Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1854

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-05-2016
Datum publicatie
20-09-2016
Zaaknummer
200.183.986/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Indringende en opvallende meer dan 2 vierkante meter grote afbeelding op raam dichtbij grens met kleine tuin van buren. Onrechtmatige huurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/446

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.183.986/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 4560009 KK EXPL 15-1478

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 mei 2016 (bij vervroeging)

inzake

[appellant 1] en

[appellant 2] ,

beiden wonend te [woonplaats 1] ,

appellanten,

advocaat: mr. J. Elte te Amsterdam,

tegen

ZEBRU B.V.,

gevestigd te Amsterdam ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. S. Rötscheid te Almere.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellanten] en Zebru genoemd. Appellanten c.s. afzonderlijk worden aangeduid als [appellant 2] en [appellant 1] .

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 4 januari 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 11 december 2015, in kort geding gewezen tussen Zebru als eiseres en [appellanten] als gedaagden. De appeldagvaarding bevat de grieven. [appellanten] hebben ter rolle geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding en producties in het geding gebracht.

Zebru heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, voor zover daarbij de vordering van Zebru tot verwijdering van de raamdecoratie is toegewezen, die vordering alsnog zal afwijzen en Zebru zal veroordelen tot vergoeding van de kosten van het opnieuw aanbrengen van de raamdecoratie, met beslissing over de proceskosten.

Zebru heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis onder 1.1 tot en met 1.6 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Die feiten zijn, aangevuld met hetgeen het hof in hoger beroep nog is gebleken, de volgende.

a. Zebru is eigenaar van de benedenwoning met tuin gelegen aan de [straat] te [woonplaats 2] . De tuin meet ongeveer 45 m2. Zij verhuurt die woning aan derden. Ten tijde van het bestreden vonnis woonde in de woning een gezin met een dochter van 11 jaar.

b. [appellant 1] is eigenaar van de benedenwoning gelegen aan de [straat] te Amsterdam. Zij woont daarin met [appellant 2] .

c. [appellanten] hebben de woning [straat] vergroot met een uitbouw, aangeduid als [straat] , die grenst aan de tuin van [straat] . In de uitbouw oefent [appellant 2] het beroep van mediator uit. Op een van de tien ramen van de uitbouw, die ondoorzichtig zijn gemaakt omdat zij zich bevinden binnen de tweemetergrens van artikel 5:50 BW, heeft [appellant 2] een transparante fotosticker aangebracht van ongeveer 2 bij 1,20 meter, voorstellend een man en een vrouw die in de richting van de kijker leunend over een reling met elkaar in gesprek zijn. De decoratie bevond zich op de eerste verdieping van de uitbouw en was zichtbaar vanuit de tuin en de slaapkamer op de eerste verdieping van de woning [straat] .

d. Op grond van het bestreden vonnis heeft [appellant 2] de fotosticker inmiddels verwijderd.

3 Beoordeling

3.1

Bij inleidende dagvaarding heeft Zebru in kort geding gevorderd, voor zover in hoger beroep nog van belang, dat [appellanten] op straffe van verbeurte van een dwangsom worden veroordeeld de fotosticker van het raam te verwijderen. Zij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de levensgrote en indringende foto onrechtmatige hinder veroorzaakt voor de bewoners van de woning [straat] , onder meer tot gevolg hebbend dat de 11-jarige dochter van die bewoners niet meer in haar slaapkamer, die uitziet op de foto, durft te slapen. [appellanten] hebben de vordering weersproken.

3.2

De kantonrechter heeft na de mondelinge behandeling een descente gehouden en vervolgens de vordering toegewezen. Hij heeft daartoe als volgt overwogen.

De afbeelding is prominent zichtbaar vanuit de tuin. De afbeelding heeft voor (de dochter van) de bewoners van [straat] een indringend karakter, met name in de avond als zij wordt verlicht. De afbeelding is ook goed zichtbaar vanuit de slaapkamer en de overige vertrekken. Hoewel niet kan worden gezegd dat de afbeelding op zichzelf aanstootgevend of iets dergelijks is, is zij mede door haar grote afmetingen opvallend en indringend en verstoort zij een rustig beeld van een van de gevels die de intieme kleine stadstuinen omsluiten, terwijl niet valt in te zien dat [appellanten] de afbeelding niet aan een wand aan de binnenzijde van de aanbouw kunnen bevestigen dan wel aan een raam aan de andere zijde van de aanbouw, zodat geen hinder wordt veroorzaakt.

3.3

Tegen voormeld oordeel komt [appellanten] op met vijf grieven, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

3.4

Het leven in een min of meer dichtbevolkt gebied zoals Amsterdam Zuid brengt voor buren zowel de plicht mee om rekening met elkaar te houden, als de gehoudenheid om verdraagzaam te zijn. Een bepaalde mate van hinder zal moeten worden aanvaard. Waar de grens met onrechtmatige hinder ligt is niet in het algemeen te zeggen, maar is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden, het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend en de mogelijkheid, ook financieel, om maatregelen ter voorkoming van de schade te nemen.

3.5

De kantonrechter heeft de situatie ter plaatse in ogenschouw genomen. Op grond daarvan heeft hij geoordeeld dat de afbeelding vanuit de tuin en de woning [straat] goed zichtbaar is, een indringend karakter heeft en het rustige gevelbeeld rondom de tuin verstoort. De door partijen overgelegde foto’s bevestigen dit. Het hof zal dus afgaan op de verslaglegging door de kantonrechter. Hetgeen [appellanten] in hoger beroep hebben aangevoerd over zichtlijnen en de betrekkelijke omvang van de afbeelding in relatie tot de omvang van de gehele raampartij en in relatie tot de omvang van de tuin doet aan de bevindingen van de kantonrechter onvoldoende af.

3.6

[appellanten] benadrukken in hoger beroep dat de afbeelding een neutraal en niet aanstootgevend karakter heeft. Dat is in beginsel wel juist, maar het hof kan niet negeren dat op de foto nu juist datgene levensgroot is afgebeeld wat ter plaatse in werkelijkheid niet is toegestaan: mensen die uitzicht hebben over het erf en in de woning [straat] . Deze omstandigheid maakt de afbeelding niet zozeer aanstootgevend, maar ontneemt haar wel degelijk haar neutrale karakter en dat niet alleen voor kinderen.

3.7

Of iets als hinderlijk wordt ervaren wordt altijd ten dele door subjectieve factoren bepaald. Objectief kan echter wel worden vastgesteld dat van alle omliggende woningen (de slaapkamer op de eerste verdieping van) de woning [straat] van het meest dichtbij uitkijkt op het raam met de decoratie. Dat de eigenaren/ bewoners van de andere omliggende woningen niet over de afbeelding hebben geklaagd vormt voor het hof dan ook geen aanwijzing dat de klachten van de bewoners van [straat] overdreven zijn of berusten op overgevoeligheid.

3.8

[appellanten] hebben onvoldoende betwist dat de foto bij de jonge dochter van de bewoners van [straat] angstgevoelens oproept. Uiteraard is het voor die bewoners en hun dochter mogelijk de afbeelding vanuit de woning aan het zicht te onttrekken door gordijnen te sluiten en kunnen zij ook ervan afzien om vlak bij het raam staand naar buiten te kijken. Dat neemt echter niet weg dat wanneer zij de gordijnen niet (willen) sluiten, de effecten van de foto onverminderd aanwezig zijn, maar legt bovendien de verantwoordelijkheid om hinder te voorkomen eenzijdig bij die bewoners. Daarnaast worden zij telkens wanneer zij van hun relatief kleine tuin gebruik maken van zeer dichtbij visueel geconfronteerd met deze afbeelding, die door de kantonrechter als groot, opvallend, indringend en een rustig beeld verstorend is beschreven, en hebben zij in dat geval geen mogelijkheid deze aan het zicht te onttrekken.

3.9

Het hof acht voorts van belang dat redelijke alternatieven voorhanden zijn. De fotosticker kan worden bevestigd op een raam aan de voorzijde van de uitbouw aan de Valeriusstraat. Voor voorbijgangers of voor buren aan de overkant van de straat is de indruk die de afbeelding maakt immers een volkomen andere. Ook moet er een mogelijkheid zijn de foto in combinatie met een ondoorzichtig raamfolie zodanig te bevestigen dat de afbeelding in het geheel niet zichtbaar is voor de bewoners van [straat] huis. Verder kan de foto worden afgedrukt op papier en binnen aan een wand worden opgehangen. Met deze alternatieven ondervinden de bewoners van [straat] huis geen hinder en zijn [appellanten] in de gelegenheid uit te drukken wat zij met de foto beogen. Dat het verband met “transparante communicatie” dan niet meer is te leggen, acht het hof geen zwaarwegend bezwaar.

3.10

Al het voorgaande in overweging nemende komt ook het hof tot het oordeel dat [appellanten] met de fotosticker aan de bewoners van de woning [straat] onrechtmatige hinder heeft toegebracht en dat het gebod tot verwijdering terecht is gegeven.

3.11

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij moeten [appellanten] de kosten van het geding in hoger beroep dragen.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Zebru begroot op € 711,= aan verschotten en € 894,= voor salaris;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, J.C.W. Rang en G.J. Visser en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2016.