Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:192

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-01-2016
Datum publicatie
02-02-2016
Zaaknummer
200.160.212/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:6506, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1062, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Verdeling huwelijksgemeenschap. Verborgen bate?

Stelplicht, bewijslastverdeling. Voldoende betwisting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team III

zaaknummer: 200.160.212/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland: C/14/135179/HA ZA 12-59

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 januari 2016

inzake

[de man] ,

wonend te [woonplaats a] ,

appellant,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. M.W.P. Buers Bakker te Schagen,

tegen:

[de vrouw] ,

wonend te [woonplaats b] ,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: voorheen mr. J.P. van Vulpen te Haarlem,
thans mr. M.M.C. Wingen te Heemstede.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

De man is bij dagvaarding van 2 oktober 2014 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Noord-Holland van 4 april 2014 (tussenvonnis; hof: lees 4 april 2012) en 9 juli 2014 (eindvonnis), gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 3 december 2015 doen bepleiten, de man door mr. J.G. Schmidt, advocaat te Schagen, en de vrouw door haar advocaat, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben inlichtingen verstrekt.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De man heeft in het principaal appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis van 9 juli 2014 zal vernietigen en zal bepalen dat, kort gezegd en in aanmerking genomen de door de man bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep gegeven toelichting, bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen een bedrag groot € 44.550,- zal worden betrokken, met beslissing over de proceskosten.

De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep van de man, met beslissing over de proceskosten.

De vrouw heeft in het incidenteel appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis van 9 juli 2014 zal vernietigen en zal bepalen dat van de overwaarde van de echtelijke woning een bedrag groot € 30.000,- aan haar wordt uitgekeerd en de resterende som bij helfte wordt verdeeld, alsmede de man zal veroordelen tot betaling aan haar van een vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning groot € 250,- per maand, met beslissing over de proceskosten.
De man heeft in het incidenteel appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.3) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in dit geding in het kort om de volgende kwestie.

3.1.1

Partijen zijn op 4 maart 2011 van echt gescheiden. Zij waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Zij zijn nog niet erin geslaagd om de op 4 maart 2011 ontbonden huwelijksgemeenschap naar beider tevredenheid te verdelen.

3.1.2

In hoger beroep gaat het nog over twee kwesties.
De man heeft zich op het standpunt gesteld dat tot de te verdelen huwelijksgemeenschap een extra bedrag groot € 44.550,- moet worden gerekend. Dat bedrag was het spaargeld van de vrouw dat eind 2008 nog beschikbaar was op een spaarrekening van de vrouw en door de vrouw grotendeels contant is opgenomen. Het bedrag groot € 44.550,- werd volgens de man óf door de vrouw op 4 maart 2011 ergens voor hem verborgen gehouden omdat zij dat geld niet met hem wilde delen, óf is door haar in de periode van 22 augustus 2009 tot 4 maart 2011 geheel of gedeeltelijk verspild als bedoeld in artikel 1:164 Burgerlijk Wetboek.
De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man de verkoop van de echtelijke woning heeft getraineerd, waardoor de woning bij verkoop een lager bedrag heeft opgebracht dan had gekund bij tijdige medewerking van de man. Dat dient volgens haar mee te brengen dat meer dan de helft van de waarde van de echtelijke woning aan haar toevalt. Verder vindt de vrouw dat de man haar voor het gebruik van de woning een vergoeding moet betalen.

3.1.3

Peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap in dit geding is 4 maart 2011.

3.1.4

De echtelijke woning is onlangs aan een derde verkocht voor een bedrag groot € 205.000,-. Het ligt in de bedoeling dat de woning in de maand januari 2016 aan de koper wordt overgedragen.

3.1.5

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis het bedrag groot € 44.550,- niet tot de te verdelen huwelijksgemeenschap gerekend. De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, tot uitgangspunt gekozen dat het op de weg van de man ligt om in rechte waar te maken dat het omstreden bedrag groot € 44.550,- er op 4 maart 2011 nog was. Vervolgens heeft de rechtbank de stellingen van de man onderzocht, in het bijzonder heeft de rechtbank de betwisting door de man van de door de vrouw gestelde uitgaven besproken. Dat heeft de rechtbank ertoe gebracht om aan die betwisting voorbij te gaan en te aanvaarden dat de vrouw een substantieel gedeelte van het opgenomen bedrag vóór 4 maart 2011 heeft uitgegeven aan herinrichting van haar nieuwe woning(en), rechtsbijstand en aan cocaïne. Ook heeft de rechtbank aanvaard dat een gedeelte van het contant opgenomen bedrag in het huis van de man heeft gelegen en aldaar is verdwenen tijdens een crisisopname van de vrouw. Daaraan heeft de rechtbank nog toegevoegd dat de uitgaven van de vrouw die hebben plaatsgehad na 22 augustus 2009 (zes maanden vóór de aanvang van de echtscheidingsprocedure) niet moeten worden aangemerkt als verspilling in de zin van artikel 1:164 Burgerlijk Wetboek.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de echtelijke woning in 2011 voor een bedrag van € 278.000,- had kunnen worden verkocht en dat de verkoop door toedoen van de man niet is doorgegaan. In het bijzonder heeft de rechtbank niet aanvaard dat het uitblijven van verkoop werd veroorzaakt door een gebrek aan onderhoud van de woning en dat de man met dat onderhoud in gebreke was. Daarom was er geen grond om de vrouw een groter deel van de verkoopopbrengst van de woning toe te wijzen. De rechtbank heeft de vrouw evenmin een gebruiksvergoeding toegekend. Het was de rechtbank niet duidelijk of het door de vrouw verlangde bedrag van € 250,- per maand redelijk was. Bovendien oordeelde de rechtbank de toekenning van een gebruiksvergoeding in strijd met de redelijkheid en billijkheid gelet op de financiële omstandigheden van de man en de aan hem opgelegde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.

3.2

De man is onder aanvoering van negen grieven in beroep gekomen van het bestreden vonnis, voor zover het gaat om het omstreden bedrag groot € 44.550,-.
De grieven zijn gericht tegen verschillende schakels van de motivering van de rechtbank. Zij lenen zich voor gezamenlijke bespreking op de wijze die het hof hierna zal kiezen.
De vrouw is onder aanvoering van twee grieven in beroep gekomen van het bestreden vonnis, voor zover het gaat over de vertraagde verkoop van de echtelijke woning en het ontbreken van een gebruiksvergoeding.

Het hof overweegt als volgt.

3.3

Het omstreden bedrag groot € 44.550,- stond op 5 december 2008 op de spaarrekening met nummer [1] bij SNS Regio Bank ten name van de vrouw. Dat saldo was blijkens een mutatieoverzicht ontstaan door elf boekingen gedurende het jaar 2008, waaronder een boeking op 27 november 2008 groot € 40.300,- afkomstig van de rekening met nummer [2] ten name van de vrouw.

Het saldo op de rekening met nummer [1] was op 23 januari 2009 gegroeid tot € 45.055,08. Op 31 december 2009 bedroeg het saldo op deze rekening € 5.450,- en op 1 september 2010 het bedrag van € 6.971,18.

De spaarrekening met nummer [1] is opgeheven per 1 september 2010. Het resterende saldo is op 1 september 2010 overgeboekt naar nummer [3] bij de Regio Bank en de dag erna doorgestort naar rekening met nummer [2] ten name van de vrouw bij de Rabobank Alkmaar e.o.

Deze laatste rekening fungeerde als de betaalrekening van de vrouw. Het saldo van die rekening per 4 maart 2011 is in de verdeling betrokken.

3.4

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het op de weg van de man ligt om in rechte waar te maken dat tot de te verdelen huwelijksgemeenschap een bedrag groot € 44.550,- moet worden gerekend. De man wil immers bewerkstelligen dat de helft van dit bedrag aan hem wordt toegedeeld. De enkele omstandigheid dat de vrouw heeft erkend dat dit bedrag er is geweest en zich vervolgens heeft beroepen op de stelling dat zij het geld vóór 4 maart 2011 heeft uitgegeven, brengt niet mee dat de vrouw vervolgens heeft te bewijzen hetgeen zij aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd.

Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid vloeit al evenmin een andere verdeling van de bewijslast voort. Deze uitzondering op de hoofdregel van bewijslastverdeling kan slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden worden toegepast. Hetgeen de man heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn standpunt dat de redelijkheid en billijkheid in dit geval een andere bewijslastverdeling eisen, heeft het hof niet overtuigd. Dat betoog gaat immers eraan voorbij dat het de vrouw jegens de man in beginsel vrijstond geld van haar spaarrekening op te nemen en uit te geven, ook in aanmerking genomen de huwelijksgemeenschap die tussen hen bestond.
De eerste grief van de man faalt daarom.

3.5

Vervolgens heeft het hof op de voet van de grieven II tot en met IX van de man te onderzoeken of de vrouw de stelling van de man voldoende gemotiveerd heeft bestreden. Het gaat er met name om te onderzoeken of de vrouw tegenover de gemotiveerde stelling van de man voldoende heeft geconcretiseerd dat zij het geld heeft uitgegeven.
Bij de bespreking van het verweer van de vrouw stelt het hof voorop dat de stellingen van de vrouw niet steeds consistent zijn en al evenmin gemakkelijk in overeenstemming te brengen met hetgeen uit het schriftelijke bewijsmateriaal kan worden opgemaakt.

Voorts is hier al vermeldenswaard dat de man geen bewijs van zijn stellingen heeft aangeboden. Dat betekent dat het hof ingeval van een toereikende betwisting door de vrouw in zoverre aan de stelling van de man heeft voorbij te gaan.

Wat betreft de door de vrouw gestelde uitgaven heeft meer in het bijzonder het volgende te gelden.

3.5.1

Desgevraagd bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat zij in totaal € 12.500,- heeft besteed aan advocaatkosten, te weten tweemaal een betaling van € 5.000,- en eenmaal een betaling van € 2.500,-. Zij zou de door haar verschuldigde bedragen in november 2009 aan haar toenmalige advocaat, mr. F. Westenberg, hebben overgemaakt. Zij kon niet verklaren waarom die betalingen aan haar advocaat niet zijn terug te vinden in de door haar overgelegde afschriften van haar betaalrekening, ook niet buiten de maand november 2009, terwijl het hof in die afschriften wel betalingen groot € 98,- (op 16 november 2009) en € 49,- (op 19 januari 2010) aan mr. Westenberg leest.

De toelichting van de vrouw overtuigt in het licht van deze gegevens niet. Die toelichting overtuigt te minder, nu niet alleen betalingsbewijzen ontbreken maar ook de facturen die daaraan zouden zijn voorafgegaan. Daarom heeft dit onderdeel van de betwisting van de vrouw als onvoldoende gemotiveerd te gelden en zal het hof voorbijgaan aan dit onderdeel van het verweer van de vrouw.

3.5.2

Ook de herinrichtingskosten die zouden zijn gemaakt, heeft de vrouw slechts zeer summier toegelicht. Facturen en betalingsbewijzen ontbreken. Al evenmin heeft de vrouw in haar bankafschriften aangewezen welke betalingen van doen hebben met haar kosten van herinrichting.
Het hof wil desalniettemin aannemen dat de vrouw na haar verhuizing

voor haar herinrichting kosten heeft gemaakt en daarvoor haar spaargeld heeft gebruikt. Het hof wil bovendien aannemen dat de herinrichting extra geld heeft gekost, omdat de vrouw een tweede keer is verhuisd. Dat ligt zozeer voor de hand dat het verweer van de vrouw in zoverre als voldoende gemotiveerd kan worden aanvaard. Wat betreft de omvang van de te aanvaarden kosten van herinrichting heeft het hof mede acht geslagen op de zogenoemde Tremanormen en de bedragen die plegen te worden aangehouden bij de bepaling van de omvang van levensonderhoudsverplichtingen. Naar het oordeel van het hof heeft het verweer van de vrouw voor zover het de kosten van herinrichting betreft tot een bedrag groot € 10.000,- als voldoende gemotiveerd te gelden. Voor het overige gaat het hof aan het verweer van de vrouw voorbij.

3.5.3

Verder heeft de vrouw te berde gebracht dat zij rekening ermee houdt dat een gedeelte van het door haar opgenomen contante geldbedrag uit het huis van de man is meegenomen. Die stelling van de vrouw is vooral speculatief. Zij heeft deze op geen enkele wijze geconcretiseerd. Zo heeft zij niet uitgelegd welk bedrag zou zijn verdwenen, waar dat bedrag in het huis van de man lag, wanneer het geld zou zijn meegenomen en wanneer zij dat heeft ontdekt, wie dat geld meegenomen zou kunnen hebben en wat zij eraan heeft gedaan om het terug te krijgen.
Daarmee is dit onderdeel van het verweer van de vrouw zo weinig concreet dat het als verweer geen hout snijdt en het hof daaraan voorbijgaat.

3.5.4

Tot slot heeft de vrouw uiteengezet dat ze veel geld heeft uitgegeven aan cocaïne. Zij is, aldus de vrouw, na door de man op 22 mei 2009 te zijn mishandeld, fors uit balans geraakt. In de periode nadien is zij in aanraking gekomen met cocaïne en daaraan in korte tijd verslaafd geraakt. Ter ondersteuning van deze stelling heeft zij overgelegd:
. het proces-verbaal van aangifte van mishandeling, op 23 mei 2009 opgemaakt door een hoofdagent van politie, werkzaam bij het korps Noord-Holland Noord, afdeling Schagen & Wieringerland,

. een verklaring gedateerd 18 februari 2013 van [x] , werkzaam bij de Kliniek Brijder Verslavingszorg waarin staat dat de vrouw in de periode van 23 juli 2009 tot 6 januari 2012 bij herhaling in de kliniek opgenomen is geweest, waaronder opnamen ten behoeve van detoxificatie en detox & diagnostiek,

. een verklaring gedateerd 30 maart 2015 van [y] , behandelend psychiater Brijder Verslavingszorg, waarin staat dat cocaïne-afhankelijkheid als ziekte is te beschouwen, alsmede dat deze ziekte soms een aanleiding tot opname is maar zeker in combinatie met andere verslavingen zoals bij de vrouw het geval was.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw met deze uiteenzetting de stelling van de man gemotiveerd betwist, te meer nu zij haar uiteenzetting heeft gestaafd met schriftelijk bewijsmateriaal. Dat betekent dat het hof in beginsel ermee rekening heeft te houden dat de vrouw een deel van het bedrag van € 44.550,- heeft besteed aan cocaïne en het hof in zoverre aan de stelling van de man voorbij heeft te gaan.

Moeilijkheid is echter dat het verweer van de vrouw gebrekkig houvast biedt om de omvang van haar uitgaven aan cocaïne te begroten. Dat geldt ook, als het hof in aanmerking neemt dat de verkoop en betaling van cocaïne niet pleegt te worden geadministreerd. De vrouw had niettemin meer inzicht kunnen geven in de door haar gemaakte kosten door de omvang van haar gebruik beter toe te lichten dan zij in dit geding heeft gedaan, zowel wat betreft de perioden gedurende welke zij heeft gebruikt als wat betreft het gebruik per dag. Dat alles voert het hof tot de slotsom dat het verweer van de vrouw wat betreft de uitgaven voor cocaïnegebruik als onvoldoende gemotiveerd heeft te gelden.

3.6

Het hof heeft voorts geconstateerd dat het restsaldo van de spaarrekening met nummer [1] , een bedrag groot € 6.971,18, per 2 september 2010 is overgeboekt naar de betaalrekening van de vrouw met nummer [2] . Het saldo van die laatste rekening is in de verdeling betrokken. Bezwaarlijk kan dus worden aanvaard dat genoemd restsaldo buiten de verdeling is gebleven.

3.7

Slotsom van deze overwegingen is dat de stelling van de man tot een bedrag groot (€ 44.550,- minus € 16.971,18=) € 27.578,82 als onvoldoende bestreden heeft te gelden. Aldus heeft de man met zijn grieven II tot en met IX gedeeltelijk succes.

Het beroep van de man op het bepaalde in artikel 1:164 Burgerlijk Wetboek behoeft verder geen afzonderlijke bespreking meer. Uitgaven voor herinrichting kunnen zonder toelichting, die ontbreekt, niet zonder meer als verspilling worden aangemerkt.

3.8

De vrouw wil door middel van haar eerste grief alsnog ingang doen vinden dat de man haar heeft benadeeld door verkoop van de echtelijke woning tegen te houden. Het hof begrijpt uit de toelichting die de vrouw heeft gegeven op haar eerste grief dat, als de man had meegewerkt, de woning had kunnen worden verkocht voor een bedrag van ongeveer € 300.000,- en dat als gevolg van het door de man bewerkstelligde uitstel de woning veel minder zal opbrengen.
De man heeft bestreden dat hij verkoop heeft tegengewerkt. Ook heeft bij bestreden dat de echtelijke woning bij snelle verkoop meer had opgebracht.

3.9

De eerste grief van de vrouw stuit naar het oordeel van het hof reeds af op de omstandigheid dat hetgeen zij heeft betoogd onvoldoende houvast biedt om aan te nemen dat de echtelijke woning bij snelle verkoop € 300.000,- althans € 278.000,- zou hebben opgebracht.
Wat betreft de waarde van de echtelijke woning zijn de volgende gegevens beschikbaar:

. een taxatierapport van de hand van [a] , taxateur, gedateerd 2 juni 2010, waarin deze in opdracht van de man de vrije verkoopwaarde heeft getaxeerd op € 238.000,-,

. een taxatierapport van de hand van [b] , taxateur, gedateerd 2 september 2010, waarin deze in opdracht van de vrouw de vrije verkoopwaarde heeft getaxeerd op € 310.000,- althans € 315.000,- ,

. WOZ taxatie met waardepeildatum 1 januari 2003 € 214.185,-,

. WOZ taxatie met waardepeildatum 1 januari 2011 € 210.000,-,

. een taxatierapport van de hand van [c] , taxateur, gedateerd 24 juli 2012, waarin deze in opdracht van beide partijen de marktwaarde taxeert op € 220.000,-,

. de brief van eerdergenoemde [b] gedateerd 25 januari 2013, waarin deze schrijft dat op dat moment de verkoopwaarde van de woning € 220.000,- bedraagt en dat de waarde van de woning € 259.000,- zou hebben bedragen, als deze nog de conditie van het jaar 2010 zou hebben gehad;

. de woning is recent verkocht voor een koopsom van € 205.000,-.

Het beeld dat uit deze taxatierapporten oprijst, is diffuus en rechtvaardigt geenszins de veronderstelling van de vrouw dat de echtelijke woning bij snelle verkoop zo’n

€ 300.000,- zou hebben opgebracht. Daarvoor zijn teveel taxaties die in andere richting wijzen. Daarbij komt dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de echtelijke woning in de moeilijke markt van 2010 snel had kunnen worden verkocht.
De inhoud van de taxatierapporten op het punt van de onderhoudstoestand geeft verder geen aanleiding om te veronderstellen dat de waardering van de woning substantieel lager is uitgevallen, doordat de man in gebreke is gebleven met het onderhoud van die woning. Alleen de brief van [b] van 25 januari 2013 gaat daarop in, maar de inhoud van de brief is te summier om op grond daarvan aan te nemen dat de woning in ruim twee jaar tijd zo sterk in waarde zou zijn teruggelopen als gevolg van tekortschietend onderhoud.
Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat er onvoldoende grond is voor de door de vrouw aan de man verweten benadeling.
Grief 1 van de vrouw faalt.

3.10

Met grief 2 wil de vrouw bereiken dat de man haar voor het gebruik van de echtelijke woning € 250,- per maand gaat betalen. De toelichting op de grief gaat voorbij aan de motivering die de rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing om de vergoeding niet aan de vrouw toe te kennen. In zoverre is grief 2 al tot mislukken gedoemd.
Daarbij komt dat de vrouw in haar toelichting tot uitgangspunt kiest dat de woning € 300.000,- waard is. In bovenstaande overwegingen ligt besloten dat dit uitgangspunt onjuist is.
Voor het overige bevat de toelichting onvoldoende aanknopingspunt voor vernietiging van het bestreden vonnis en toekenning van een gebruiksvergoeding van € 250,- per maand. Dat geldt ook als daarbij wordt betrokken dat de woning overwaarde heeft en de man daarvan nu alleen lijkt te profiteren.

Grief 2 van de vrouw faalt daarom.

4 Slotsom

4.1

In het principaal appel heeft de man gedeeltelijk succes met zijn grieven. Het bestreden eindvonnis kan niet in stand blijven. Met vernietiging van het bestreden eindvonnis in zoverre zal het hof bepalen dat tot de huwelijksgemeenschap van partijen ook nog een bedrag groot € 27.578,82 moet worden gerekend en de vrouw veroordelen om de helft van dit bedrag aan de man te betalen. Het hof zal het principaal appel verwerpen voor zover het is gericht tegen het bestreden tussenvonnis.

4.2

In het incidenteel appel falen beide grieven. Het hof zal het incidenteel appel van de vrouw verwerpen.

4.3

Omdat partijen gewezen echtelieden zijn, zal het hof zowel in het principaal als in het incidenteel appel de proceskosten tussen hen compenseren in die zin dat elk van partijen de eigen proceskosten dient te dragen.

5
5. Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal appel:

vernietigt het eindvonnis waarvan beroep, voor zover de rechtbank het meer of anders gevorderde heeft afgewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat tot de te verdelen huwelijksgemeenschap moet worden gerekend een bedrag groot € 27.578,82;

veroordeelt de vrouw om aan de man de helft van dit bedrag te betalen, zijnde een som van € 13.789,41;

wijst het meer of anders gevorderde voor het overige af;

bekrachtigt het eindvonnis voor het overige;

verwerpt het beroep voor zover het is gericht tegen het tussenvonnis;

rechtdoende in het incidenteel appel:
verwerpt het beroep;

in het principaal en incidenteel appel:

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A. van den Berg, G.B.C.M. van der Reep en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2016.