Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1852

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-05-2016
Datum publicatie
19-09-2016
Zaaknummer
200.167.429/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 3 november 2015. Tegenbewijs is niet geleverd. Alsnog verwijzing van de verzekerde in de kosten van de reconventie in de eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.167.429/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 3103284 CV EXPL 14-2372

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 mei 2016

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats]

appellant,

tevens geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. R.F. van Leeuwen te Rotterdam,

tegen

N.V. NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816

gevestigd te Oudkarspel, gemeente Langedijk,

geïntimeerde,

tevens appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. J. van Rhijn te Alkmaar.

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom [appellant] en de Noordhollandsche genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 3 november 2015 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

Ingevolge het tussenarrest heeft [appellant] op 30 november 2015 drie getuigen doen horen, waarna de Noordhollandsche op diezelfde dag één getuige heeft doen horen. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is bij de gedingstukken gevoegd.

[appellant] heeft een memorie na enquête genomen.

De Noordhollandsche heeft eveneens een memorie na enquête genomen.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

Bij het tussenarrest heeft het hof voorshands bewezen geacht dat de aanrijding die plaatsvond op 8 februari 2014 opzettelijk is veroorzaakt en [appellant] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

2.2

Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft [appellant] drie getuigen doen horen. Deze hebben voor zover van belang en kort samengevat het volgende verklaard:

2.3

[A] heeft verklaard

- dat zijn neef [B] verhuisd moest worden van zijn ouders in Waalwijk naar zijn huis in Sprang-Capelle,

- dat hij in de loop van 8 februari 2014 een bus heeft opgehaald bij Bo-rent,

- dat hij zich niet meer herinnert wat er is gebeurd tussen het moment van het ophalen van de bus (dat blijkens de huurovereenkomst rond 12:00 uur is geweest) en de aanrijding ’s avonds rond 23:00 uur,

- dat hij niet meer weet of hij rond 23:00 uur voor de eerste of de tweede keer naar Sprang-Capelle reed,

- dat hij de afslag van de snelweg nam en op de T-splitsing afreed,

- dat hij met zijn neef [C] aan het kletsen was,

- dat hij wel doorreed,

- dat hij wel zal hebben afgeremd voor de kruising,

- dat hij al voor de T-splitsing de bocht had ingezet, in de zin dat hij al half naar de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer was gereden,

- dat hij de auto van [appellant] niet had zien aankomen,

- dat daar ineens de botsing was,

- dat de sleepdienst de beide auto’s heeft afgevoerd,

- dat zijn nichtje hem en [C] is komen halen.

Geconfronteerd met de door hem ondertekende schriftelijke verklaring, overgelegd bij de memorie van grieven, heeft hij verklaard dat hij gelooft dat hij inderdaad een aansteker aan het zoeken was, of een telefoon, maar dat hij tegelijkertijd ook de T-splitsing zag. Tevens heeft hij verklaard dat hij niet weet of zijn neef [C] de auto van [appellant] wel heeft gezien, en dat [C] wel een geluid maakte.

2.4

[C] heeft verklaard

- dat zijn neef [B] verhuisd moest worden van Waalwijk naar Sprang-Capelle,

- dat hij vanaf ongeveer 15:00 uur is gaan helpen,

- dat zij verschillende keren op en neer zijn gereden,

- dat [A] en hij om de beurt reden,

- dat zij de hele dag verhuisd hebben; dat het wel af moest,

- dat zij - voorafgaande aan de aanrijding - de afrit van de snelweg afreden,

- dat zij druk aan het praten waren,

- dat daar ineens, onverwacht, de klap was,

- dat hij de T-Splitsing niet heeft gezien,

- dat hij de auto van [appellant] niet heeft zien aankomen,

- dat hij de auto van [appellant] voorafgaande aan de aanrijding niet stil op de weg heeft zien staan,

- dat hij niet weet hoe hard [A] reed,

- dat hij niet weet of [A] heeft geremd,

- dat hij zich niet herinnert dat [A] voor de aanrijding iets van de grond heeft opgeraapt,

- dat hij na de aanrijding is opgehaald door zijn zusje [D] en dat hij niet weet hoe [appellant] is thuisgekomen, dat hij in elk geval niet met [D] is meegereden,

- dat de meubels van [B] met de sleepdienst zijn meegegaan.

Geconfronteerd met de door hem ondertekende schriftelijke verklaring, heeft hij verklaard dat hij niet meer weet wie die verklaring heeft opgesteld, dat het niet klopt dat hij de auto van [appellant] stil heeft zien staan, en ook niet dat hij zijn neef heeft gewaarschuwd.

Over de aangetroffen brief in de auto van [appellant] , die aan hem was gericht, heeft hij verklaard

- dat hij de brief naar het adres van zijn nicht had laten sturen,

- dat hij niet wist dat zij bij [appellant] in huis woonde,

- dat zijn nichtje hem de brief heeft gegeven en dat hij die na lezing weer aan haar heeft teruggegeven,

- dat hij niet weet hoe die brief in de auto van [appellant] terecht is gekomen.

2.5

[B] heeft verklaard

- dat hij in Sprang-Capelle woonde,

- dat hij wat meubels zou overnemen van zijn ouders die in Waalwijk woonden,

- dat hij zelf geen rijbewijs heeft,

- dat hij [A] heeft gevraagd om een bus te huren,

- dat [A] en [C] de spullen naar hem zouden brengen,

- dat [A] en [C] die dag twee keer hebben gereden,

- dat zij de eerste keer in de avond kwamen, net na het avondeten,

- dat zij de tweede keer niet zijn aangekomen,

- dat zij hem belden om te zeggen dat zij een ongeluk hadden gehad,

- dat hij toen met zijn oom [E] , met een auto met aanhanger naar de plaats van het ongeluk is gereden om zijn spullen op te halen,

- dat hij samen met [A] en [C] alle spullen heeft overgeladen in de aanhanger,

- dat de Opel toen al was weggesleept,

- dat er nog wel politie was,

- dat [A] en [C] bij de bus achterbleven,

- dat hij niet bij het takelbedrijf is geweest om spullen op te halen.

2.6

In contra-enquête heeft de Noordhollandsche Mattijs [F] , medewerker veiligheidszaken bij Aegon, als getuige doen horen. [F] heeft samengevat en voor zover van belang verklaard

- dat hij samen met [G] van Dekra op bezoek is geweest bij [appellant] ,

- dat hij uitgebreid heeft gesproken over de toedracht van het ongeval,

- dat [appellant] met behulp van speelgoedautootjes de situatie voor en na het ongeval heeft uitgebeeld,

- dat [appellant] heeft verklaard dat hij met normale snelheid kwam aanrijden,

- dat [appellant] heeft verklaard dat hij onverwacht werd aangereden door een van rechts komend voertuig,

- dat [appellant] heeft verklaard dat hij dat voertuig niet had zien aankomen,

- dat [appellant] niet heeft verklaard dat hij zou hebben geremd,

- dat er geen sprake was van een taalprobleem,

- dat hij telefonisch heeft gesproken met [A] ,

- dat [A] verklaarde dat hij de afslag afreed en linksaf wilde slaan,

- dat [A] verklaarde dat hij [appellant] niet had zien aankomen en tegen hem aanreed,

- dat hij [C] telefonisch heeft gesproken,

- dat [C] verklaarde dat de neven aan het kletsen waren en dat de aanrijding volkomen onverwachts kwam,

- dat [C] heeft verklaard dat hij de auto van [appellant] niet heeft zien aankomen,

- dat [C] heeft verklaard dat [A] en hij zijn opgehaald door iemand die zij hadden gebeld en dat [appellant] toen ook is meegereden en afgezet bij de McDonalds.

[F] heeft voorts verklaard dat hij de telefoongesprekken met [A] en [C] heeft opgenomen, dat hij deze voorafgaande aan het getuigenverhoor nogmaals heeft afgeluisterd en dat hij heeft geconstateerd dat de weergave van deze gesprekken in zijn rapport overeenkomt met de bandopnamen. Ook heeft hij een tweetal telefoongesprekken met [appellant] opgenomen en ook het daarvan gemaakte gespreksverslag komt overeen met de bandopnamen.

2.7

[appellant] heeft bij memorie na enquête geconcludeerd dat hij is geslaagd in het hem opgedragen tegenbewijs. Uit de verklaringen volgt immers dat [A] en [C] niet op de weg letten en om die reden [appellant] niet hebben gezien en dat [appellant] wel degelijk rijdend op de kruising is geraakt door de Mercedesbus. Volgens [appellant] moet meer waarde worden gehecht aan de onder ede afgelegde verklaringen dan aan het onderzoek dat achteraf heeft plaatsgevonden. Hij concludeert dan ook dat sprake is geweest van een ongeluk, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd en zijn vorderingen alsnog moeten worden toegewezen.

2.8

De Noordhollandsche daarentegen heeft bij memorie na gehouden enquête geconcludeerd dat het gevraagde tegenbewijs niet is geleverd. Zij stelt dat de voorgebrachte getuigen over de details van de aanrijding niets hebben verklaard. Ook overigens zijn de verklaringen van deze getuigen ongeloofwaardig. Tegenover deze verklaringen staat de verklaring van [F] , die voorafgaande aan het verhoor nogmaals de bandopnamen van de telefoongesprekken had beluisterd.

2.9

Het hof is van oordeel dat [appellant] niet is geslaagd in het tegenbewijs. Het oordeel van het hof dat voorshands vast stond dat sprake was van een opzetaanrijding was gebaseerd op de bevindingen zoals neergelegd in de rapporten van Dekra, Aegon en OAN, gecombineerd met het aantreffen van de aan [C] geadresseerde brief in de auto van [appellant] , en het feit dat [appellant] kort tevoren betrokken was geweest bij een vergelijkbare aanrijding in gezelschap van de nicht van de inzittenden van de Mercedesbus.

2.10

In genoemd OAN-rapport is op grond van sporenonderzoek vastgesteld dat de auto van [appellant] stil moeten hebben gestaan op het moment dat deze werd aangereden door de Mercedesbus. Deze vaststelling is niet weerlegd door de voorgebrachte getuigen.

Uit de getuigenverklaring van [F] kan worden opgemaakt dat [appellant] tegenover hem in strijd met die vaststelling heeft verklaard met normale snelheid te hebben gereden toen hij werd aangereden. [appellant] heeft echter geen bewijs aangedragen dat de door OAN aangetroffen sporen weerlegt, noch de daaraan verbonden conclusie.

2.11

Weliswaar is namens [appellant] in de memorie van grieven aangevoerd dat het waarschijnlijker zou zijn dat hij heeft afgeremd en dat hij ten tijde van de botsing stapvoets heeft gereden, maar daarvoor is in het aanwezige bewijs geen enkele aanwijzing te vinden. Zijn eigen verklaringen, zoals neergelegd in het onderzoeksrapport van Aegon, stroken hiermee in elk geval niet. [appellant] is hierover ook niet als getuige gehoord. Bovendien is geen bewijs aangedragen op grond waarvan kan worden aangenomen dat de aangetroffen sporen te rijmen zouden zijn met dit scenario, zodat ook dat niet is komen vast te staan.

2.12

Voorts is op grond van aangetroffen sporen vastgesteld dat de Mercedesbus rechtdoor heeft gereden op het moment van aanrijding, in een baan die niet is te rijmen met het voornemen om linksaf te slaan. Ook deze aangetroffen sporen zijn niet weerlegd, evenmin als de daaraan verbonden conclusies.

2.13

De verklaringen van [A] en [C] geven over de toedracht van de aanrijding in het geheel geen concrete informatie. Beiden verklaren zij dat de aanrijding volledig onverwacht kwam, zonder dat duidelijk wordt waarom dat het geval was. Dat klemt, nu niet is gebleken dat de kruising onoverzichtelijk was en [A] heeft verklaard dat hij steeds zicht had op de kruising. Ook overigens zijn hun verklaringen wisselend en onderling tegenstrijdig. Zo verklaren zij verschillend over het verloop van de dag en in het bijzonder het aantal ritten naar Sprang-Capelle. Zij verklaren bovendien wisselend en tegenstrijdig over het zoeken naar een telefoon dan wel aansteker vlak voorafgaande aan de aanrijding. De getuige [B] heeft over de toedracht van de aanrijding zelf niet kunnen verklaren. Wel verklaart hij tegenstrijdig aan [C] en [A] over de gebeurtenissen na de aanrijding, hetgeen de betrouwbaarheid van die verklaringen evenmin ondersteunt.

2.14

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bevindingen en conclusies in genoemde rapporten niet zijn weerlegd. Evenmin is een bevredigende verklaring naar voren gebracht voor de aanwezigheid van de aan [C] gerichte brief in de auto van [appellant] , terwijl de betrokkenen volhouden elkaar niet of nauwelijks te kennen. Over de opmerkelijke omstandigheid dat kort voor de aanrijding een vergelijkbare aanrijding plaatsvond waarbij [appellant] en [H] waren betrokken is geen nadere informatie naar voren gebracht.

De voorshands bewezen geachte stelling dat sprake is geweest van een opzetaanrijding is dan ook niet ontzenuwd. De principale grief faalt daarmee.

2.15

Zoals reeds overwogen in het tussenarrest leidt het voorgaande tevens tot het slagen van de incidentele grief. Het bestreden vonnis zal in zoverre worden vernietigd dat de vordering van de Noordhollandsche alsnog zal worden toegewezen en [appellant] alsnog zal worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie in eerste aanleg. Voor het overige zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd.

2.16

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in reconventie gewezen

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Noordhollandsche te betalen een bedrag van € 2.129,24, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in reconventie in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van de Noordhollandsche begroot op € 300,-;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Noordhollandsche begroot op € 733,40 (griffierecht + getuigentaxe) aan verschotten en € 1.896,- voor salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.R. van Harinxma thoe Slooten, J.F. Aalders en A.W.H. Vink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2016.