Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1858

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
23-003649-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mega Katwijk. De verdachte is door het gerechtshof veroordeeld tot een werkstraf voor het schuldwitwassen van door haar partner met cocaïnesmokkel verdiend geld. Van de verdachte had mogen worden verwacht dat zij zich vergewiste van de herkomst van de contante bedragen die zij van haar partner ontving, temeer nu deze geen legaal inkomen had. Het hof oordeelt dat zij in haar onderzoeksplicht tekort is geschoten en acht bewezen dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de door haar via money transfers richting Zuid-Amerika overgemaakte bedragen van misdrijf afkomstig waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-003649-14

datum uitspraak: 12 mei 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlemmermeer van 8 september 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15-840024-13 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

adres: [adres] .

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens de akte van hoger beroep, onbeperkt ingesteld. De aan de akte gehechte fax van de raadsman, waarmee hoger beroep is ingesteld en die moet worden beschouwd als een bijzondere volmacht in de zin van artikel 450 van het Wetboek van Strafvordering, vermeldt echter dat het hoger beroep zich slechts richt tegen de bewezenverklaring en veroordeling ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde en niet tegen de beslissing tot vrijspraak ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde. De akte van hoger beroep is aldus verkeerd opgemaakt; het hof zal die akte verbeterd lezen in die zin dat het hoger beroep zich beperkt tot de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april en 28 april 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 13 november 2010, te Purmerend en/of Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meerdere malen, althans eenmaal, (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedragen van in totaal 24.590 euro, te weten op

- 1 april 2010 een bedrag van 2.350 euro en/of op

- 25 april 2010 een bedrag van 4.680 euro en/of op

- 16 juni 2010 een bedrag van 4.000 euro en/of op

- 10 juli 2010 een bedrag van 3.160 euro en/of op

- 7 juli 2010 een bedrag van 1.900 euro en/of op

- 25 oktober 2010 een bedrag van 4.500 euro en/of op

- 8 november 2010 een bedrag van 2.900 euro en/of op

- 13 november 2010 een bedrag van 1.100 euro

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp(en), te weten voornoemde geldbedragen, gebruik heeft gemaakt, terwijl zij (telkens) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Bij arrest van heden heeft het hof de (toenmalige) partner van de verdachte, [medeverdachte] , wegens – kort gezegd – het in de periode juli 2010 tot en met 4 mei 2013 meermalen medeplegen van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet, het meermalen pogen in vereniging cocaïne Nederland in te voeren, en het meermalen medeplegen van het opzettelijk invoeren van cocaïne in Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren met aftrek van voorarrest.

Uit de bewijsmiddelen in de onderhavige strafzaak volgt dat van [medeverdachte] over de jaren 2009, 2010, 2011 en 2012 geen inkomen uit loon bekend was, dat vanaf het jaar 2009 tot en met 15 mei 2013 van hem geen fiscale loongegevens aanwezig waren, en dat hij enkel over de periode 1 november 2012 tot en met 1 januari 2013 een WWB uitkering van de gemeente Purmerend heeft gehad.

Naar het oordeel van het hof staat het in de onderhavige strafzaak vast dat de verdachte geldbedragen tot een totaal van € 22.690 naar het buitenland heeft overgemaakt, welke bedragen zij van de verdachte had ontvangen.

Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat deze geldbedragen afkomstig waren van de invoer van cocaïne, nu niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte] enige legale inkomstenbron had waaruit deze geldbedragen afkomstig kunnen zijn. [medeverdachte] heeft op 6 mei 2013 bij de Koninklijke Marechaussee (dossierpagina 6626 e.v.) verklaard dat zijn ouders in Suriname onder meer in de goudhandel zitten en in Suriname een vakantieoord voor toeristen hebben waarbij twee huizen verhuurd worden, dat hij zijn vader geholpen heeft in de goudsector, dat hij zelf geen bezittingen in Suriname heeft en dat hij geen inkomen heeft maar geld krijgt van zijn ouders uit Suriname en soms van zijn familie en neven. Dit geld ontvangt hij via money transfers of contant via vrienden van zijn vader. Deze inkomstenbron is echter niet aannemelijk geworden.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat [medeverdachte] de aan de verdachte overhandigde bedragen verdiend heeft met het delven van goud en met de verhuur van appartementen in Suriname, hetgeen haaks staat op de zojuist weergegeven verklaring van [medeverdachte] . Ook deze inkomstenbron is uit het verhandelde ter terechtzitting noch uit het dossier met voldoende mate van zekerheid vast komen te staan en ook overigens niet aannemelijk geworden. De door de raadsman ter zake overgelegde documenten zijn daartoe onvoldoende, mede nu deze geen begin van bewijs inhouden omtrent de betrokkenheid van [medeverdachte] bij deze goudhandel en dat er inkomsten uit de verhuur van de appartementen worden gegenereerd.

Gelet op het voorgaande staat het naar het oordeel van het hof vast dat de door [medeverdachte] aan de verdachte overhandigde geldbedragen niet anders dan uit betrokkenheid van [medeverdachte] bij de invoer van cocaïne in Nederland afkomstig kunnen zijn.

De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden, is of de verdachte bij het voorhanden hebben en overdragen van deze geldbedragen wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze bedragen van misdrijf afkomstig waren.

De verdachte heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verklaard dat zij ervan uitging dat de door haar ontvangen en over te maken bedragen afkomstig waren uit het delven van goud, waarbij [medeverdachte] met zijn vader betrokken was en uit de verhuur van aan [medeverdachte] en/of diens familie toebehorende appartementen in Paramaribo.

Bij de Koninklijke Marechaussee heeft de verdachte op 5 mei 2013 omtrent [medeverdachte] het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik woon samen met [medeverdachte] . Ik ken hem 16 jaar en heb al die tijd al een relatie met hem. Vanaf 2001 woont hij in Purmerend. Ik ben afhankelijk van het geld dat ik krijg van hem. [medeverdachte] heeft een appartement in Suriname dat hij verhuurt maar het ging niet meer zo goed dus nu komt er af en toe maar iets binnen en los ik af en toe een beetje af. [medeverdachte] zit ook in de goudhandel. Ik ben helemaal niet bekend in Suriname dus ik weet niet precies waar (het hof begrijpt: dat appartement) staat. Tot 2010 ging het wel goed met de verhuur van het appartement, het is van de familie, zijn vader en moeder hebben er ook een aandeel in denk ik. De opbrengst moet dus met hen gedeeld worden. De goudhandel doet hij met zijn vader en met nog een aantal mensen, ik denk dat hij ergens in 2002 of 2003 is begonnen met het kopen van machines. [medeverdachte] werkt waarschijnlijk wel mee als hij in Suriname is, hij gaat er ook mee de grond in en zo, tenminste dat zie ik op foto's. Ik denk dat het een grote ploeg is die voor hem werkt, het is in het binnenland. Ik weet niet hoeveel hij daarvoor krijgt. Het is elke keer anders, het ligt eraan hoeveel ze naar boven halen.

[medeverdachte] beheerde het geld. In 2010 waren er heel veel problemen en vanaf toen kwam er steeds minder geld, en als er dan wat binnenkwam dan werd er steeds iets afgelost (het hof begrijpt dat de verdachte verklaart: op leningen die zijn afgesloten in verband met de goudhandel). Hij gaat verschillende periodes naar Suriname, hij is net twee weken terug. Als er geld binnenkwam van [medeverdachte] zal het ongeveer € 700 of € 800 per maand zijn geweest, ik kon er de huur van betalen of een rekening van betalen. Ik kon er in ieder geval niet in één keer alle rekeningen van betalen. Ik krijg in principe wel kinderbijslag maar omdat ik diverse schulden heb gaat dat gelijk naar de deurwaarders en zo. Ik krijg wel huursubsidie en zo maar dat geld gaat gelijk naar de belastingdienst voor een regeling voor een belastingschuld.

[medeverdachte] krijgt geen uitkering. Hij heeft geen werk hier in Nederland. Ik zei laatst nog tegen hem dat hij moest gaan werken omdat ik op deze manier mijn huis uitgezet kan worden. We zouden morgen gaan vragen om een uitkering te gaan regelen. [medeverdachte] heeft wel eventjes gewerkt maar ik weet niet meer wanneer dat was. Ik heb bij de belasting ongeveer € 16.000 schuld, bij deurwaarders ongeveer € 9.000 en dan nog wat achterstanden van ongeveer € 1.200 aan bijvoorbeeld huurachterstand. We hebben samen een schuld aan de gemeente, en er is ook nog een schuld die staat op mijn naam, maar dat is meer zijn schuld. [medeverdachte] wilde altijd eerst het geld terugbetalen als iemand gesponsord had voor bijvoorbeeld reparaties aan machines of benzine et cetera (het hof begrijpt dat de verdachte verklaart: in verband met de goudhandel). Hij had nog liever dat wij wat minder te spenderen hadden als daarmee de betalingen aan anderen maar doorgingen dus het lijkt me niet logisch dat hij geld leende bij vrienden of familie. Hij heeft geen bezittingen, huizen, auto’s behalve de appartementen in Suriname samen met zijn familie.

[medeverdachte] heeft ook een rekening bij de Postbank/ING maar daar weet ik het nummer niet van. Een deurwaarder heeft beslag gelegd op die rekening en vanaf toen zit hij in een negatief saldo. Ik heb geen contant geld en ik denk [medeverdachte] ook niet.

Op 5 mei 2013 heeft de verdachte bij de Koninklijke Marechaussee het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik heb in het verleden wel eens geld ontvangen en geld weggestuurd via Western Union. Het zal rond 2010 geweest zijn. Het zou kunnen dat ik geld over heb gemaakt in opdracht van [medeverdachte] om iemand geld terug te betalen die geld had geïnvesteerd/had gesponsord voor machines voor het goud. Ik heb dit twee of drie keer gedaan voor [medeverdachte] . Het waren verschillende personen en geen kleine bedragen. Ik weet niet waarom het geld naar Argentinië (het hof begrijpt: werd overgemaakt). Het geld had [medeverdachte] contant en ik maakte het voor hem over omdat hij al geblokkeerd was. Hij was geblokkeerd omdat hij te vaak gebruik had gemaakt van Western Union.

[medeverdachte] is wel eerder veroordeeld geweest voor de Opiumwetgeving maar dat is jaren geleden geweest. Hij heeft dat toen afgezworen. Hij heeft gezegd dat hij daar nooit meer wat mee te maken wilde hebben. Dat is ergens in 2001 geweest.

Ter terechtzitting in eerste aanleg op 20 augustus 2014 heeft de verdachte als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik de bedragen heb overgemaakt. Ik moest geld sturen naar personen die een lening hadden gedaan. Het overmaken van de bedragen was in opdracht van [medeverdachte] . Hij heeft met zijn vader een goudhandel in Suriname. Er zijn dure machines aangeschaft en daarvoor zijn leningen verkregen van verschillende mensen, die moesten worden terugbetaald. Als er goud was gevonden, dan werd er wat terugbetaald. Hij vertelde mij dat hij werd geblokkeerd als hij meerdere betalingen had gedaan. Ik heb dat wel vaker gehoord. Ik maak wel eens geld over via de bank, via internet als ik een rekening betaal. Ik wist niet dat ik ook internationaal kon overboeken. Enige tijd geleden had ik wel eens gevraagd of hij nog met drugs te maken had. Het geld dat ik voor hem moest overmaken kreeg [medeverdachte] uit Suriname van zijn vader. Het was waarschijnlijk zijn deel of ook het deel van zijn vader, dat naar de investeerders terug moest. [medeverdachte] zei dat het (het hof begrijpt: de goudhandel) goed verdiende. Het was voor mij logisch dat als ik € 3.000 moest overmaken hij dit had verdiend met de goudhandel.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een verklaring afgelegd die grotendeels overeenkomt met de verklaring die zij in eerste aanleg heeft afgelegd, waarbij zij aanvullend heeft aangegeven rond 2002 gevraagd te hebben of [medeverdachte] nog met drugs te maken had.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de stelling dat de verdachte wetenschap had – ook niet in voorwaardelijke zin – van de illegale herkomst van de geldbedragen. Het hof is echter wel van oordeel dat de verdachte dit redelijkerwijs had moeten vermoeden en overweegt daartoe als volgt.

Als gezegd, heeft de verdachte verklaard dat zij ervan uitging dat de geldbedragen afkomstig waren uit de goudhandel en appartementenverhuur. De betalingen dienden ter aflossing of terugbetaling van door derden ten behoeve van die goudhandel verschaft geld of gedane investeringen.

De verdachte heeft echter ook eenmaal een bedrag van € 2.900 aan de vader van [medeverdachte] , die in Suriname verbleef, overgeboekt. Dat strookt niet met de gedachte van de verdachte dat het ging om bedragen die waren verdiend met de goudwinning door [medeverdachte] en zijn vader in Suriname. Dan zou het geld immers eerst vanuit Suriname naar Nederland zijn gebracht, om dat vervolgens aan de vader van [medeverdachte] over te boeken. De door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gegeven verklaring hiervoor, namelijk dat deze overboeking naar de vader van [medeverdachte] plaatsvond op een moment dat deze bijvoorbeeld een maand later geld tekort kwam, is niet nader onderbouwd en overigens niet aannemelijk geworden.

De verdachte heeft verder verklaard dat zij de geldbedragen namens [medeverdachte] moest overboeken omdat hij geen bedragen meer op zijn eigen naam mocht overboeken. Deze stelling is niet onderbouwd en overigens niet aannemelijk geworden. Het is bovendien niet logisch dat voldoening van legale schulden uit legale inkomsten door middel van money transfers moet plaatsvinden, met name gelet op het feit dat hieraan kosten zijn verbonden die hoger zijn dan de kosten verbonden aan overschrijvingen via de bank.

Voorts had de verdachte zich moeten afvragen waarom zij de gelden moest overboeken terwijl het voor de hand had gelegen dat het goudwinningsbedrijf die overboekingen had verzorgd als het ging om afbetaling van machines.

De verdachte heeft ook verklaard dat zij in het verleden op enig moment (omstreeks 2002) aan [medeverdachte] gevraagd heeft of hij nog met drugs te maken had, waaruit blijkt dat zij die mogelijkheid toen in ieder geval niet uitsloot. Dit had haar ook in latere jaren voorzichtiger dienen te maken, zeker als in een periode van grote financiële nood [medeverdachte] , zonder verdere inkomsten in Nederland, een aantal malen over grote geldbedragen beschikte. Voorts mag als feit van algemene bekendheid worden aangenomen dat uit landen in Zuid-Amerika als Argentinië (waarnaar het geld moest worden overgemaakt) veel cocaïne Nederland wordt ingevoerd en dat dit veelal gepaard gaat met de overmaking in tegengestelde richting van geldbedragen.

Gelet op de bovengenoemde omstandigheden had van de verdachte mogen worden verwacht dat zij zich tegenover [medeverdachte] vergewiste van de herkomst van de door haar over te maken gelden. Zij had daarbij geen genoegen mogen nemen met zijn enkele mededeling dat het geld afkomstig was uit de goudwinning of de appartementenverhuur en met het door [medeverdachte] enkel tonen van een aantal foto’s met betrekking tot goudwinning. Zij is in haar onderzoeksplicht ter zake tekort geschoten, hetgeen haar wordt verweten.

Het hof is op grond van genoemde feiten en omstandigheden dan ook van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de door haar overgemaakte bedragen van misdrijf afkomstig waren. Anders dan de rechtbank acht het hof niet bewezen dat de verdachte dit feit heeft medegepleegd, aangezien het hof uit de bewijsmiddelen niet kan afleiden dat met betrekking tot het schuldwitwassen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 april 2010 tot en met 13 november 2010 te Amsterdam en Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal 22.690 euro, te weten op

- 1 april 2010 een bedrag van 2.350 euro en op

- 25 april 2010 een bedrag van 4.680 euro en op

- 16 juni 2010 een bedrag van 4.000 euro en op

- 10 juli 2010 een bedrag van 3.160 euro en op

- 25 oktober 2010 een bedrag van 4.500 euro en op

- 8 november 2010 een bedrag van 2.900 euro en op

- 13 november 2010 een bedrag van 1.100 euro

voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zijn opgenomen in de bijlage die bij dit arrest is gevoegd en daarvan deel uitmaakt.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

schuldwitwassen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlemmermeer, heeft de verdachte voor het in eerste aanleg ten aanzien van feit 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het schuldwitwassen van een geldbedrag van in totaal ruim € 22.000. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij zich onvoldoende kritisch heeft opgesteld en zonder enig nader onderzoek heeft gehandeld door contante geldbedragen over te boeken naar het buitenland. Het voorhanden hebben en overdragen van geld dat afkomstig is van misdrijf vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Bovendien heeft het in omloop zijn van een dergelijk groot, witgewassen en aan het zicht van justitie en ‘s rijksbelastingen onttrokken geldbedrag een sterk corrumperende werking en faciliteert het veelal ander strafbaar handelen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 april 2016 is zij niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Voorts houdt het hof rekening met het tijdsverloop sinds het plegen van de thans bewezen geachte feiten.

Het hof heeft acht geslagen op het over de verdachte op 17 april 2014 uitgebrachte reclasseringsrapport. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het gegeven dat de verdachte grotendeels alleen de zorg voor vier kinderen heeft geen reden is om geen onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. E. Mijnsberge, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Dudok van Heel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 mei 2016.