Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1946

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2016
Datum publicatie
20-05-2016
Zaaknummer
23-000647-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Zaak “Passage”. Voorlopige hechtenis van kroongetuige (in de zin van art. 226g Sv.) en aan die getuige gedane toezeggingen. Is het openbaar ministerie gehouden om over het al dan niet tenuitvoerleggen van die hechtenis en hetgeen daaromtrent aan de getuige mogelijk is toegezegd (op voorhand) verantwoording af te leggen aan de rechter in de zaak waarin de getuige verklaart? Beslissing op een daartoe strekkend verzoek van medeverdachten in wier zaken de kroongetuige verklaart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 20 mei 2016.

Tegenwoordig zijn:

mr. R. Veldhuisen, voorzitter,

mr. R.P.P. Hoekstra en mr. R.M. Steinhaus, leden,

mrs. A. Binken en M. Rasterhoff, griffier.

[...]

De voorzitter deelt als overwegingen en beslissing van het hof het volgende mede.

[...]

Garantie op transparantie

Namens de verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] is verzocht dat het hof de advocaat-generaal zal opdragen opening van zaken te geven over de (executie van de) voorlopige hechtenis van de verdachte [getuige] , thans en in de toekomst. De raadsman van de verdachte [verdachte 3] heeft zich aangesloten bij dit verzoek en de gronden waarop het berust.

Het verzoek veronderstelt blijkens de daaraan gegeven onderbouwing dat het al dan niet tenuitvoerleggen van de voorlopige hechtenis van de verdachte [getuige] door het Openbaar Ministerie zowel in het heden als in de toekomst door de advocaat-generaal welbewust is c.q. zal worden onttrokken aan het zicht van het hof, zowel in het kader van diens eigen strafzaak als in de strafzaken tegen de verdachten waarin [getuige] als kroongetuige heeft verklaard en nog zal verklaren.

De opportuniteit van het verzoek is gelegen in de volgens de verdediging snel naderbij komende datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling van [getuige] , waarbij de verdediging bij de bepaling van die datum veronderstellenderwijs is uitgegaan van toekomstige strafoplegging door het hof, overeenkomstig de door het Openbaar Ministerie met [getuige] afgesproken vordering tot oplegging van gevangenisstraf. Het is volgens de verdediging ondenkbaar dat [getuige] langer in voorlopige hechtenis zal (willen) verblijven dan tot de dag waarop de aldus door de verdediging veronderstelde gevangenisstraf expireert, terwijl niettegenstaande die nakende datum tot dusver niet is gebleken van een (voornemen tot het doen van een) vordering van de advocaat-generaal dan wel verzoek van de verdachte [getuige] , strekkend tot opheffing van diens voorlopige hechtenis. Het moet daarom ervoor worden gehouden dat het Openbaar Ministerie in weerwil van hetgeen de wettelijke regeling voorschrijft buiten het hof om [getuige] in vrijheid gaat stellen, zo [getuige] niet al reeds in vrijheid ís gesteld.

Het verzoek, dat zich naar de lezing van het hof laat duiden als een verzoek tot garantie op transparantie, is in de kern gegrond op drie pijlers.

In de eerste plaats is (iedere toezegging tot) de invrijheidstelling van de verdachte [getuige] aan te

merken als relevant in het bestek van de door het hof (ambtshalve en na gevoerde verweren)

te verrichten rechtmatigheidstoetsing van de door het Openbaar Ministerie met [getuige] als

kroongetuige gemaakte afspraken (in de betekenis van het Wetboek van Strafvordering,

Tweede Boek, Vierde Afdeling B). Voorts kan iedere afspraak of toezegging daaromtrent

raken aan de verklaringsbereidheid van de kroongetuige [getuige] en derhalve aan de

betrouwbaarheidstoetsing van de door hem afgelegde verklaringen. Tot slot kan (iedere

toezegging tot) de invrijheidstelling van [getuige] een schending opleveren van – naar het hof de

verdediging begrijpt – zekere beginselen van behoorlijke procesorde. Op al deze gronden is

volgens de verdediging thans het moment aangebroken dat het Openbaar Ministerie –in de

woorden van die verdediging– met de billen bloot moet.

Daarom dient het hof – waar de advocaat – generaal zulks kennelijk niet uit eigener beweging doet – hem te bevelen dat hij thans volkomen transparantie betracht en in de toekomst zal betrachten, aldus samengevat het verzoek en de daaraan gegeven onderbouwing.

De advocaat-generaal heeft zich tegen toewijzing van het verzoek verzet en hij heeft onder het

doen van de mededeling ter terechtzitting dat de verdachte [getuige] niet in vrijheid is gesteld

– samengevat – het volgende betoogd.

Het is vanzelfsprekend dat het Openbaar Ministerie wetsconform handelt, en er bestaat geen

noodzaak dat het Openbaar Ministerie van iedere handeling of beslissing aan de rechter

vóóraf aankondiging doet of vóóraf verantwoording aflegt, en al helemaal niet aan

(raadslieden van) medeverdachten. Het handelen van het Openbaar Ministerie komt uit de

aard daarvan eerst achteraf voor rechtmatigheids- en behoorlijkheidstoetsing in aanmerking,

aldus de advocaat-generaal.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat indien zich hier het geval voordoet waarin het

Openbaar Ministerie met [getuige] – in diens hoedanigheid van verdachte of van getuige –

afspraken heeft gemaakt of aan hem een toezegging heeft gedaan die (mede) in het licht van

de vigerende wettelijke regeling van het Wetboek van Strafvordering, Tweede Boek, Vierde

Afdeling B en de met die regeling nagestreefde waarborgen redelijkerwijs (ook door [getuige] )

kunnen worden aangemerkt of begrepen als een tegenprestatie of tegemoetkoming voor zijn

verklaren als getuige in zekere strafzaken, het alsdan vanzelfsprekend op de weg van het

Openbaar Ministerie ligt dat het bij monde van de advocaat-generaal het hof daaromtrent in

beginsel inlicht, opdat het hof (ook) al die gegevens kan betrekken bij de door

het hof te verrichten rechtmatigheids- en betrouwbaarheidstoetsingen, ambtshalve of naar

aanleiding van ter zake door of namens de verdachten te voeren verweren.

Het hof bezigt het begrip in beginsel, omdat het in het algemeen niet geheel ondenkbaar is dat de wijze van tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis van een getuige die in een beschermingsprogramma is of zal worden geplaatst feitelijk zal kunnen afwijken van de reguliere wijze van tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis. Voor zover die afwijkingen rechtstreeks samenhangen met hetgeen voortvloeit uit eisen van doelmatige getuigenbescherming ligt onthulling daarvan door de advocaat-generaal niet in de rede.

Vanzelfsprekend, omdat bij uitstek de advocaat-generaal op grond van de aan hem bij wet

opgedragen taak gehouden is om al hetgeen van betekenis kan zijn voor de door het hof te

geven (eind)beslissingen tijdig aan het hof (en aldus ook aan de daarvoor in aanmerking

komende verdachten en hun raadslieden) ter kennis te brengen. Daarbij heeft als uitgangspunt

te gelden dat in het licht van de even bedoelde taakstelling de advocaat-generaal die

transparantie zal hebben te betrachten op het in zijn ogen daarvoor in aanmerking komende

moment, doch in elk geval uiterlijk bij gelegenheid van zijn requisitoir of zoveel eerder als

redelijkerwijs voor hem voorzienbaar nodig is met het oog op door het

hof te verrichten of te bevelen onderzoek en/of daarover te voeren debat door partijen ter

terechtzitting. Voorts is het denkbaar dat de op het spel staande belangen van

de verdachten [verdachte 2] , [verdachte 3] en [verdachte 1] vergen dat hij die transparantie onverwijld betracht.

In hetgeen namens de verdachten is aangevoerd vindt het hof geen grond om in afwijking van

het hiervoor omschreven uitgangspunt aan de advocaat-generaal op te dragen de openheid te verschaffen over hetgeen door het Openbaar Ministerie met de verdachte [getuige] mogelijk is gewisseld, toegezegd of afgesproken over (het voortduren van) diens voorlopige hechtenis.

Uit het voorgaande vloeit bovendien voort dat er evenmin een grond bestaat

– wat daarvan overigens in strafvorderlijke zin ook zij – voor het geven van enige opdracht of

het doen van enige aanbeveling door het hof aan de advocaat-generaal over de door hem te

bewandelen weg in het geval waarin bij de advocaat-generaal het voornemen bestaat om de

verdachte [getuige] uit diens voorlopige hechtenis in vrijheid te stellen.

Dit een en ander voert tot de slotsom dat het verzoek wordt afgewezen.