Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2087

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
23-005244-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inbraak juwelier. Vrijspraak medeplegen bedreiging. Gelet op de organisatievan het feit en de omvang van de schade voor strafmaat aangesloten bij LOVS ramkraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005244-15

datum uitspraak: 2 juni 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 december 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-870461-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1989,

adres: [adres],

thans gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 maart 2015 te Den Burg, gemeente Texel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen goud en/of horloges en/of sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] V.O.F., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die goud en/of horloges en/of sieraden onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- die [slachtoffer 2] dreigend woorden heeft toegevoegd "Oprotten hier, oprotten, ik schiet je door je kop" en/of "Ik ken jou", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- ( waarbij) dreigend een (klauw)hamer/bijl werd opgepakt en/of omhoog werd gehouden, althans werd getoond, richting/aan die [slachtoffer 2];

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak medeplegen bedreiging

Naar het oordeel van het hof kan niet worden bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer 2] heeft medegepleegd. Het hof gaat hierbij uit van de verklaring van [slachtoffer 2]. Hij verklaart bij de politie dat hij, toen hij richting de juwelier liep, twee in het donker geklede mannen zag die de vitrines aan het leeghalen waren. Hij begon meteen te schreeuwen waarop ‘dader twee’ zich naar hem toe draaide, een bijl van de grond pakte en hem daarmee bedreigde. [slachtoffer 2] verklaart dat de eerste man ‘eigenlijk gewoon door ging met het met zijn arm binnen harken vanuit een kapotgeslagen vitrinekast. Hij keek eigenlijk niet op of om.’

Uit deze verklaring blijkt niet dat sprake is van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking tussen ‘de eerste man’ en ‘dader twee’, dat gesteld kan worden dat ‘de eerste man’ de door ‘dader twee’ geuite bedreiging heeft medegepleegd. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van de bedreiging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 maart 2015 te Den Burg, gemeente Texel, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen goud en horloges en sieraden, toebehorende aan [bedrijf] V.O.F., waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat goud en die horloges en sieraden onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van de straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan diefstal met braak bij een juwelier. Deze inbraak was vooraf zeer precies gepland en voorbereid. Om de winkel binnen te komen en de goederen onder hun bereik te brengen hebben de verdachte en zijn mededader zeer veel schade aangericht door het glas van de toegangsdeur en de vitrines in te slaan. Zij zijn er met een aanzienlijke buit vandoor gegaan. De verdachte heeft over de verkoop van die buit, daarnaar herhaaldelijk gevraagd, geen duidelijkheid willen geven. Hij heeft zich slechts laten leiden door zijn eigen financiële gewin en zich niet, en zoals ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken: nog steeds niet, bekommerd om de gevolgen voor het slachtoffer. Tenslotte veroorzaakt een feit als het onderhavige gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf zoekt het hof aansluiting bij de straffen die plegen te worden opgelegd voor een ramkraak, zoals vastgelegd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), nu het bewezenverklaarde feit qua karakter, gelet op de organisatie daarvan en de aanzienlijke omvang van de schade, bij die omschrijving past. Het hof neemt tevens in aanmerking dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 mei 2016 eerder meermalen voor vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen behoren aan de verdachte toe. Zij zijn tot het begaan van het ten laste gelegde en bewezen verklaarde bestemd. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Vordering van de benadeelde partij Vof [bedrijf]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg toegelicht, € 13.850,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering geheel zal worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Daarbij zal het hof bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een zwarte tas, merk Leonardo, gevuld met gereedschap;

- een bivakmuts;

- een stanleymes.

Vordering van de benadeelde partij Vof [bedrijf]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Vof [bedrijf] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 13.850,00 (dertienduizend achthonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Vof [bedrijf], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 13.850,00 (dertienduizend achthonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 104 (honderdvier) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. M. Iedema en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juni 2016.