Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:191

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-01-2016
Datum publicatie
02-02-2016
Zaaknummer
200.159.959/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:6903, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht.

Gronden voor aantasting van het echtscheidingsconvenant?

Het hof aanvaardt geen wilsgebrek, maar wel beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid op de voet van artikel 6:248 lid 2 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 196
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2016/49
JPF 2016/43 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
PFR-Updates.nl 2016-0038
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.159.959/01

zaaknummer rechtbank : C/15/206083 / HA ZA 13-423

arrest van de meervoudige familiekamer van 26 januari 2016

inzake

[de vrouw] ,

wonend te [Z] ,

appellante,

advocaat: mr. E.M. van Hemert te Zaandam,

tegen:

[de man] ,

wonend te [Z] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. K. van der Meij te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

De vrouw is bij dagvaarding van 9 oktober 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 juli 2014, gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens houdende aanvulling/vermeerdering van eis, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Op verzoek van de man en met instemming van de vrouw heeft ter zitting van 19 november 2015 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij ieder van partijen is bijgestaan door zijn advocaat. Van hetgeen ter zitting is voorgevallen is achteraf proces-verbaal opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over de inhoud van het proces-verbaal. De vrouw heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Het hof zal de inhoud van de brief niet nader bespreken omdat, naar hierna zal blijken, de kwesties waarvoor de vrouw aandacht vraagt geen verschil maken voor de oordeelsvorming van het hof. Het proces-verbaal en de brief van de vrouw behoren tot de processtukken.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – (alsnog):

1.

primair: voor recht zal verklaren dat de in het echtscheidingsconvenant d.d. 1 mei 2012 genoemde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap door de vrouw op juiste gronden is vernietigd op grond van benadeling voor meer dan een kwart, dan wel de vernietiging van deze verdeling zal uitspreken;

subsidiair: het echtscheidingsconvenant d.d. 1 mei 2012 voor wat betreft de bepalingen ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zal vernietigen, nu deze verdeling in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor de vrouw onaanvaardbaar is;

2.

primair: de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen zal vaststellen zoals in de memorie van grieven onder 1.18 tot en met 1.26 omschreven, en de man zal veroordelen om uiterlijk binnen twee weken na betekening van dit arrest aan de vrouw te betalen een bedrag van € 85.557,-, te vermeerderen met de helft van de waarde van de erfrechtelijke aanspraken van de man in de nalatenschap van zijn vader;

subsidiair: de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen zal vaststellen bij gelegenheid van een mondelinge behandeling, waarbij ieder der partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling een aantal bescheiden als genoemd in het petitum van de memorie van grieven zal dienen over te leggen;

3.

het echtscheidingsconvenant d.d. 1 mei 2012 zal vernietigen voor wat betreft de bepalingen ten aanzien van de pensioenparagraaf, nu het afzien van verevening van de door ieder der partijen opgebouwde ouderdomspensioenrechten conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor de vrouw onaanvaardbaar is, en de man zal veroordelen tot uitbetaling aan de vrouw van de helft van het door hem bij het Pensioenfonds Metaal & Techniek onder kenmerk [1] opgebouwde ouderdomspensioen, voor zover deze ouderdomspensioenrechten zijn opgebouwd gedurende de huwelijkse periode, zulks met ingang van het tijdstip waarop dit ouderdomspensioen tot uitkering zal komen,

met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

De man heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in hoger beroep.

De man heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Partijen zijn [in] 1991 in gemeenschap van goederen gehuwd. Op 6 juni 2012 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken, welke op 12 juni 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Daaraan voorafgaand hebben partijen op 1 mei 2012 een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) getekend, dat tot stand is gekomen na gesprekken met en onder begeleiding van mediator en financieel planner [x] (hierna: [de mediator] ). Het convenant bevat – voor zover van belang en verkort weergegeven – de volgende regelingen:

a. Na het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning zal de man een uitkering tot levensonderhoud van € 1.100,- bruto per maand aan de vrouw voldoen. Bij de vaststelling van dit bedrag zijn partijen bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. Partijen zijn ervan op de hoogte dat de alimentatieplicht van de man volgens de wettelijke bepalingen 12 jaar duurt vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk. De alimentatieverplichting van de man duurt tot 1 juni 2018. Verlenging van deze termijn is uitgesloten. Voorts is ten aanzien van de partneralimentatie een niet-wijzigingsbeding overeengekomen.

De echtelijke woning aan de [a-straat] te [Z] is voor de daaraan in onderling overleg toegekende vrije verkoopwaarde van € 260.000,- toegedeeld aan de man onder de verplichting de daarop rustende hypothecaire lening voor zijn rekening te nemen. Ter beëindiging van onzekerheid en geschillen over het bedrag van de overbedeling is dit bedrag op nihil gesteld.

De niet-opeisbare vordering van de vrouw op haar aandeel in de nalatenschap van haar vader, waarvan de omvang pas na het overlijden van zijn echtgenote bekend zal zijn, is als bestanddeel van de huwelijksgoederengemeenschap aan de vrouw toegedeeld. Partijen hebben de inboedel verdeeld zonder verrekening. De overige bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap hebben zij verdeeld en verrekend “conform het als bijlage aan dit convenant gehechte en geparafeerde vermogensoverzicht”.

Ieder van partijen heeft vóór althans tijdens het huwelijk aanspraken op ouderdoms- en partnerpensioen opgebouwd. Zij hebben verevening van ouderdomspensioen uitgesloten. Het tot de datum van ontbinding van het huwelijk opgebouwde (bijzonder) partnerpensioen zullen zij overeenkomstig de wettelijke regeling ieder premievrij voor de andere partij reserveren

Op 12 december 2012 heeft de advocaat van de vrouw aan de man het volgende bericht:

“Tot mij wendde zich uw voormalige echtgenote mevrouw [de vrouw] , die mij heeft verzocht u te benaderen om te bezien in hoeverre u bereid [bent: toevoeging hof] om in onderling overleg terug te komen op de inhoud van de echtscheidingsovereenkomst d.d. 01-05-12.

Cliënte stelt zich op het standpunt dat deze overeenkomst nietig is, althans hierbij wordt vernietigd door deze buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van deze overeenkomst (. . .) omdat sprake is van benadeling van cliënte voor méér dan een vierde gedeelte voor zover de echtscheidingsovereenkomst d.d. 1 mei 2012 betrekking heeft op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (. . .)”

3.3.

De vrouw heeft de man op 13 augustus 2013 gedagvaard en – kort gezegd – primair vernietiging van het convenant wegens dwaling dan wel misbruik van omstandigheden gevorderd, en subsidiair een verklaring voor recht dat de verdeling nietig is wegens benadeling voor meer dan een kwart (1). Voorts heeft zij gevorderd de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen, primair op de door haar voorgestelde wijze, subsidiair op basis van door partijen aan te dragen gegevens (2). Tenslotte heeft zij gevorderd de man te veroordelen tot pensioenverevening (3).

De rechtbank heeft alle vorderingen van de vrouw afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de vrouw met haar grieven op.

3.4.

In hoger beroep handhaaft de vrouw haar vordering onder 1 primair niet. Ten aanzien van haar vordering onder 1 subsidiair heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw niet heeft gesteld dat zij ten aanzien van de waarde van enig goed heeft gedwaald. Volgens de rechtbank gaat de vrouw uit van dezelfde waarden voor de onderscheiden goederen als partijen in het convenant in aanmerking hebben genomen en is (enkel) haar stelling dat zij voor meer dan een kwart is benadeeld onvoldoende om uit te gaan van dwaling op grond van artikel 3:196 lid 2 BW.

De vrouw handhaaft haar vordering onder 1 subsidiair (thans haar vordering onder 1 primair). Zij betoogt in grief 1 dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is, omdat in het convenant een waardebepaling van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap, met uitzondering van de echtelijke woning, ontbreekt. Het volgens de tekst van het convenant daaraan gehechte overzicht is niet aangehecht. De man beschikt evenmin over dit overzicht. De vrouw betwist de in het convenant aan de woning toegekende waarde. Volgens haar is de waarde minimaal

€ 289.000,-. Maar ook als wordt uitgegaan van de waarde van € 260.000,-, is het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk. In eerste aanleg, zo begrijpt het hof, heeft de vrouw gesteld dat de hypothecaire schuld € 119.772,- bedroeg. De inboedelgoederen ter waarde van € 15.000,- zijn aan de man toegescheiden. Een aantal goederen die niet in het convenant zijn genoemd zijn in het bezit van de man achtergebleven: de op zijn naam staande banksaldi, de platbodem merk Eggercraft, de aanspraken van de man op de nalatenschap van zijn vader en een aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering met een waarde van € 7.390,-. De vrouw schat de waarde van de aan de man toegedeelde goederen op € 204.618,-. Daartegenover bedraagt de waarde van de aan haar toegescheiden goederen (de auto Ford Fiësta ter waarde van € 7.000,- en een banksaldo ter hoogte van € 1.405,-) € 8.405,-. Samen met het bedrag van € 12.550,- dat zij na de totstandkoming van het convenant van de man heeft ontvangen, heeft de vrouw in totaal € 20.955,- ontvangen. Uitgaande van een totale waarde van de huwelijksgoederengemeenschap van € 213.023,- komt de vrouw € 106.512,- toe. Zij komt 80,33% tekort, zodat is voldaan aan het wettelijk vermoeden van artikel 3:196 lid 2 BW, aldus de vrouw.

3.5.

Het hof overweegt als volgt.

Voor zover de vrouw stelt dat de woning voor een te lage waarde in de verdeling is meegenomen heeft zij deze stelling tegenover de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat inboedel met een waarde van € 15.000,- aan de man is toegedeeld. Uit de door de man in het geding gebrachte vermogensoverzichten, waarvan de inhoud op zichzelf niet is betwist, blijkt verder dat indertijd sprake was van spaargeld van € 15.000,- als vermogensbestanddeel, voorzien van de opmerking “Voor een deel nog op te bouwen vermogen tbv inrichting nieuwe woning mevrouw”. In dat licht bezien heeft de vrouw haar stelling dat de banksaldi op naam van de man buiten de verdeling zijn gebleven, niet aangetoond. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man heeft zij evenmin aangetoond dat de man een aanspraak heeft op de nalatenschap van zijn vader. Voorts heeft de vrouw tijdens de comparitie in hoger beroep bevestigd dat, zoals de man heeft aangevoerd, de platbodem merk Eggercraft door partijen bewust buiten de verdeling is gehouden omdat de boot voor de kinderen is. Ook heeft zij bij die gelegenheid bevestigd dat de polis levensverzekering ten tijde van het sluiten van het convenant niet bekend was en later alsnog is verdeeld.

3.6.

Blijft over de erfrechtelijke vordering van de vrouw op haar moeder. Tussen partijen is niet in geschil, dat deze vordering niet opeisbaar is. Indien veronderstellenderwijze ervan wordt uitgegaan dat deze vordering ten onrechte in de verdeling is betrokken dan wel ten onrechte voor een bedrag van € 90.000,- in de verdeling is betrokken, moet het ervoor worden gehouden dat de vrouw voor meer dan een vierde is benadeeld. In dat geval is ingevolge artikel 3:196 lid 2 BW sprake van het wettelijk vermoeden dat de vrouw heeft gedwaald omtrent de waarde van één of meer van de te verdelen goederen. Deze vaststelling zou evenwel niet tot het door de vrouw beoogde resultaat (vernietiging van de verdeling) kunnen leiden, en wel op grond van het navolgende.

3.7.

Tijdens de in hoger beroep gehouden comparitie heeft de man verklaard dat het doel van de verdeling was dat partijen ieder een woning zouden hebben in [Z] , zodat zij gezamenlijk met hun kinderen zouden kunnen doorleven. De man zou in de echtelijke woning blijven en de overwaarde van die woning zou voor hem zijn. De vrouw zou een ingerichte huurwoning in [Z] krijgen. Voor de inrichting van die woning werd bij de verdeling rekening gehouden met een bedrag van € 15.000,-. Om een als gevolg van deze afspraken voor de man te verwachten aanslag schenkingsbelasting te voorkomen, hebben partijen ervoor gekozen een erfrechtelijke vordering van de vrouw op haar moeder in de verdeling te betrekken.

De vrouw heeft de verklaring van de man over het doel van de verdeling niet betwist. Zij heeft verklaard dat het juist is dat haar erfrechtelijke vordering in de verdeling is betrokken om een fiscaal probleem op te lossen. Hoewel zij zich er niet in kon vinden dat rekening werd gehouden met geld dat haar nog levende moeder toebehoort, heeft zij hiertegen niet geprotesteerd. Zij was het namelijk ermee eens dat er geen vordering van de belastingdienst moest komen.

Gelet op deze verklaringen moet worden geoordeeld dat de vrouw de toedeling van de erfrechtelijke vordering op haar moeder heeft aanvaard in de zin van artikel 3: 196 lid 4 BW, hetgeen aan vernietiging van de verdeling wegens benadeling voor meer dan een vierde in de weg staat. Grief 1 faalt.

3.8.

In het bestreden vonnis is overwogen dat de vordering tot vernietigbaarheid van het convenant althans van de daarin overeengekomen verdeling en uitsluiting van pensioenverevening ook is gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid, maar dat daaraan in het petitum geen vordering is verbonden, zodat de rechtbank die stellingen onbesproken laat. Tegen deze overweging is grief 2 gericht.

De vrouw vordert in hoger beroep onder 1 subsidiair vernietiging van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en onder 3 vernietiging van de uitsluiting van pensioenverevening zoals overeengekomen in het convenant, op de grond dat toepassing van deze regelingen in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor haar onaanvaardbaar is. Zij stelt dat voor het antwoord op de vraag of dit het geval is het convenant en de gevolgen daarvan in hun geheel dienen te worden bekeken. Volgens de vrouw is zij door het convenant ernstig benadeeld zonder dat van enige compensatie sprake is. Zij voert daartoe in de toelichting op grief 2 het volgende aan.

Zoals door haar in haar toelichting op grief 1 uiteengezet is zij door de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap voor 80,33% benadeeld, hetgeen als zeer onevenwichtig moet worden aangemerkt.

Ook de regeling van de partneralimentatie is als zeer onevenwichtig en voor de vrouw zeer nadelig aan te merken. [de mediator] had uitgerekend dat de man over een draagkracht van € 1.751,- bruto per maand beschikte. Overeengekomen is evenwel een bedrag van € 1.100,- per maand, zonder dat duidelijk is waarom ten nadele van de vrouw is afgeweken. Overeengekomen is een alimentatieduur van zes jaar, terwijl de wettelijke alimentatieduur 12 jaar is. Niet duidelijk is waarom dit zo is overeengekomen na een huwelijk van 21 jaar met een klassieke rolverdeling. De mogelijkheid tot verlenging is uitgesloten. Ook de mogelijkheid tot wijziging is uitgesloten, hoewel ten tijde van het sluiten van het convenant al vaststond dat de arbeidsovereenkomst van de vrouw op 1 juli 2012 zou eindigen. De vrouw heeft sindsdien geen eigen inkomen.

Tenslotte moet het uitsluiten van de pensioenverevening als wel zeer onevenwichtig en zeer nadelig voor de vrouw worden aangemerkt, aldus de vrouw. De man was gedurende het gehele - 21 jaar durende - huwelijk kostwinner en had uiteindelijk een salaris van € 81.155,- bruto per jaar. De door hem opgebouwde pensioenrechten zijn zeer aanzienlijk. De vrouw was gedurende het gehele huwelijk huisvrouw. Zij was eerst sinds 1 januari 2012 werkzaam en had een salaris van € 10.834,- bruto per jaar. Gelet op de hoogte van dit salaris en de pensioenfranchise, die in 2012 € 13.062,- bedroeg, staat vast dat de vrouw gedurende het huwelijk geen pensioen heeft opgebouwd. In strijd met de waarheid is dan ook in het convenant bepaald dat de vrouw pensioenaanspraken heeft opgebouwd. Doordat in het convenant vervolgens is bepaald dat over en weer wordt afgezien van het recht op verevening is de suggestie gewekt dat het om vergelijkbare grootheden gaat, hetgeen niet het geval is.

De toedeling aan de vrouw van haar aanspraken in de nalatenschap van haar vader lijkt enige compensatie te bieden, doch dit is slechts schijn. Het testament van haar vader bevat een uitsluitingsclausule. De aanspraak valt derhalve niet in de huwelijksgoederengemeenschap. Onduidelijk is waarom de toedeling van deze aanspraak aan haar in het convenant is opgenomen en in hoeverre deze compensatie kon bieden voor de overwaarde van de echtelijke woning. Dit terwijl de aanspraak van de man op de nalatenschap van zijn vader niet in het convenant is genoemd.

[de mediator] heeft geen gespreksverslagen opgesteld en geen, althans volstrekt onvoldoende, schriftelijke informatie aan partijen verstrekt. Niet duidelijk is daarom hoe is gekomen tot de overeengekomen regeling van de partneralimentatie en niet blijkt dat [de mediator] de aard en de omvang van de door ieder opgebouwde pensioenrechten heeft onderzocht en of de omvang daarvan in de gesprekken aan de orde zijn geweest, aldus nog steeds de vrouw.

3.9.

Het hof bespreekt als eerste de verdeling.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw het initiatief tot de echtscheiding heeft genomen en de mediator heeft uitgezocht. De man heeft in verband met de totstandkoming van het convenant aangevoerd dat de vrouw niet nog lange tijd financieel van de man afhankelijk wilde blijven. De financiële gegevens van partijen waren in de echtelijke woning voor de vrouw toegankelijk en zijn tijdens de mediation op tafel geweest. De mediator heeft diverse alimentatieberekeningen en vermogensopstellingen gemaakt, waarvan enkele in hoger beroep zijn overgelegd. Zowel over de hoogte als over de duur van de partneralimentatie is zeer uitvoerig gesproken. De mediator heeft partijen volledig ingelicht over de toepasselijke wettelijke regelingen. Dat de overeengekomen alimentatie lager is dan de draagkracht van de man is te verklaren door de behoefte die de vrouw stelde te hebben. Voor de alimentatieduur is aanknoping gezocht bij het moment dat het jongste kind van partijen 18 jaar werd. De vrouw wilde in de periode daarna geen aanspraak maken op alimentatie. De vrouw heeft bij aanvang van de mediation en ook later aangegeven dat zij zou afzien van pensioenverevening. Zij liet weten dat zij zou kunnen rondkomen van de AOW-uitkering en het vermogen uit de dan vrijgekomen erfenis, aldus de man.

3.10.

De vrouw heeft de door de man aangevoerde feiten en omstandigheden niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat deze daarmee vaststaan. Het hof leidt daaruit af dat de vrouw de in het convenant overeengekomen verdeling bewust heeft aanvaard. Bovendien leidt het hof hieruit af dat de financiële gegevens die de vrouw ter beschikking stonden, haar in staat stelden om zich een concreet en nauwkeurig beeld te vormen van de financiële mogelijkheden die zij zou kunnen ontlenen aan de voorgenomen verdeling, zulks in samenhang met de beoogde alimentatieverplichting van de man. Het hof leidt bovendien uit al hetgeen partijen over en weer te berde hebben gebracht, af dat de vrouw zich toentertijd in hoge mate heeft laten leiden door haar wens financieel onafhankelijk te zijn van de man en een zelfstandig bestaan te leiden. Aan die wens komt te meer betekenis toe, omdat de vrouw jarenlang onzeker is geweest over het door haar te kiezen toekomstperspectief. Tegen die achtergrond is het, anders dan de vrouw betoogt, niet snel onaanvaardbaar dat de man haar houdt aan de door hen gemaakte afspraken over de verdeling, ondanks het uitgangspunt dat de rechtsverhouding tussen hen, ex-echtelieden, wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Gelet op dit alles is het door de vrouw aangevoerde onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW voor zover het de verdeling betreft. Grief 2 faalt in zoverre.

3.11.

Ten aanzien van de vraag of de tussen partijen als gevolg van het convenant geldende uitsluiting van pensioenverevening in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, overweegt het hof het volgende.

De zorgplicht die echtgenoten jegens elkaar hebben, duurt ook na de echtscheiding voort. De Wet verevening pensioenrechten na scheiding (hierna: WVP) is hiervan een uitvloeisel. Deze zorgplicht geldt temeer in een zogenaamd traditioneel huwelijk.

Vast staat dat de vrouw tijdens het huwelijk – op een paar maanden vlak voor het einde van het huwelijk na – geen betaald werk buitenshuis heeft verricht. Zij heeft tijdens het huwelijk en ook daarna geen pensioenrechten opgebouwd. Daar staat tegenover dat de man tijdens het huwelijk een ruim salaris had en aanzienlijke pensioenrechten heeft opgebouwd. Er is derhalve een grote discrepantie ontstaan tussen de door ieder van hen opgebouwde pensioenrechten.

De vrouw wordt voor het afzien van pensioenverevening op geen enkele wijze financieel gecompenseerd, bijvoorbeeld door een voor haar gunstige regeling van de verdeling en/of een hoge alimentatie van lange duur. In tegendeel, de man heeft bij de verdeling de woning met een waarde van € 260.000,- en een hypothecaire schuld van € 119.772,-, derhalve een nettowaarde van € 140.228,- toegedeeld gekregen, waar tegenover aan de vrouw een niet-opeisbare erfrechtelijke vordering is toegescheiden waarvan niet vast staat of deze vordering, op het moment dat deze opeisbaar wordt, nog een waarde vertegenwoordigt en zo ja, welke waarde. De vrouw ontvangt een beperkt bedrag per maand aan alimentatie en de duur van de alimentatie is teruggebracht tot de helft van de wettelijke termijn.

Daarbij komt dat de man niet heeft aangetoond dat de omvang van de opgebouwde pensioenrechten en het deel daarvan waarop de vrouw normaal gesproken recht zou hebben gehad in de gesprekken voorafgaand aan het sluiten van het convenant aan de orde zijn geweest op een zodanige wijze dat de vrouw de gevolgen van haar keuze om af te zien van pensioenverevening heeft kunnen overzien. Voor zover het bewijsaanbod van de man hierop ziet heeft de man zijn stellingen onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Dat betekent dat het hof moet aannemen dat de vrouw afstand heeft gedaan van pensioenverevening, terwijl haar niet concreet en nauwkeurig voor ogen stond wat zij prijsgaf. Daartegenover loopt de man een voordeel mis. Hij heeft verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie moeten leiden dat verevening van de pensioenrechten nadelige gevolgen voor hem zou hebben, die van zijn kant gewicht in de schaal leggen. Zo bevat de uiteenzetting van de man tijdens de comparitie in hoger beroep onvoldoende houvast om aan te nemen, dat hij daardoor gedwongen zou zijn de woning te verkopen. Gesteld noch gebleken is tot slot dat de man in de veronderstelling dat pensioenverevening zou uitblijven, keuzes heeft gemaakt die hem in een nadeliger positie hebben gebracht.

3.12.

Al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat de uitsluiting van pensioenverevening in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Grief 2 slaagt in zoverre. Artikel 6:248 lid 2 BW voorziet voor dat geval niet in vernietiging van de betrokken regeling. Gelet evenwel op het doel van het gevorderde, namelijk dat de man geen beroep kan doen op de regeling, zal het hof bepalen dat de tussen partijen als gevolg van het convenant geldende uitsluiting van pensioenverevening niet van toepassing is. Daarmee staat vast dat ingevolge artikel 2.1 WVP de vrouw krachtens deze wet recht heeft op verevening van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen en zij ingevolge artikel 2.6 WVP een recht op uitbetaling heeft jegens de man, nu niet een recht op uitbetaling jegens de pensioenuitvoerder is ontstaan. Bij gebrek aan een actuariële berekening die daarover helderheid verschaft kan het hof niet vaststellen dat de helft van het door de man gedurende het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen aan de vrouw toekomt. Het hof zal op dit onderdeel van het gevorderde beslissen als na te melden.

3.13.

Partijen zijn ex-echtgenoten. De rechtbank heeft daarom terecht bepaald dat de proceskosten worden gecompenseerd. Het hof zal bepalen dat de proceskosten in hoger beroep eveneens worden gecompenseerd.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

bepaalt dat de tussen partijen als gevolg van het op 1 mei 2012 getekende convenant geldende uitsluiting van pensioenverevening niet van toepassing is;

veroordeelt de man tot uitbetaling aan de vrouw van het aan haar toekomende deel van het door de man bij het Pensioenfonds Metaal & Techniek onder kenmerk [1] opgebouwde ouderdomspensioen, voor zover dit pensioen is opgebouwd gedurende het huwelijk van partijen, met ingang van het tijdstip waarop dit ouderdomspensioen tot uitkering zal komen;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de kosten van het geding in hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, C.G. Kleene-Eijk en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2016.