Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2037

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
200.180.804/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest.

Appellant toch ontvankelijk ondanks te late betaling griffierecht, toepassing hardheidsclausule artikel 282a lid 4 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2016/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 31 mei 2016

Zaaknummer: 200.180.804/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/228612 / FA RK 15-3874

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,

appellante,

advocaat: mr. B.F. Eblé te Haarlem,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.J.H. Vinke te Hoofddorp.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 20 november 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 augustus 2015 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/228612 / FA RK 15-3874.

1.3.

Bij brief van 25 november 2015 heeft de griffie van dit hof de vrouw medegedeeld dat zij vanaf de indiening van het beroepschrift griffierecht verschuldigd is en zij ervoor zorg dient te dragen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het hof.

1.4.

Op 24 december 2015 is een brief van (de advocaat van) de vrouw ingekomen.

1.5.

Bij brief van 28 december 2015 heeft de griffie van dit hof de vrouw medegedeeld dat zij het verschuldigde griffierecht niet binnen de daarvoor geldende betalingstermijn heeft voldaan en dat zij in de gelegenheid wordt gesteld zich uiterlijk op 11 januari 2016 schriftelijk uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

1.6.

Op 5 januari 2016 is een brief van de man ingekomen.

2 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1.

Ingevolge artikel 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) is de verzoeker het griffierecht verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift en dient de verzoeker ervoor zorg te dragen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de behandeling van de zaak plaatsvindt.

Op grond van artikel 282a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een verzoeker, indien het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan en nadat hij in de gelegenheid is gesteld zich hierover uit te laten, niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek. Op basis van het vierde lid van artikel 282a Rv kan de rechter deze bepaling buiten toepassing laten, indien hij van oordeel is dat de toepassing hiervan, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.2.

Het hof stelt vast dat het beroepschrift op 20 november 2015 is ingediend. Het griffierecht is door de vrouw betaald op 23 december 2015, derhalve vijf dagen na de uiterste betaaldatum (18 december 2015).

2.3.

De (advocaat van de) vrouw verzoekt de te late betaling van het griffierecht verschoonbaar te achten. Ter onderbouwing stelt zij dat zij niet in staat was het griffierecht tijdig te voldoen in verband met ziekte van de advocaat van de vrouw.

2.4.

Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd op zichzelf onvoldoende grond voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 282a lid 2 Rv. De omstandigheid die volgens de vrouw tot de te late betaling heeft geleid, ligt immers in de risicosfeer van de vrouw. Niettemin zal het hof die hardheidsclausule toepassen en een niet-ontvankelijk verklaring achterwege laten. Aangezien de vrouw ruimschoots binnen een termijn van twee weken na het verstrijken van de betalingstermijn het griffierecht heeft voldaan, zou niet-ontvankelijkverklaring leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 282a, vierde lid Rv. Voor het overige wordt voor de aan deze beslissing ten grondslag liggende overwegingen kortheidshalve verwezen naar rechtsoverweging 2.4. van de beschikking van dit hof van 24 november 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:4928).

2.5.

Nu de vrouw in haar hoger beroep kan worden ontvangen, zal aan de man na te noemen verweertermijn worden verleend.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

2.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

3 Beslissing

Het hof:

bepaalt dat de man tot en met 12 juli 2016 een verweerschrift in hoger beroep ter griffie van het hof kan indienen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. A.N. van de Beek en mr. M. Meerman-Padt in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2016.