Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1843

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-05-2016
Datum publicatie
17-05-2016
Zaaknummer
200.174.981/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie, vaststelling behoefte (bijzondere kosten), partneralimentatie, vaststelling behoefte, limitering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/11.1

Uitspraak

AGERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 10 mei 2016

Zaaknummer: 200.174.981/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/208973 / FA RK 13-4162

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.R.P. Drielsma te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.B. Lamme te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 13 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 20 mei 2015 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, met kenmerk C/15/208973 / FA RK 13-4162.

1.3.

De man heeft op 29 september 2015 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 20 oktober 2015 en 16 november 2015 nadere stukken ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 5 november 2015 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.6.

De man heeft op 4 december 2015 nadere stukken ingediend.

1.7.

[kind A] heeft in een brief van 6 december 2015, ingekomen op 8 december 2015, haar standpunt weergegeven.

1.8.

De zaak is op 14 december 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.9.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2008 gehuwd. Hun huwelijk is op 28 augustus 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 20 mei 2015 in de registers van de burgerlijke stand. Uit een eerdere relatie van de vrouw is [kind A] ( [kind A] ) geboren [in] 1997. De man heeft haar erkend.

Partijen zijn in mei 2013 uit elkaar gegaan.

2.2.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1964. [kind A] woont bij haar in.

Zij is werkzaam in loondienst. Volgens de jaaropgaaf 2014 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 17.844,-.

Haar huur bedraagt € 911,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 152,- per maand.

Tot 8 oktober 2015 ontving zij een kindgebonden budget van 326,- per maand.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1965. Hij is [in] 2015 hertrouwd. Zijn echtgenote heeft een dochter, [kind B] , geboren uit een eerdere relatie [in] 2005. Uit een eerdere relatie van de man is [kind C] geboren [in] 1994. Zij woont op kamers.

Hij is ondernemer. Volgens het fiscaal rapport 2010 bedroeg de winst uit onderneming in dat jaar € 44.227,-. Blijkens de desbetreffende jaarrekeningen bedroeg de winst in 2011 € 45.808,-, in 2012 € 49.033,-, in 2013 € 44.161,- en in 2014 € 36.820,-. De geprognotiseerde jaarrekening 2015 vermeldt een winst in dat jaar van € 21.842,-.

Hij ontvangt een pensioenuitkering van € 431,- bruto per jaar.

Hij bewoont een aan hem in eigendom toebehorende woning. Op de woning is geen hypotheek gevestigd. Hij heeft de gebruikelijke overige eigenaarslasten.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 141,- per maand. Het eigen risico van € 31,- per maand dat aan deze verzekering is verbonden, wordt verbruikt.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] zal betalen van € 277,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, en is afgewezen het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een uitkering tot haar levensonderhoud.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de man:

- een onderhoudsbijdrage voor [kind A] zal betalen van € 1.218,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot 8 oktober 2015 en van € 1.252,- per maand met ingang van 8 oktober 2015;

- een uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen van € 761,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand en van € 693,- per maand met ingang van 8 oktober 2015,

althans zodanige bedragen vast te stellen als het hof juist acht.

3.3.

De man verzoekt het door de vrouw verzochte af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt hij:

- een zodanige onderhoudsbijdrage voor [kind A] vast te stellen als het hof juist acht met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, althans een zodanige datum als het hof juist acht;

- een zodanige uitkering tot levensonderhoud van de vrouw vast te stellen als het hof juist acht met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, althans een zodanige datum als het hof juist acht, met dien verstande dat de alimentatieverplichting in duur wordt beperkt tot vijf jaar, althans een zodanige duur als het hof juist acht.

3.4.

De vrouw verzoekt het door de man verzochte af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De vrouw heeft stukken ingediend (productie 1, 20 en 21) waarin zij een weergave geeft van de achtergronden van het huwelijk, de onderlinge verhoudingen, het gezinsleven met de man en [kind A] , de rol en plaats van [kind C] in het gezin en de organisatie van de financiën, met het verzoek die stukken als herhaald en ingelast te beschouwen in het beroepschrift en de grieven in het licht van die toelichting te lezen. De man heeft de juistheid van die weergave betwist en bezwaar gemaakt tegen voornoemd verzoek van de vrouw. Het hof volgt de man daarin. Met de man is het hof van oordeel dat uit de zeer uitvoerige weergave van de vrouw niet voldoende duidelijk blijkt op welke grieven die ziet, dan wel op welke gronden zij meent dat de bestreden beschikking onjuist is. Dit brengt met zich dat de man in zijn verdediging wordt geschaad. Op grond daarvan laat het hof de stukken buiten beschouwing. Gelet daarop wordt de reactie van de man op die toelichting (ingediend als productie 2) eveneens buiten beschouwing gelaten.

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A]

4.2.

Uit de stukken blijkt dat [kind A] de vrouw heeft gemachtigd om haar in deze procedure ook voor wat betreft de periode na haar meerderjarigheid te vertegenwoordigen.

4.3.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep zijn partijen het erover eens dat de behoefte van [kind A] , ook voor wat betreft de periode na haar meerderjarigheid, dient te worden vastgesteld aan de hand van de Nibudtabel en dat daarbij dient te worden uitgegaan van het netto gezinsinkomen in 2012. Zij zijn verdeeld over de vraag of er grond bestaat het tabelbedrag te corrigeren in verband met bijzondere kosten.

4.4.

Ten aanzien van de behoefte van [kind A] op basis van de Nibudtabel overweegt het hof als volgt.

Het fiscaal loon van de vrouw bedroeg in 2012 in totaal € 15.105,-. Het hof volgt de man in zijn betoog dat op basis daarvan het netto besteedbaar inkomen (NBI) € 1.083,- per maand bedraagt.

De rechtbank is bij de bepaling van het netto gezinsinkomen aan de zijde van de man uitgegaan van het gemiddelde van de winst uit onderneming in 2010, 2011 en 2012. De vrouw heeft betoogd dat van de winst in 2012 dient te worden uitgegaan. Het hof volgt haar daarin. De winst in de periode 2010-2012 vertoont een duidelijk stijgende lijn, hetgeen tot een toename van het gezinsinkomen heeft geleid. Aannemelijk is dat dit de behoefte van [kind A] heeft verhoogd. Daarnaast houdt het hof rekening met de pensioenuitkering van € 3.082,- bruto per jaar die de man in 2012 ontving.

Volgens de vrouw dient voorts rekening te worden gehouden met zwarte inkomsten van de man van € 800,- per maand. Daartoe heeft zij betoogd dat de man destijds (naast vioollessen aan kinderen) vioollessen aan volwassenen gaf, waarvan hij de inkomsten contant ontving en niet opgaf aan de belastingdienst. De man heeft de hoogte van die inkomsten betwist. Hij heeft betoogd dat hij ook niet in staat zou zijn het door de vrouw gestelde bedrag aan zwarte inkomsten te verwerven, reeds gezien het groot aantal optredens en lessen aan kinderen dat hij destijds gaf. Ter onderbouwing van het door hem gestelde aantal lessen aan kinderen heeft hij zich beroepen op een door hem ingediend overzicht. Verder heeft hij aangevoerd dat het in de muziekwereld gebruikelijk is om betalingen contant te verrichten en dat dit niet duidt op zwarte inkomsten. Ter zitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij in 2012 zwarte inkomsten had van ongeveer € 200,- per maand.

Het hof zal uitgaan van de door de man gestelde inkomsten van € 200,- per maand. Een hoger bedrag aan inkomsten heeft de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet, althans onvoldoende onderbouwd. Het voorgaande leidt tot een NBI van de man van € 3.437,- per maand. Het netto gezinsinkomen bedraagt daarmee € 4.520,- per maand.

4.5.

Het hof gaat bij de bepaling van de behoefte uit van de tabel voor twee kinderen, nu [kind C] ten tijde van het huwelijk mede deel uitmaakte van het gezin. Uit de toelichting op de Nibudtabellen volgt dat bij een gezin met twee kinderen de gemiddelde kosten per kind lager zijn dan bij een gezin met één kind, hetgeen is verdisconteerd in de tabelbedragen. De stelling van de vrouw dat de kosten van [kind C] ten tijde van het huwelijk werden voldaan uit haar inkomsten doet aan dat schaalvoordeel niet af, nog daargelaten dat de vrouw die stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Verder is niet gesteld of gebleken dat de door de vrouw gestelde inkomsten van [kind C] ten goede zijn gekomen aan het gezinsinkomen, zodat het hof ook voorbijgaat aan het (subsidiaire) betoog van de vrouw dat het netto gezinsinkomen van partijen met die inkomsten dient te worden verhoogd.

Het voorgaande brengt met zich dat de behoefte van [kind A] op basis van de Nibudtabel € 515,- per maand bedraagt.

4.6.

Met de vrouw is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak aanleiding bestaat het tabelbedrag te corrigeren. Uit de stukken blijkt dat [kind A] viool speelt op een hoog niveau. Niet in geschil is dat zij in het kader daarvan ongeveer 25 uur per week besteedt aan studie, lessen, repetities en optreden. Verder volgt uit de stukken dat daarvoor aanzienlijke kosten worden gemaakt. Gelet daarop is het hof van oordeel dat sprake is van bijzondere kosten die niet in de hiervoor genoemde Nibudtabel zijn verdisconteerd en bovendien niet zijn te compenseren met andere uitgavenposten. De stelling van de man dat de kosten voor vioollessen en daarmee verband houdende kosten voor [kind A] en [kind C] ten tijde van het huwelijk werden voldaan uit de inkomsten van [kind C] , maakt het voorgaande niet anders, wat er zij van de juistheid van die stelling.

Ter onderbouwing heeft de vrouw overzichten ingediend van de maandelijkse kosten voor [kind A] , een overzicht van haar accountant ten aanzien van de gezinsuitgaven in de periode van 2012 tot en met 2014 en onderliggende stukken van een aantal van die kosten. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat in het overzicht van de accountant uitsluitend kosten zijn opgenomen die met bankafschriften zijn onderbouwd, maar dat zij ook een aantal kosten voor [kind A] contant heeft voldaan en nog immer voldoet, hetgeen door de man niet is weersproken. Volgens de vrouw bedragen de maandelijkse kosten voor [kind A] inclusief muziekgerelateerde kosten € 1.540,- per maand.

Het hof zal uitsluitend ingaan op de kosten die de vrouw heeft opgevoerd in verband met de vioollessen van [kind A] en de daarmee verband houdende kosten. Partijen zijn het er immers over eens dat ten aanzien van de overige (gangbare) kosten aansluiting dient te worden gezocht bij de Nibudtabel.

De man heeft de hoogte van de door de vrouw opgevoerde kosten voor (alt)vioollessen en daarmee verband houdende kosten in algemene zin betwist. Hij heeft evenwel nagelaten die betwisting nader te onderbouwen, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. Verder heeft hij betoogd dat de keuze van [kind A] om ook altviool te spelen geen extra kosten oplevert. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van de vrouw gelegen in dat kader een nadere toelichting te geven hetgeen zij heeft nagelaten. Gezien het voorgaande zal het hof in redelijkheid het Nibudtabelbedrag met een bedrag van € 350,- per maand verhogen. Dit leidt tot een behoefte van in totaal € 865,- per maand.

4.7.

Voor zover de man heeft betoogd dat de biologische vader van [kind A] onderhoudsplichtig jegens haar is, volgt het hof hem daarin niet. Uitgangspunt is dat de biologische vader niet onderhoudsplichtig is indien het kind reeds een wettige vader heeft. Dit is met name anders indien de wettige vader niet in staat is om in het levensonderhoud van het kind te voorzien of dat zulks op andere grond niet in rechte kan worden afgedwongen dan wel dat van de moeder redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat zij hem ter zake aanspreekt. Van dergelijke omstandigheden is in de onderhavige zaak geen sprake. Dit brengt met zich dat de kosten van [kind A] dienen te worden verdeeld tussen de man en de vrouw.

4.8.1.

Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt het hof als volgt. Uit de geprognotiseerde winst- en verliesrekening 2015 blijkt dat de omzet uit optredens ten opzichte van voorgaande jaren aanzienlijk is teruggelopen. Ter onderbouwing heeft de man betoogd dat hij in het verleden veel optrad in zorgcentra, maar dat het aantal optredens in die sector door bezuinigingen sterk is teruggelopen. Verder heeft hij aangevoerd dat hij heeft getracht zijn inkomsten elders in de muziekwereld te vergroten, maar dat hij daarin niet is geslaagd, omdat [kind A] zich in de muziekwereld negatief over hem heeft uitgelaten, hetgeen ten koste is gegaan van zijn reputatie. Het hof acht het betoog dat de man vanwege verklaringen van [kind A] niet in staat is geweest voornoemd omzetverlies te compenseren, onvoldoende onderbouwd, gelet op de inhoud van die verklaringen en de gemotiveerde betwisting van dat betoog door de vrouw. Verder is als onweersproken komen vast te staan dat de man zijn inkomen in het verleden vaker te laag heeft gepresenteerd. Gelet daarop ziet het hof aanleiding de geprognotiseerde winst in 2015 buiten beschouwing te laten. Het hof zal uitgaan van het gemiddelde van de winst in 2013 en 2014, nu de winst in de periode tot en met 2014 enerzijds een wisselend beeld laat zien, doch anderzijds sprake lijkt te zijn van een dalende trend. Dit leidt tot een gemiddelde winst van € 40.491,- per jaar. Het hof houdt voorts rekening met de onder 2.3 genoemde pensioenuitkering van € 431,- bruto per jaar. De stelling van de vrouw dat de man daarnaast ook thans nog zwarte inkomsten heeft, is tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd.

Het voorgaande leidt tot een NBI van de man van € 2.722,- per maand.

Uitgaande van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 875,-)], (de man heeft een NBI dat hoger is dan € 1.525,- per maand), heeft de man een beschikbare draagkracht van € 721,- per maand. Bij deze benadering wordt het draagkrachtloos inkomen vastgesteld op 30% van het NBI in verband met forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 875,- aan overige lasten en is van het bedrag, dat van het NBI resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. Gebleken is dat op de woning van de man geen hypotheekschuld is gevestigd. De man heeft verder niet aangevoerd dat met andere lasten behoudens de overige gebruikelijke eigenaarslasten rekening dient te worden gehouden. Nu de behoefte van [kind A] , die zoals hiervoor is overwogen € 865,- bedraagt en daarmee de op basis van de forfaitaire berekening beschikbare draagkracht van de man overstijgt, ziet het hof in deze omstandigheden aanleiding om bij het bepalen van de draagkracht van de man tot het voldoen van een kinderbijdrage, niet uit te gaan van forfaitaire woonlasten maar van het gegeven dat hij, behoudens de onder 2.3 vermelde overige eigenaarslasten, geen woonlasten heeft. Ten aanzien van de overige eigenaarslasten gaat het hof in redelijkheid uit van een bedrag van € 95,- per maand. Dit leidt tot de volgende draagkracht berekening: 70% [NBI - (€ 95,- + € 875,-)], hetgeen resulteert in een beschikbare draagkracht van € 1.226,- per maand.

4.8.2.

Het betoog van de man dat in de periode tot 11 augustus 2015 rekening dient te worden gehouden met zijn onderhoudsverplichting jegens [kind C] behoeft geen bespreking. Die periode ligt voor de ingangsdatum die de rechtbank heeft gehanteerd, die in hoger beroep niet ter discussie staat.

Het hof houdt rekening met het feit dat de man sinds zijn huwelijk met zijn huidige echtgenote onderhoudsplichtig is jegens [kind B] . De man heeft echter geen inzicht geboden in het inkomen van zijn echtgenote en evenmin in de financiële situatie van de vader van [kind B] . Onder die omstandigheden zal het hof de beschikbare draagkracht van de man in de periode vanaf 10 oktober 2015 in redelijkheid voor een derde deel toerekenen aan [kind B] en voor twee derde deel aan [kind A] .

Het voorgaande leidt tot een beschikbare draagkracht van de man voor [kind A] van € 1.226,- per maand in de periode tot 10 oktober 2015 en van € 817,- per maand in de daaropvolgende periode.

4.9.

Het hof ziet geen grond de alimentatieverplichting van de man te matigen, zoals door hem verzocht. De door de man gestelde gedragingen van [kind A] zien op de periode tot haar meerderjarigheid en kunnen reeds om die reden niet tot matiging leiden. Los daarvan is het hof van oordeel dat de door de man gestelde gedragingen van [kind A] geen beroep op matiging rechtvaardigen.

4.10.

Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw overweegt het hof als volgt.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat zij een week voor de zitting een tijdelijke aanstelling heeft gekregen die loopt tot medio 2016 en dat haar inkomen op basis van die aanstelling € 1.695,- netto per maand bedraagt. Dat inkomen is door de man niet weersproken, zodat het hof daarmee rekening houdt. Voor wat betreft de periode na haar tijdelijke aanstelling gaat het hof uit van een inkomen ter hoogte van haar huidige salaris, bij gebrek aan aanknopingspunten die tot een andersluidende conclusie kunnen leiden. Ten aanzien van de periode tot een week voor de zitting in hoger beroep gaat het hof uit van het fiscaal loon van de vrouw in 2014.

De vrouw maakte tot 8 oktober 2015 aanspraak op een kindgebonden budget van 326,- per maand. Het hof zal het NBI van de vrouw in de periode tot 8 oktober 2015, conform de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011), met dat kindgebonden budget verhogen.

Het voorgaande leidt tot een NBI van de vrouw van € 1.612,- per maand met ingang van 28 augustus 2015 tot 8 oktober 2015, van € 1.286,- per maand met ingang van 8 oktober 2015 tot 7 december 2015 en van € 1.695,- per maand met ingang van 7 december 2015.

Het hof zal de draagkracht van de vrouw met ingang van 28 augustus 2015 tot 8 oktober 2015 en met ingang van 7 december 2015 vaststellen aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 875,-)], nu de vrouw in die perioden een netto besteedbaar inkomen heeft dat hoger is dan € 1.525,- per maand. Dit leidt tot een beschikbare draagkracht van € 177,- per maand met ingang van 28 augustus 2015 tot 8 oktober 2015 en van € 218,- per maand met ingang van 7 december 2015.

Het NBI van de vrouw in de periode met ingang van 8 oktober 2015 van 7 december 2015 is lager dan € 1.525,- per maand. Op grond van de Aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen zal het hof in die periode uitgaan van de draagkrachttabel 2015, behorende bij het Rapport Alimentatienormen. Daaruit volgt een beschikbare draagkracht van € 67,- per maand.

4.11.

Op grond van de onderlinge draagkracht van partijen bedraagt het aandeel van de man in de kosten van [kind A] in de periode met ingang van 28 augustus 2015 tot 8 oktober 2015 € 756,- per maand (1.226/(1.226+177) x € 865,-). Het aandeel van de man in de periode van 8 oktober 2015 tot 10 oktober 2015 leidt tot een hoger bedrag, maar die periode is zodanig beperkt dat het hof uit praktisch oogpunt ook in die periode zal uitgaan van een aandeel van de man van € 756,- per maand. Met ingang van 10 oktober 2015 tot 7 december 2015 bedraagt het aandeel van de man in de kosten van [kind A] € 799,- per maand (817/(817+67) x € 865,-). Met ingang van 7 december 2015 bedraagt het aandeel van de man in de kosten van [kind A] € 683,- per maand (817/(817+218) x € 865,-).

Uitkering tot levensonderhoud van de vrouw

4.12.

De vrouw heeft gesteld dat haar behoefte op basis van de hofnorm netto € 2.178,- per maand bedraagt. Voorts heeft zij ter onderbouwing van haar behoefte een overzicht van haar huidige kosten ingediend, alsmede een, door haar accountant gecontroleerde, opsomming van de gezinsuitgaven in de jaren 2012 t/m 2014. De man heeft de behoefte van de vrouw aan een aanvullende uitkering tot haar levensonderhoud betwist en daartoe gesteld dat zij haar behoefte niet met onderliggende stukken heeft onderbouwd.

In aanmerking genomen dat het NBI van partijen € 4.520,- netto per maand bedroeg en gelet op de hoogte van de gezinsuitgaven in 2012, zoals die blijkt uit voornoemd overzicht van de accountant van de vrouw in 2012, is het aannemelijk dat het NBI van partijen in het laatste jaar van hun samenwonen vrijwel geheel aan het gezin ten goede is gekomen. Het hof tekent hierbij aan dat de vrouw in het bedoelde overzicht van gezinsuitgaven in 2012 de kosten voor [kind C] niet tot de gezinsuitgaven heeft gerekend. Niet gesteld of gebleken is dat het NBI behoudens het deel van het inkomen dat aan [kind A] werd besteed, aan een van partijen in meerdere mate ten goede is gekomen. Tegen die achtergrond is het naar het oordeel van het hof redelijk om in het onderhavige geval ervan uit te gaan dat de vrouw na beëindiging van het huwelijk, behoefte had aan 60 procent van het NBI van partijen minus de kosten van [kind A] . Bij dat percentage neemt het hof in aanmerking dat de vrouw als alleenstaande relatief hogere kosten heeft dan ten tijde van haar huwelijk. De enkele stelling van de man dat de vrouw de door haar gestelde behoefte niet met onderliggende stukken heeft onderbouwd, doet hier niet aan af, nu die kosten afgezet tegen het besteedbaar inkomen ten tijde van het huwelijk het hof alleszins redelijk voorkomen. Ook zijn stelling dat de woonkosten van de vrouw te hoog zijn, wordt verworpen nu haar woonkosten, waarin het aandeel van [kind A] is verdisconteerd, in overeenstemming zijn met de welstand waarin partijen hebben geleefd.

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 4.8.1 gaat het hof bij de bepaling van de draagkracht van de man uit van het gemiddelde van de winst in 2013 en 2014 en van een pensioenuitkering van € 431,- bruto per jaar. Op grond daarvan, de overige onder 2.3 genoemde lasten en de hiervoor vastgestelde onderhoudsbijdrage voor [kind A] in de periode tot 10 oktober 2015, is de man in de periode met ingang van 28 augustus 2015 tot 10 oktober 2015 in staat een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te voldoen van € 375,- per maand.

Met ingang van 10 oktober 2015 is de man niet in staat om, naast de kosten die hij voor [kind B] heeft en zijn aandeel in de kosten van [kind A] , een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te betalen.

Nu de draagkracht van de man van € 375,- per maand in de periode met ingang van 28 augustus 2015 tot 10 oktober 2015 de aanvullende behoefte van de vrouw niet overstijgt zal het hof bepalen dat de man dat bedrag aan uitkering tot levensonderhoud van de vrouw verschuldigd is.

Limitering

4.13.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw genoegzaam onderbouwd dat zij haar werkzaamheden vanwege de zorg voor het gezin tijdens het huwelijk heeft moeten verminderen en dat daardoor haar verdiencapaciteit in negatieve zin is beïnvloed. Voorts heeft de vrouw met de door haar gegeven onderbouwing genoegzaam onderbouwd dat zij zich de afgelopen jaren in voldoende mate heeft ingespannen om in haar levensonderhoud te voorzien en in het licht daarvan heeft de man onvoldoende onderbouwd dat de vrouw binnen enkele jaren in staat is een inkomen te verdienen waarmee zij in haar levensonderhoud kan voorzien. Onder die omstandigheden dient het verzoek van de man tot limitering te worden afgewezen.

4.14.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de daarin vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] en voor zover het de afwijzing betreft van het verzoek tot het vaststellen van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw in de periode met ingang van 28 augustus 2015 tot 10 oktober 2015 en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging in opvoeding van [kind A] zal betalen van € 756,- per maand met ingang van 28 augustus 2015 tot 10 oktober 2015 en dat hij een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind A] zal betalen van € 799,- per maand in de periode met ingang van 10 oktober 2015 tot 7 december 2015 en van € 683,- per maand met ingang van 7 december 2015;

bepaalt dat de man een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw zal betalen van € 375,- per maand met ingang van 28 augustus 2015 tot 10 oktober 2015;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de afwijzing van het verzoek tot het vaststellen van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw voor wat betreft de periode met ingang van 10 oktober 2015;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mw. mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, G.B.C.M. van der Reep en C.E. Buitendijk in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2016.