volgende. Evenals het door het hof bewezen geachte feit 1 sub 3 betreft het hier een inbraak op het tuincomplex Nut en Genoegen aan de [adres 2], gepleegd op dezelfde dag of ten hoogste twee dagen later. Bij beide inbraken is sprake van het doorzoeken van het keukenkastje. Ten aanzien van feit 1 sub 3 staat op basis van een aangetroffen bloedspoor vast dat de verdachte deze inbraak heeft gepleegd. Gelet op de overeenkomsten tussen beide inbraken en op het aantreffen van een spoor op een achtergelaten sigarettenpeuk met daarop lichaamsmateriaal waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte, acht het hof het buiten redelijke twijfel dat het de verdachte is geweest die zich de toegang heeft verschaft tot dit tuinhuisje en de poging tot diefstal heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode vanaf 11 mei 2010 tot en met 7 april 2012 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in tuinhuisjes op de

3) [adres 2] en

8) [adres 4],

heeft weggenomen

3) een flesje Grolsch, een televisie (LCD scherm) en een digitaal tv kastje en een autoradio en

8) een mountainbike, een televisie (LED flatscreen), een deken, een zonnebril, een joggingspak, een kruiwagen en 2 lampen,

toebehorende aan

3) [slachtoffer 2] en

8) [slachtoffer 5],

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;


2

primair:
hij in de periode vanaf 12 mei 2010 tot en met 13 mei 2010 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een tuinhuisje op de [adres 2] weg te nemen enig goed, toebehorende aan [slachtoffer 6] en zich daarbij de toegang tot dat tuinhuis te verschaffen door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 sub 2, 3, 6, 7, 8 en onder feit 2 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de tenlastegelegde feiten zoals door de rechtbank bewezenverklaard, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken, met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat ten aanzien van de strafmaat rekening gehouden dient te worden met het gegeven dat het gaat om oude feiten.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan diefstal met braak in tuinhuisjes, alsmede eenmaal aan een poging daartoe. Hoewel de tuinhuisjes niet zijn bedoeld voor permanente bewoning, dienen deze er wel toe de eigenaren een recreatief toevluchtsoord te bieden, waar zij zich in alle rust en vertrouwelijkheid kunnen terugtrekken. Verdachte heeft een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de eigenaren van de tuinhuisjes en hen schade berokkend. Dergelijke feiten veroorzaken tevens maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 maart 2016 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor gekwalificeerde diefstallen, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof zal in het voordeel van de verdachte meewegen dat sinds het plegen van de feiten een lange tijd is verstreken, maar zal deze omstandigheid in geringere mate wegen dan bepleit door de raadsvrouw nu de vervolging van de verdachte eerst een aanvang nam nadat het Nederlands Forensisch Instituut op 2 januari 2015 rapporteerde over de match van het uit verschillende onderzochte biologische sporen verkregen DNA-profiel met het DNA-profiel van de verdachte.

Het hof ziet aanleiding om bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van hetgeen door de advocaat-generaal is gevorderd, nu het hof de verdachte, anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, zal vrijspreken van het onder 1 sub 2, 6 en 7 tenlastegelegde. Het hof acht het niet opportuun de verdachte

een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte langer zal zijn dan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 sub 1, 4, 5 en 9 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 sub 3 en sub 8 en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 31 (eenendertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. C.N. Dalebout en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van Y.M. Kho, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 april 2016.

[......]

.