Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1923

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
200.162.809/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Vernietiging leaseovereenkomst op grond van artikel 1:88 en 1:89 BW door echtgenote. Bewijsvermoeden dat echtgenote eerder dan drie jaren vóór de vernietigingsbrief op de hoogte was van de leaseovereenkomst is voldoende ontzenuwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.162.809/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: 2865926 DX 14-62

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 mei 2016

inzake

[X]

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen:

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [X] en Dexia genoemd.

[X] is bij dagvaarding van 8 januari 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 23 oktober 2014, onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen in een procedure krachtens artikel 96 Rv tussen [X] en Dexia. Partijen hebben zich expliciet het recht voorbehouden om in hoger beroep te komen van dit vonnis.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte uitlating van [X] ;

- antwoordakte van Dexia.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[X] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en voor recht zal verklaren dat de onderhavige leaseovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd en - uitvoerbaar bij voorraad - Dexia zal worden veroordeeld te voldoen al hetgeen door [X] aan haar is betaald onder deze leaseovereenkomst, met rente, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.

Dexia heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten, met nakosten.

[X] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.5 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen.

3 Beoordeling

3.1

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. [X] heeft tijdig een opt-out verklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt.

3.2

Deze procedure ziet op de door [X] met Dexia op 10 augustus 1999 gesloten leaseovereenkomst genaamd WinstVerdubbelaar met contractnummer [1] en de verlenging daarvan, waarvan de echtgenote van [X] ( [Y] , hierna: [Y] ) bij brief van 25 januari 2005 de nietigheid heeft ingeroepen. Dexia beroept zich op verjaring van de rechtsvordering van [Y] tot vernietiging daarvan.

Nu de verlengingsovereenkomst van 29 juli 2002 binnen de verjaringstermijn van drie jaren is vernietigd ziet het navolgende uitsluitend op de leaseovereenkomst.

3.3

De leaseovereenkomst moet worden aangemerkt als overeenkomst van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88, lid 1 aanhef en onder d BW. [Y] heeft op grond van artikel 1:89, lid 1 BW het recht de leaseovereenkomst te vernietigen, omdat zij voor het aangaan daarvan door [X] geen schriftelijke toestemming heeft gegeven.

3.4

Naar vaste jurisprudentie geldt het volgende. Uit artikel 3:52, lid 1 aanhef en onder d BW in samenhang met artikel 1:89, lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52, lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd. De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de betrokken echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rust de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot kan worden afgeleid. Grief 1 faalt dan ook.

3.5

De kantonrechter heeft naar aanleiding van het verzoek ex artikel 96 Rv de echtelieden als getuigen gehoord en vervolgens in het bestreden vonnis een bewijsvermoeden ten gunste van Dexia aangenomen en geoordeeld dat er onvoldoende aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat [X] er in is geslaagd dit bewijsvermoeden te weerleggen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de getuigenverklaringen ongeloofwaardig zijn en dat ervan moet worden uitgegaan dat [Y] al eerder dan drie jaar vóór de vernietigingsbrief van 25 januari 2005 daadwerkelijk met de leaseovereenkomst bekend was.

3.6

Tegen laatstgenoemde beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [X] op met zijn grieven 2 en 3. Naar het hof begrijpt zijn de grieven 4 en 5 subsidiair geformuleerd.

3.7

De kantonrechter heeft het bewijsvermoeden dat [Y] eerder dan drie jaar voor de datum van de vernietigingsbrief wetenschap heeft gehad van de leaseovereenkomst aangenomen op grond van de betalingen uit hoofde van de leaseovereenkomst vanaf een rekening die op naam van [Y] stond.
[Y] heeft als getuige bij de kantonrechter verklaard, voor zover hier van belang:

“(…) Ik begreep later dat de inleg van mijn rekening werd gehaald. Van mijn rekening deed ik de boodschappen en de rekeningen die wij hadden waren sowieso een pot nat. Op mijn eigen rekening werd mijn salaris gestort. Ik deed de boodschappen een keek nooit op de rekening. Ik keek nooit op die rekening. (…) Er waren bankrekeningen van de kinderen en enkele bankrekeningen van ons. Hoeveel precies, dat weet ik niet. Er was ook nog een spaarrekening. Ik was niet op de hoogte van de hoeveelheid spaargeld. Ik had geen beeld van de financiële positie. Wij hebben samen nooit de financiën in beeld gebracht. Ik wist niet dat er belegd werd. U houdt mij voor dat er gespeculeerd werd met mijn geld. Ik wist het niet.
Ik heb een bankpas van mijn eigen rekening. Ik keek nooit bij de geldautomaat naar de stand van de rekening. Mijn man deed de overboekingen van mijn rekening. Ik nooit. Tussen 1999 en september 2002 heb ik nooit iets aan de financiën, administratie gedaan.(…)”

[X] heeft als getuige bij de kantonrechter verklaard, voor zover hier van belang:

“(…) De inleg kwam van een bankrekening die op naam stond van alleen mijn vrouw. Op die rekening werd haar salaris gestort. We zijn in gemeenschap van goederen getrouwd en het was eigenlijk om het even waar het van betaald werd. We hadden ook een andere rekening waar de vaste lasten van werden betaald. Als ik de boodschappen deed, dan deed ik dat van de en/of-rekening. Als mijn vrouw dat deed, ging het van haar rekening. De inleg kwam van haar rekening, omdat daar meer geld op bleef staan. Daar was ruimte voor. Mijn salaris werd op de en/of-rekening gestort. Mijn vrouw had haar eigen rekening nog van de tijd van voor ons huwelijk. Er was geen speciale reden waarom het salaris van mijn vrouw gestort bleef op haar eigen rekening en niet op de en/of-rekening en mijn salaris naar de en/of-rekening ging. Meer kan ik er niet over zeggen.
Mijn vrouw had een bankpas van haar eigen rekening. Ik weet niet of ze wel eens bij de geldautomaat naar de stand van de rekening keek of het verloop op de rekening. Ik deed de overboekingen van haar bankrekening. Zij niet. Ik had ook nog een eigen rekening. We hadden ook nog een spaarrekening en spaarrekeningen van de kinderen. Mijn vrouw wist denk ik wel bij benadering hoeveel spaargeld er was, maar dat was weinig. (…)”

3.8

Door deze verklaringen, die op dit punt consistent zijn, is het bewijsvermoeden voldoende ontzenuwd. Daarnaast hebben de echtelieden ook consistent verklaard over het moment van wetenschap, ten tijde van de verjaardag van de vriend van de moeder van [Y] in september 2002, dat [Y] er niet van op de hoogte was dat haar moeder en de vriend van haar moeder ook leaseovereenkomsten hadden, dat zij hadden afgesproken om te sparen voor de studie van de kinderen en dat [X] de belastingaangifte voor zijn rekening nam. Dat de echtelieden niet (geheel) gelijkluidend hebben verklaard over de reactie van [Y] kort na het moment van wetenschap en over de wijze waarop de post werd gesorteerd kan aan het voorgaande niet afdoen.

3.9

De slotsom is dat de grieven 2 en 3 slagen en dat de grieven 4 en 5 buiten bespreking blijven. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de vordering van [X] zal worden toegewezen. Het door Dexia te betalen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2005. Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de door partijen gesloten leaseovereenkomst genaamd “WinstVerdubbelaar” met contractnummer [1] alsmede de verlengingsovereenkomt van 29 juli 2002 rechtsgeldig op grond van artikel 1:88 en 1:89 BW zijn vernietigd en veroordeelt Dexia aan [X] te voldoen al hetgeen door [X] aan Dexia op grond van deze leaseovereenkomst is voldaan, te verminderen met hetgeen zij op grond van de leaseovereenkomst van Dexia heeft ontvangen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2005;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [X] begroot op € 79,00 aan verschotten en € 300,00 voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 405,19 aan verschotten en € 894,00 voor salaris en op € 131,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.W.M. Tromp en M.P. van Achterberg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2016.