Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1974

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
25-05-2016
Zaaknummer
200.185.013/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen gerechtsdeurwaarders. De kamer heeft het verzet van klagers tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer, waarbij de klacht van klagers tegen de gerechtsdeurwaarders als kennelijk ongegrond was afgewezen, ongegrond verklaard. Nu niet is gebleken van schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde dan wel van andere gronden die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen, is er geen reden om van het in artikel 39 lid 4 Gdw opgenomen rechtsmiddelenverbod af te wijken. Het hof verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep.

Wetsverwijzingen
Gerechtsdeurwaarderswet 39, geldigheid: 2002-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.185.013/01 GDW

nummer eerste aanleg : 613.2015

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 24 mei 2016

inzake

1. [naam],

gevestigd te [plaats],

2. [naam],

3. [naam]

beiden wonend te [plaats],

appellanten,

gemachtigde: mr. R.S. Namjesky, advocaat te Breda,

tegen

1. [naam],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

2. [naam],

toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [plaats],

3. [naam],

toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [plaats],

geïntimeerden.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellanten (hierna tezamen te noemen: klagers) hebben op 4 februari 2016 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 15 december 2015 (ECLI:NL:TGDKG:2015:221), verzonden op 19 januari 2016.

1.2.

De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van klagers tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer van 23 juni 2015, waarbij de klacht van klagers tegen geïntimeerden (hierna tezamen te noemen: de gerechtsdeurwaarders) als kennelijk ongegrond was afgewezen, ongegrond verklaard.

1.3.

De gerechtsdeurwaarders hebben op 7 maart 2016 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.

1.4.

De zaak is, voor zover het betreft de ontvankelijkheid van klagers in hun hoger beroep, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 7 april 2016. De gerechtsdeurwaarders hebben vooraf schriftelijk te kennen gegeven niet te zullen verschijnen. Namens klagers is klager sub 2. verschenen, vergezeld van de gemachtigde. Beiden hebben het woord gevoerd.

2. Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De ontvankelijkheid van klagers in het hoger beroep

3.1.

Klagers hebben bij brieven van 11 december 2014 en 30 januari 2015 (ingekomen bij de kamer op respectievelijk 16 december 2014 en 3 februari 2015) bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarders. De gerechtsdeurwaarders hebben verweer gevoerd, dat bij de kamer is ingekomen op 16 januari 2015 en 28 mei 2015. De voorzitter van de kamer heeft vervolgens bij beschikking van 23 juni 2015 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Deze beschikking is bij brief van 3 juli 2015 aan klagers toegezonden, waarna klagers bij brief van 10 juli 2015 verzet hebben ingesteld tegen deze beschikking. Het verzetschrift is behandeld op de terechtzitting van 10 november 2015. De kamer heeft bij beslissing van 15 december 2015 het verzet ongegrond verklaard.

3.2.

Artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) bepaalt dat tegen een beslissing van de kamer tot ongegrondverklaring van het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de beslissing waarvan beroep. Van het in voormeld wetsartikel opgenomen rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden afgeweken.

3.3.

Klagers hebben in hun beroepschrift en ter zitting - samengevat weergegeven - betoogd dat de kamer het door klagers ingestelde verzet tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer gegrond had moeten verklaren dan wel dat de beslissing van de kamer zo moet worden gelezen dat de kamer het verzet gegrond en de klacht ongegrond heeft verklaard. De kamer is namelijk inhoudelijk op de zaak ingegaan en is op andere gronden tot de ongegrondverklaring van het verzet gekomen dan de gronden waarop de voorzitter van de kamer de klacht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.

3.4.

Het beroep van klagers op doorbreking van het appelverbod berust derhalve op de stelling dat de kamer op andere gronden tot de ongegrondverklaring van het door klagers ingestelde verzet is gekomen dan de gronden waarop de voorzitter van de kamer de klacht als kennelijk ongegrond heeft afgedaan. Daargelaten de vraag of die omstandigheid voldoende is voor doorbreking van het appelverbod, is het hof van oordeel dat het door klagers feitelijk gestelde niet juist is. De kamer heeft haar beslissing in deze zaak in de kern op dezelfde gronden gebaseerd als de voorzitter van de kamer. Dat de kamer haar beslissing uitgebreider heeft gemotiveerd dan de voorzitter van de kamer, doet daaraan niet af.

Aldus is niet gebleken van schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde dan wel van andere gronden die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen, zodat er geen reden is om van het in artikel 39 lid 4 Gdw opgenomen rechtsmiddelenverbod af te wijken.

3.5.

Het voorgaande leidt ertoe dat klagers niet kunnen worden ontvangen in hun hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 15 december 2015.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2016 door de rolraadsheer.