Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1947

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
200.178.533/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging ex art 351 Rv afgewezen.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2017:258, ECLI:NL:GHAMS:2017:3280, ECLI:NL:GHAMS:2017:4956 en ECLI:NL:GHAMS:2018:3490 en ECLI:NL:GHAMS:2019:2047.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.178.533/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/14/154647/HA ZA 14-190

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 mei 2016

inzake

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellante sub 2],

wonend te [woonplaats ] , gemeente [gemeente ] ,

appellanten in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. E.A.C. Nijhof-Top te Zeewolde,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonend te [woonplaats ] , gemeente [gemeente ] ,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat: mr. K. Dirlik te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna ook [appellanten] en [geïntimeerden] genoemd.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 5 oktober 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 juli 2015, dat is gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [appellanten] als gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven tevens incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het bestreden vonnis, met producties;

- memorie van antwoord in het incident, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 25 februari 2016 doen bepleiten, [appellanten] door mr. Nijhof-Top voornoemd en [geïntimeerden] door mr. Dirlik voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht (twee producties aan de zijde van [appellanten] en vier aan de zijde van [geïntimeerden] ). Naar aanleiding van ter zitting gemaakte afspraken heeft mr. Dirlik op 29 februari 2016 een kleurenkopie van processtuk 7 van het procesdossier (proces-verbaal in eerste aanleg van 2 maart 2015) aan het hof en de wederpartij verstrekt.

[appellanten] hebben incidenteel gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep op de voet van artikel 351 Rv zal schorsen totdat het hof in appel arrest heeft gewezen, met beslissing over de proceskosten, nakosten en rente.

[geïntimeerden] hebben daarop geantwoord en geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten vermeerderd met rente.

Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

2 Beoordeling

in het incident

2.1.

Het gaat hier, voor zover in het incident van belang, om het volgende.

2.1.1.

[appellanten] hebben in 2007 gekocht en in eigendom verkregen een perceel met opstal, staande en gelegen aan de [adres 1] , gemeente [gemeente ] , kadastraal bekend als Wieringermeer (thans Hollands Kroon), sectie [sectie] , perceel [perceel A] , hierna aan te duiden als [adres 1] .

2.1.2.

[geïntimeerden] hebben in 2010 gekocht van de Wooncompagnie en in eigendom

verkregen een perceel met opstal, staande en gelegen aan de [adres 2] , gemeente [gemeente ] , kadastraal bekend als Wieringermeer (thans Hollands Kroon), sectie [sectie] , perceel [perceel B] en een achtererf met loods, kadastraal bekend als Wieringermeer (thans: Hollands Kroon), sectie [sectie] , perceel [perceel C] . Hierna zal dit tezamen worden aangeduid als [adres 2] .

2.1.3.

[adres 2] en [adres 1] liggen naast elkaar, partijen zijn buren van

elkaar. [geïntimeerden] bewonen de woning op [adres 2] . [appellanten] gebruiken het pand op [adres 1] als bruidswinkel met atelier, met op de bovenverdieping een appartement.

2.1.4.

De eigendom van [adres 2] lag tot 1975 bij de gemeente en van 1975 tot 2010 bij de Wooncompagnie als opvolgend verkrijger. [adres 2] werd tot 1991 verhuurd aan de heer [A] (hierna: [A] ), die het pand (ook) heeft laten bewonen door zijn werknemer(s). Vanaf 1991 hebben [geïntimeerden] het pand ter bewoning gehuurd van de Wooncompagnie, tot het moment dat zij in 2010 tot aankoop ervan overgingen.

2.1.5.

Op [adres 1] staat een pand, dat in 1970 daar is gebouwd. De oorspronkelijke zijgevel hiervan bestond uit een stenen muur en kruist op een bepaald punt de kadastrale erfgrens. Dientengevolge ligt het pand van [adres 1] deels tegen de kadastrale erfgrens aan (het deel aan de achterzijde) en deels over de kadastrale erfgrens heen ten nadele van [adres 2] (het deel aan de voorzijde). Aan de uiterste voorzijde van het pand van [adres 1] in huidige vorm bedraagt de overbouw op grondniveau 32 centimeter.

2.1.6.

De eigendom van [adres 1] lag van 1984 tot 2004 in handen van [A] (en/of diens zoon). [geïntimeerden] huurden [adres 1] van 1992 tot 2004 van [A] en gebruikten het pand als bloemisterij.

2.1.7.

Op 11 september 2007 heeft de gemeente aan [appellanten] een bouwvergunning verleend voor het veranderen van de gevels (en de indeling) van het pand op [adres 1] . Het besluit van de gemeente vermeldt onder het kopje ‘Aandachtspunten ten aanzien van het Bouwbesluit’ onder meer onder 1. en 4. algemene aanwijzingen van vereisten waaraan deuren op tekening die dienst moeten doen als nooduitgang moeten voldoen.

2.1.8.

In 2011 hebben [appellanten] een tweede vergunning aangevraagd voor het bouwen van een bovenverdieping, tegen welke aanvraag [geïntimeerden] geen bezwaar hebben gemaakt en welke vergunning op 25 augustus 2011 is verleend. Daarna hebben [appellanten] in september 2012 nogmaals een vergunning aangevraagd, welke aanvraag in 2014 weer is ingetrokken en heeft geleid tot een intrekkingsbesluit van de gemeente. De wijzigingen die [appellanten] hebben doorgevoerd aan het pand van [adres 1] wijken af van de vergunning van 25 augustus 2011.

2.1.9.

Bij e-mailbericht van 29 juli 2012 hebben [geïntimeerden] onder meer aan [appellanten] geschreven dat de oorspronkelijke stenen zijgevel van het pand van [adres 1] de erfgrens is en dat alles wat daarbuiten steekt moet worden verwijderd. Op 18 december 2013 heeft een kadastrale grensreconstructie plaatsgevonden. De daarbij vastgestelde erfgrens (hierna: de kadastrale erfgrens) is niet in geschil tussen partijen.

2.1.10.

[appellanten] hebben over de gehele lengte van de oorspronkelijk stenen zijgevel van het pand [adres 1] heen een betimmering aangebracht, bestaande uit kunststof schroten. De buitenkant van deze schroten steken in het horizontale vlak 4 centimeter uit, gemeten vanaf de oorspronkelijke stenen muur. De voormalige etalageruiten in de zijgevel zijn dichtgemaakt met gipsplaten. Aan de buitenkant van het pand zijn daaroverheen voornoemde schroten aangebracht.

2.1.11.

In de zijgevel van het pand op [adres 1] bevindt zich een deur, die naar

buiten opent over de kadastrale erfgrens heen, ten nadele van [adres 2] . [appellanten] gebruiken deze deur als nooddeur en als secundaire in- en uitgang, alsmede voor ventilatie voor het daarachter gelegen atelier.

2.1.12.

Aan de zijgevel van het pand op [adres 1] bevindt zich boven het erf van

[adres 2] een brievenbus en een afvoerpijp van de centrale verwarming, die beide niet meer in gebruik zijn. Tevens is op de zijgevel een klein ventilatierooster aangebracht, waar de wc van [adres 1] op uitkomt. Dit rooster is nog in gebruik.

2.1.13.

Tegen de zijgevel van het pand op [adres 1] heeft [appellanten] een

camera bevestigd, die zich boven het erf van [adres 2] bevindt, is gericht naar de

nooddeur en zicht geeft op een deel van het perceel van [geïntimeerden]

2.1.14.

Op het erf van [adres 2] liggen in de grond rioolbuizen met een putje die vanuit het pand op [adres 1] komen. Deze zijn rond 1992/1993 door [A] aangebracht, toen in pand [adres 1] een wc is gebouwd. Voordien werd voor het pand op [adres 1] gebruik gemaakt van de wc van het pand op [adres 2] .

2.1.15.

In de huidige situatie bevindt zich onder het pand van [adres 1] een eigen riolering. In het pand ligt een oliedichte betonvloer.

2.1.16.

[appellanten] hebben bovenop het oorspronkelijke, tegen de muur vlak

aangebrachte boeideel zoals dat was ten tijde van de huur van [adres 1] door

[geïntimeerden] (groen op de foto van productie D bij het proces-verbaal van 2 maart 2015) in 2008 voor het eerst een boeideel aangebracht en daar nog weer bovenop in 2012 een tweede boeideel.

2.1.17.

Bij brief van 16 april 2014 heeft de advocaat van [geïntimeerden] , kort gezegd, [appellanten] gesommeerd de overbouw te staken en gestaakt te houden.

2.1.18.

Vanaf medio mei 2014 hebben [appellanten] een dakopbouw laten plaatsen.

2.1.19.

[geïntimeerde sub 2] heeft een progressieve ziekte, die op termijn tot

gebondenheid aan een rolstoel zal leiden. [geïntimeerden] willen een aanbouw maken aan hun woning om daar een mantelzorgkamer te bouwen.

2.2.

Voor zover in het incident van belang, heeft de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van [geïntimeerden] in conventie als volgt beslist:

“5.1. verklaart voor recht dat het gehele perceel [adres 2] tot aan de stenen zijgevel

van het oorspronkelijke pand uit 1970 gelegen op [adres 1] de volle en onbelaste

eigendom is van [geïntimeerden] en hij met uitsluiting van eenieder bevoegd is om van dit

perceel gebruik te maken,

5.2.

gebiedt [appellanten] hoofdelijk om binnen vier maanden na betekening van dit

vonnis op eigen kosten de navolgende (bouw)werken en/of objecten te verwijderen en

verwijderd te houden:

- het deel van de dakgoot hoek- en zijgevel voor zover uitstekend voorbij de oorspronkelijke

stenen zijgevel uit 1970;

- de hoek voor-/zijgevel wandbetimmering voor zover uitstekend voorbij de kadastrale

erfgrens;

- het aangebrachte tweede en derde boeideel aan de zijgevel;

- de aangebrachte CV in/uitlaat in de zijgevel;

- het hek, de stootbandjes, de paalfundering alsmede het grind, in die zin dat verwijderd

moet worden hetgeen zich op het perceel [adres 2] bevindt buiten een in het verlengde

van de zijgevel liggende en daaruit door te trekken denkbeeldige rechtlopende lijn;

- de brievenbus aan de zijgevel;

- de camera aan de dakgoot/zijgevel van het pand van [appellanten] ,

5.3.

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om binnen vier maanden na betekening van

dit vonnis op eigen kosten de nooddeur te verwijderen en de opening dicht te metselen,

5.4.

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om binnen vier maanden na betekening van

dit vonnis, op eigen kosten de aanwezige (riolerings)buizen en de (erfgrens)put te

verwijderen en verwijderd te houden en de grond in de oorspronkelijke staat terug te

brengen,

5.5.

bepaalt ten aanzien van de geboden onder 5.2, 5.3 en 5.4 dat zulks dient te

geschieden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag (een

dag deel daaronder begrepen) dat gedaagden dit gebod overtreden met een maximum van

€ 10.000,00,

5.6.

verbiedt [appellanten] hoofdelijk met onmiddellijke ingang om van het perceel

[adres 2] gebruik te maken of te doen laten gebruiken door er over heen te (laten)

lopen, met de fiets of een (motor)rijtuig er over heen te (laten) gaan of deze en/of andere

(roerende) objecten op dit perceel te (laten) plaatsen of het perceel te (laten) blokkeren met

objecten, anders dan ter uitvoering van bovenstaande geboden, dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag (een dagdeel daaronder

begrepen) dat gedaagden dit verbod overtreden, met een maximum van € 10.000,00,

5.7.

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk tot betaling aan [geïntimeerden] van een

bedrag ad € 580,-- aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente

over de periode vanaf de dag der dagvaarding tot en met de dag van de algehele voldoening,

5.8.

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerden] tot

op heden begroot op € 1.735,74, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met

ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.9.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar hij voorraad,

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.”

2.3.

Ter onderbouwing van hun incidentele vordering voeren [appellanten] , samengevat, aan dat het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen op klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslagen berust. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank haar oordeel ten onrechte (mede) gebaseerd op stukken waarvan zij geen kennis heeft genomen (de bouwvergunning van 25 augustus 2012 en het e-mailbericht van [geïntimeerden] van 29 juli 2012), omdat die stukken niet in het geding zijn gebracht. Daarnaast hebben [appellanten] betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat ten aanzien van de rioolbuizen en de erfgrensput door verjaring een erfdienstbaarheid van riool althans afvoer is ontstaan en dat ten aanzien van de nooddeur door verjaring een recht van uitweg is ontstaan. Verder verwijzen [appellanten] in het algemeen naar de door hen aangevoerde grieven. Naast de gestelde misslagen voeren [appellanten] aan dat hun belang bij de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerden] bij de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voordat in hoger beroep eindarrest is gewezen. Tenuitvoerlegging van het vonnis zal namelijk meebrengen dat [appellanten] vrijwel de gehele zijkant van hun huis en een groot deel van de dakopbouw moeten afbreken als gevolg van een vermeende overbouw die volgens hen niet groter is dan 2 á 3 cm. Daar komt nog bij dat, indien de schroten aan de zijgevel moeten worden verwijderd, de gipsplaten in de kozijnen van de voormalige etalageruiten bloot komen te liggen, waardoor het pand van [appellanten] niet meer voldoende geïsoleerd zal zijn. Ook zullen [appellanten] als gevolg van het vonnis de in de grond van [geïntimeerden] aanwezige rioolbuizen en de erfgrensput moeten verwijderen. Hoewel onder het pand van [appellanten] een riolering aanwezig is, kunnen [appellanten] die riolering niet gebruiken omdat zij dan in strijd handelen met de verplichting van de gemeente Hollands Kroon om regenwater en vuilwater gescheiden aan te leveren. [appellanten] hebben ter onderbouwing van hun stellingen een verklaring van een aannemer overgelegd (productie 1 bij pleidooi in incident) waaruit blijkt dat het lastig en kostbaar zal zijn om een extra riool onder het pand van [appellanten] aan te leggen en dat het bouwen van een mantelzorgkamer op de (onder de grond uitstekende) funderingsplaat van [geïntimeerden] niet mogelijk zal zijn omdat de fundering dan te zwaar wordt belast en doorzakking kan optreden. Ook de verplichting tot het verwijderen van de nooddeur in de zijgevel levert strijd op met het gemeentelijke Bouwbesluit, waarin staat dat ruimtes twee uitgangen moeten hebben. Ter onderbouwing hiervan verwijzen [appellanten] naar een als productie 2 bij pleidooi in incident overgelegde verklaring van een medewerker van de gemeente Hollands Kroon. De werkzaamheden waartoe het vonnis verplicht leveren een onomkeerbare kostenpost van ongeveer € 40.000,- op, nog afgezien van de waardevermindering van het pand van [appellanten] [geïntimeerden] hebben daar tegenover geen enkel belang bij tenuitvoerlegging van het vonnis zolang niet in hoger beroep eindarrest is gewezen, reeds omdat de verbouwing die [geïntimeerden] voor ogen staat (de aanbouw van een mantelzorgkamer tot 1 cm voor de zijgevel van [appellanten] ), niet mogelijk is in verband met de nutsleidingen van Liander die op een meter afstand van de zijgevel van het pand van [appellanten] in de grond liggen en die niet verwijderd mogen worden, aldus steeds [appellanten]

2.4.

[geïntimeerden] voeren verweer op gronden die hierna, voor zover van belang, zullen worden weergegeven.

2.5.

Uitgangspunt bij de beoordeling van de incidentele vordering is dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep slechts plaats is indien tenuitvoerlegging misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Een dergelijk misbruik zal aan de orde zijn indien de executant, mede gelet op de - voor hem kenbare - belangen van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Hiervan kan in het bijzonder sprake zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis ten uitvoer wordt gelegd. Daarbij behoort de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

2.6.

Ten aanzien van de vermeende ontbrekende stukken merkt het hof op dat deze zich in het procesdossier in eerste aanleg bevinden (de bouwvergunning van 25 augustus 2012 is als productie 3 bij de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie overgelegd en het e-mailbericht van [geïntimeerden] van 29 juli 2012 is als productie 2 bij de dagvaarding in eerste aanleg overgelegd). Er is in zoverre dus geen misslag. De overige gestelde misslagen vereisen een inhoudelijke beoordeling van de door [appellanten] aangevoerde grieven, waartegen het prognoseverbod zoals vermeld aan het slot van r.o. 2.5 zich verzet. Dat ter zake van een klaarblijkelijke misslag kan worden gesproken is niet gebleken. Voor zover [appellanten] nog hebben aangevoerd dat [geïntimeerden] het vonnis verkeerd interpreteren en om die reden op onjuiste gronden dwangsommen innen, betreft dat een verwijt aan het adres van [geïntimeerden] dat in een eventueel executiegeschil aan de orde kan worden gesteld. Dat verwijt ziet niet op een klaarblijkelijke misslag in het bestreden vonnis van de rechtbank. Er is derhalve niet gebleken dat het bestreden vonnis op een klaarblijkelijke juridische en/of feitelijke misslag berust.

2.7.

Behoudens het gestelde over de nooddeur, waarover verder r.o 2.9, is niet gebleken van feiten en omstandigheden die zich na het bestreden vonnis hebben voorgedaan en aldus niet door de rechtbank in aanmerking konden worden genomen.

2.8.

Vervolgens is de vraag aan de orde of [geïntimeerden] tegenover de belangen van [appellanten] , geen rechtens te respecteren belang hebben bij tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voordat in hoger beroep is beslist, dan wel dat executie een noodtoestand voor [appellanten] oplevert. Niet in geschil is dat [appellanten] op een aantal punten reeds aan het bestreden vonnis hebben voldaan. Waar het [appellanten] met name om gaat zijn de verplichtingen tot het verwijderen van de dakopbouw en de schroten aan de zijgevel van hun woning, het verwijderen van de rioolbuizen en de erfgrensput onder het perceel van [geïntimeerden] en het verwijderen van de nooddeur.

2.9.

Dat de dakopbouw en de aan de zijgevel van het pand van [appellanten] bevestigde schroten een overschrijding van de erfgrens van enkele centimeters oplevert is niet in geschil. Naar het oordeel van het hof kan ook van een overschrijding van een paar centimeters in beginsel verwijdering gevorderd worden door [geïntimeerden] als eigenaren van [adres 2] . Voorts kan niet gezegd worden dat [geïntimeerden] geen enkel belang hebben bij verwijdering van bedoelde dakopbouw en schroten, gezien de progressieve ziekte van [geïntimeerde sub 2] en het daarmee samenhangende belang van [geïntimeerden] om hun eigendom volledig te kunnen benutten om een mantelzorgkamer te realiseren, ongeacht het stadium waarin haar ziekte op dit moment verkeert. De omstandigheden dat door het verwijderen van de schroten de gipsplaten in de kozijnen van de vroegere etalageruiten bloot komen te liggen, en dat deze verwijdering mogelijk tot een waardevermindering van het pand zal leiden, wegen niet op tegen de belangen van [geïntimeerden] bij tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis teneinde hun eigendom te kunnen benutten. Voor het realiseren van de beoogde mantelzorgkamer liggen ook de rioolbuizen en de erfgrensput van [appellanten] in de weg. [appellanten] stellen dat zij van dat riool afhankelijk zijn omdat de gemeente hen verplicht om regenwater en vuilwater gescheiden aan te leveren, waarvoor zij verwijzen naar de bouwvergunning van 25 augustus 2012. Nog daargelaten dat [geïntimeerden] gemotiveerd hebben betwist dat deze verplichting voor [appellanten] geldt, vermeldt de bouwvergunning (op pagina 2, onder “Voorschriften Bouwverordening” sub 2) dat het regenwater en vuilwater “zoveel mogelijk” gescheiden moet worden aangeleverd. Van een harde verplichting en dus een noodtoestand als gevolg van het bestreden vonnis is daarom geen sprake. Dat het realiseren van de mantelzorgkamer reeds onmogelijk is in verband met de in de grond aanwezige nutsleidingen, hebben [geïntimeerden] eveneens gemotiveerd betwist. Onder verwijzing naar een brief van Liander van 25 november 2015 (productie 1 bij memorie van antwoord in incident) hebben [geïntimeerden] aangevoerd dat de nutsleidingen tegen betaling door Liander kunnen worden verplaatst. Dat het plaatsen van (nog) een riolering onder de woning van [appellanten] volgens de door [appellanten] ingeschakelde aannemer lastig en kostbaar zal zijn, is onvoldoende om tot toewijzing van de incidentele vordering te kunnen leiden. Tegenover het gestelde gevaar van verzakking van de woning van [geïntimeerden] door de bouw van de mantelzorgkamer hebben [geïntimeerden] een verklaring van een aannemer ( [X] , productie 1 bij pleidooi in incident) in het geding gebracht, waarin, naar het hof begrijpt, een garantie tegen verzakking wordt afgegeven. Gelet daarop is het gestelde verzakkingsgevaar onvoldoende aannemelijk geworden. Ten aanzien van de nooddeur geldt dat de rechtbank in haar vonnis geen rekening heeft kunnen houden met de door [appellanten] gestelde verplichting voor het hebben van twee deuren. [appellanten] hebben evenwel onvoldoende onderbouwd dat de aanwezigheid van een nooddeur op de plek waar die nu zit verplicht is gesteld en dat verwijdering daarvan een noodtoestand zal opleveren. De stellingen van [appellanten] kunnen al met al niet leiden tot de conclusie dat [geïntimeerden] misbruik maken van bevoegdheid door over te gaan tot tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, of dat zulks een noodtoestand oplevert.

2.10.

Uit het vorenstaande volgt dat de incidentele vordering zal worden afgewezen. Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

2.11.

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerden]

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering van [appellanten] af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 28 juni 2016 voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerden] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, C. Uriot en H.J.M. Boukema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2016.