Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1961

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-05-2016
Datum publicatie
25-05-2016
Zaaknummer
23-003566-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:808, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding van art. 2.7, tweede lid, APV Amsterdam 2008. Verklaringen anoniem gebleven getuigen kunnen niet voor bewijs worden gebezigd. Bewijsverweer verworpen in verband met concrete en specifieke bevindingen verbalisanten, in combinatie met plaats en tijdstip van het waargenomen gedrag en de bij de verdachte aangetroffen op verdovende middelen gelijkende waar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-003566-15

datum uitspraak: 10 mei 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 1 september 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-129309-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

26 april 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 mei 2015 te Amsterdam zich op en/of aan de weg, te weten de Herengracht, heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of 3 van de Opiumwet althans daarop gelijkende waar, en/of slaapmiddelen en/of kalmeringsmiddelen en/of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar te kopen en/of te koop aan te bieden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking van een gevoerd verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om tot een veroordeling te komen, nu de verklaringen van de twee jongens op straat niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt en de eigen waarnemingen van de verbalisanten onvoldoende concreet

en specifiek zijn om tot de conclusie te leiden dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt. Het dossier bevat verklaringen van door de verbalisanten aangesproken - onbekend gebleven – getuigen. Door de verdediging is verzocht deze getuigen te horen, hetgeen niet mogelijk is gebleken, aangezien de identiteit van de getuigen ook bij de verbalisanten niet bekend blijkt te zijn. Dit brengt, gelet op het bepaalde in artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering, mee dat deze verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. In zoverre slaagt het verweer van de raadsman.

Het door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opgemaakte proces-verbaal vermeldt de waarnemingen van beide verbalisanten op de Herengracht te Amsterdam, een plaats die volgens deze verbalisanten bekend staat als een locatie waar verdovende middelen of daarop gelijkende waar worden verhandeld. Die waarnemingen houden in dat de verdachte en een medeverdachte in de nachtelijke uren iedere voorbijganger benaderden, dat zij met personen spraken en deze af en toe vastpakten. Na zijn aanhouding is de verdachte ter plaatse aan zijn kleding onderzocht. Bij hem werden in een sok en in een jaszak een wikkel en drie brokjes met op cocaïne gelijkende waar aangetroffen.

Bovenomschreven bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn voldoende concreet en specifiek om, in samenhang met de plaats waar en het tijdstip waarop de verdachte het waargenomen gedrag vertoonde, alsmede met de bij de verdachte aangetroffen op verdovende middelen gelijkende waar, rechtens aannemelijk te achten dat de verdachte zich op de Herengracht heeft opgehouden om toen en daar die waar te koop aan te bieden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 mei 2015 te Amsterdam zich op de weg, te weten de Herengracht, heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om op middelen als bedoeld in art. 2 van de Opiumwet gelijkende waar te koop aan te bieden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht - indien het hof de verdachte niet vrijspreekt - de twee onbekend gebleven jongens als getuige te doen horen.

Het hof zal dit verzoek afwijzen, reeds omdat bij de politie geen persoonsgegevens van deze getuigen bekend zijn en het daardoor onaannemelijk is dat zij binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van het bepaalde bij artikel 2.7, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot twee weken hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft met zijn handelen overlast en hinder veroorzaakt op de openbare weg. In het nadeel van de verdachte neemt het hof in aanmerking dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 april 2016, veelvuldig ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een hechtenis van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 2.7 en 6.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 Amsterdam en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 2 (twee) weken.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. S.W.M. Stevens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

10 mei 2016.