Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2046

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
200.189.103/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

‘Uithuisplaatsing van een zes weken oude baby. De moeder is al na een zeer korte periode niet in staat gebleken om de door de kinderrechter gestelde voorwaarden na te leven. Hierdoor bestaat onvoldoende vertrouwen dat in de komende periode een voor de minderjarige bestendige situatie zal ontstaan, waarin de moeder in staat zal zijn om hem de stabiele, affectieve en responsieve omgeving te bieden die voor zijn ontwikkeling noodzakelijk is.’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 13 april 2016

Zaaknummer: 200.189.103/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/605474 / JE RK 16-385

in de zaak in hoger beroep van:

Jeugdbescherming regio Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

appellant,

advocaat: mr. D. van der Leij,

tegen

[de moeder] ,

verblijvende in [GGZ instelling] , te [plaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B. Blom te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de gecertificeerde instelling (GI) en de moeder genoemd.

1.2.

De GI is op 11 april 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 11 april 2016 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter), met kenmerk C/13/605474 / JE RK 16-385.

1.3.

De GI heeft op 12 april 2016 nadere stukken ingediend.

1.4.

De zaak is op 13 april 2016 ter terechtzitting in hoger beroep behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de gezinsmanager en een gedragsdeskundige, namens de GI, bijgestaan door hun advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de heer [de vader] (hierna: de vader);

- mevrouw [begeleider] , begeleider van de moeder bij [GGZ instelling] (hierna: [GGZ instelling] );

- mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] , vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

2 De feiten

2.1.

Uit de relatie van de moeder en de vader (hierna tezamen: de ouders) is onder meer geboren [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) [in] 2016. De moeder is belast met het gezag over [minderjarige] .

2.2.

Bij beschikking van 1 maart 2016 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 1 maart 2016 tot 1 maart 2017. Bij die beschikking is het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] afgewezen.

2.3.

Bij beschikking van 31 maart 2016 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend, met ingang van 31 maart 2016 tot 14 april 2016.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de GI tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 1 maart 2017, dan wel voor een periode van zes maanden, afgewezen.

3.2.

De GI verzoekt – na wijziging van haar verzoek ter zitting in hoger beroep –, met vernietiging van de bestreden beschikking, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van zes maanden, althans voor een periode die het hof juist acht.

3.3.

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ter beoordeling aan het hof ligt voor of de kinderrechter het verzoek van de GI tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] terecht en op goede gronden heeft afgewezen.

4.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Overeenkomstig artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4.3.

De GI stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat het in het belang van [minderjarige] is dat de uithuisplaatsing gecontinueerd wordt voor de duur van zes maanden. Bij de moeder is sinds lange tijd sprake van verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek. De kinderrechter heeft de moeder bij beschikking van 1 maart 2016 een laatste kans gegeven om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zelf op zich te nemen, waarbij de moeder zich aan strikte voorwaarden diende te houden. Op 30 maart 2016 heeft de moeder zich niet aan deze voorwaarden gehouden. Door haar handelwijze is zij een onvoorspelbare en onveilige opvoeder voor [minderjarige] gebleken, zodat het op dit moment onverantwoord is dat de moeder de zorg voor [minderjarige] heeft. De GI acht het van belang dat zicht komt op de beschikbaarheid en belastbaarheid van de moeder, zodat onderzocht kan worden in hoeverre de moeder, binnen een aanvaardbare termijn, in staat is om de opvoeding en verzorging van [minderjarige] eventueel weer op zich te nemen. De GI acht onder deze omstandigheden verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van zes maanden noodzakelijk en in het belang van [minderjarige] .

4.4.

De moeder voert verweer. Zij stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat het in het belang van [minderjarige] is, mede gelet op zijn jonge leeftijd, dat hij op dit moment bij haar verblijft en bij haar zal opgroeien. De moeder heeft op 30 maart 2016 weliswaar onhandig gehandeld, maar [minderjarige] is hierdoor niet in gevaar geweest. Behoudens dit incident heeft de moeder zich aan alle voorwaarden, die door de kinderrechter in de beschikking van 1 maart 2016 zijn opgenomen, gehouden. Voorts heeft de moeder zich sinds haar zwangerschap van [minderjarige] onthouden van middelengebruik. Zij heeft daarmee laten zien dat zij veranderd is en thans in staat is om de zorg voor [minderjarige] te dragen. De moeder kan samen met [minderjarige] in [GGZ instelling] verblijven, zodat zij naast haar behandeling, begeleid kan worden bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Gelet hierop dient het verzoek van de GI te worden afgewezen, aldus de moeder.

4.5.

De vader stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat het verzoek van de GI afgewezen dient te worden. De moeder heeft de afgelopen periode laten zien dat het beter met haar gaat en dat zij in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen, zodat [minderjarige] bij de moeder dient te worden teruggeplaatst, aldus de vader.

4.6.

De Raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , alsnog toe te wijzen.

4.7.

Het hof overweegt als volgt.

[minderjarige] is een baby van bijna zes weken oud. De onderhavige zaak betreft dan ook een zeer jong en mede hierdoor bij uitstek kwetsbaar kind. Gelet hierop is het voor [minderjarige] op dit moment noodzakelijk dat hij zich in een stabiele, affectieve en responsieve omgeving bevindt. Een dergelijke omgeving is niet alleen van belang voor een veilige hechting van [minderjarige] , maar is ook van belang voor zijn fysieke en sociaal-emotionele ontwikkeling.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de moeder een belast verleden heeft, dat zich kenmerkt door zowel (langdurige) verslavings- als persoonlijkheidsproblematiek. In het verleden hebben zich korte periodes voorgedaan waarin het beter ging met de moeder, maar daarnaast is ook sprake geweest van periodes van terugval. De moeder heeft twee oudere kinderen die vanaf hun eerste levensjaar uit huis zijn geplaatst en permanent bij hun grootouders wonen. Het gezag van de moeder over haar dochter […] , geboren [in] 2010 (hierna: [dochter] ), is recent beëindigd. Nadat [dochter] geboren is, heeft de moeder met [dochter] in een werktrainingscentrum van [X] verbleven. Deze plaatsing is beëindigd, nadat de moeder was teruggevallen in middelengebruik. Hierna is de moeder behandeld in een afkickkliniek van [Y] in [land] , waarna zij na terugkeer in Nederland met [dochter] bij [Z] heeft verbleven. Nadat bij de moeder opnieuw sprake was van een terugval in drugsgebruik is ook deze plaatsing beëindigd. Begin 2014 is [dochter] met een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een geheim pleeggezin geplaatst.

Gebleken is dat de afgelopen periode voor de moeder een meer bestendige is geweest, waarin zij zich heeft onthouden van middelengebruik, anders dan het gebruik van methadon. Dit heeft de kinderrechter op 1 maart 2016 ertoe bewogen om de moeder nog een laatste kans te geven de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen, zij het onder in de beschikking opgenomen strikte voorwaarden. De kinderrechter heeft in dit verband (onder andere) overwogen dat de moeder de aanwijzingen van de gezinsmanager diende op te volgen en dat de ouders te allen tijde bereikbaar dienden te zijn voor de hulpverlening.

Het incident op 30 maart 2016, waarbij de moeder [minderjarige] bij haar zus in Amsterdam heeft achtergelaten, waarna zij onbereikbaar bleek te zijn voor haar netwerk en de hulpverlening, alsook opnieuw sprake is geweest van alcohol gebruik, maakt duidelijk dat de moeder al na een zeer korte periode niet in staat is gebleken om de door de kinderrechter op 1 maart 2016 gestelde voorwaarden na te leven. Dit alles afwegend maakt dat het hof op dit moment onvoldoende vertrouwen erin heeft dat in de komende periode – die voor de ontwikkeling van [minderjarige] juist van zeer groot belang is – een voor [minderjarige] bestendige situatie zal ontstaan, waarin de moeder in staat zal zijn om [minderjarige] de stabiele, affectieve en responsieve omgeving te bieden die hij nodig heeft. Het hof acht het onder deze omstandigheden dan ook noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend wordt voor de duur van zes maanden. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve vernietigen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tot 13 oktober 2016 verlenen.

4.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, en in zoverre opnieuw rechtdoende;

verleent de in hoger beroep gevraagde machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , geboren [in] 2016, voor de duur van zes maanden, tot 13 oktober 2016;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. A.N. van de Beek en mr. H.A. van den Berg in tegenwoordigheid van mr. H. Sapir als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2016.