Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1840

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-05-2016
Datum publicatie
17-05-2016
Zaaknummer
200.166.238/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Erfenis van in India woonachtige moeder van vrouw valt in huwelijksgoederengemeenschap tussen vrouw en man. Geen aanleiding tot toepassing zgn. aanpassingsleer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0142
ERF-Updates.nl 2016-0113
EB 2016/77
JERF 2018/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 10 mei 2016

Zaaknummer: 200.166.238/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/561735 / FA RK 14-2071

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. A.J. van Ommeren te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R. van Coolwijk te Eindhoven.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 12 maart 2015 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 17 december 2014 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/561735 / FA RK 14-2071.

1.3.

De man heeft op 24 april 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 12 en 13 november 2015 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 26 november 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2002 te Amsterdam in gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is op 23 december 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 27 november 2013 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

De man heeft op 18 maart 2013 bij de rechtbank het inleidend verzoek tot echtscheiding ingediend, waardoor per die datum de huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden.

2.3.

De moeder van de vrouw, die in India woonachtig was, is in mei 2009 aldaar overleden. Zij had geen testament opgemaakt.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap gelast.

3.2.

Na vermindering van haar verzoek ter zitting in hoger beroep verzoekt de vrouw thans, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat:

-de vrouw de helft van de nalatenschap van haar moeder niet met de man hoeft te verrekenen (het hof begrijpt: te delen);

-de helft van de door de man over 2012 ontvangen bonus door de man aan de vrouw moet worden vergoed;

-de man de door de vrouw, vanwege de over de periode tot augustus 2013 door hem betaalde alimentatie verschuldigde belastingheffing volledig aan de vrouw voldoet;

-de man zijn aangiften en aanslagen inkomstenbelasting over 2012 en 2013 alsnog aan de vrouw ter hand stelt.

3.3.

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

Aandeel vrouw in nalatenschap van haar moeder

4.1.

In mei 2009 is de moeder van de vrouw, die in India woonde, aldaar overleden. Zij had geen testament gemaakt. De rechtbank heeft beslist dat het aandeel van de vrouw in de erfenis van haar moeder in de huwelijksgemeenschap valt, en heeft dit aandeel aan de vrouw toebedeeld, onder de verplichting voor de vrouw om de helft van de vastgestelde waarde aan de man te vergoeden. Met haar eerste grief komt de vrouw hiertegen op. Haar moeder was Hindoe. Blijkens een door haar in het geding gebracht rapport van het Internationaal Juridisch Instituut van 2 februari 2015 gelden voor Hindoes in India de Hindu Marriage Act 1955 en de Hindu Succession Act 1956. Tussen gehuwde Hindoes geldt geen enkele huwelijksgoederengemeenschap. De vrouwelijke gehuwde Hindoe heeft de volledige zeggenschap over haar eigendommen. Daardoor is een uitsluitingsclausule als bedoeld in artikel 1:94 lid 2, aanhef en onder a. Burgerlijk Wetboek in de relevante Indiase wetgeving niet bekend. De ouders van de vrouw konden zich er dan ook niet van bewust zijn dat een door de vrouw van hen verkregen erfenis naar Nederlands huwelijksvermogensrecht in een algehele gemeenschap van goederen zou belanden. De vrouw wijst er voorts nog op dat de man tijdens het huwelijk een erfenis van zijn vader verkregen heeft, met een tien maal grotere omvang, maar dat de vader van de man wel een testamentaire uitsluitingsclausule had gemaakt. Daardoor is die nalatenschap niet in de huwelijksgemeenschap gevallen. Gelet op al deze omstandigheden meent de vrouw dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de nalatenschap van de moeder van de vrouw niet in de huwelijksgemeenschap is gevallen.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw aangevoerd dat partijen kort voor het huwelijk jegens elkaar hebben uitgesproken dat zij over en weer geen aanspraak zouden willen maken op elkaars erfenissen. Voorts heeft de vrouw erop gewezen dat de aan haar nagelaten woning in India wordt bewoond door haar broer en deels verhuurd is en dat het voor de vrouw zeer moeilijk zal zijn om haar erfdeel feitelijk ter beschikking of getaxeerd te krijgen. Tot slot heeft de vrouw nog een beroep gedaan op de beschikkingen van het gerechtshof Den Haag van 28 mei 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:2747) en van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 maart 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:1954). Daarmee doet zij impliciet een beroep op de zogeheten “aanpassingsleer”, die neerkomt op een aanpassing van het materiële resultaat van de hoofdregel van boedelmenging van artikel 1:94 leden 1 en 2 BW, indien de uitkomst daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.2.

De man voert verweer. Hij wijst er – kort gezegd – op dat op het huwelijk van partijen Nederlands huwelijksvermogensrecht van toepassing is. Krachtens Nederlands huwelijksvermogensrecht heeft de vrouw recht op de helft van zijn vermogen, voor zover in de huwelijksgemeenschap gevallen. Bovendien heeft hij een, op Nederlands recht gebaseerde, aanmerkelijke alimentatieverplichting jegens de vrouw. Onverkorte toepassing van artikel 1:94 lid 1 BW kan dan ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geacht. De man betwist voorts dat partijen overeen zijn gekomen dat geen aanspraak zou worden gemaakt op de wederzijdse erfenissen.

4.3.

Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft – terecht – niet gegriefd tegen de toepassing door de rechtbank van Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van partijen. Voor zover de vrouw heeft willen stellen dat partijen kort voor het huwelijk zijn overeengekomen, althans tegen elkaar hebben uitgesproken dat zij geen aanspraak zouden maken op elkaars erfenissen, faalt dit betoog. De man betwist die gang van zaken en de vrouw heeft daarvan geen bewijs aangeboden. Bovendien zou een dergelijke afspraak neerkomen op een huwelijkse voorwaarde, welke op straffe van nietigheid bij notariële akte moet worden aangegaan.

Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Volgens vaste rechtspraak bepaalt het op het huwelijksvermogensrecht toepasselijke nationale recht, in casu het Nederlandse, of een verkrijging uit gift of nalatenschap al dan niet in de gemeenschap valt. De moeder van de vrouw is overleden in mei 2009, derhalve vóór de indiening van het verzoek tot echtscheiding, zonder uiterste wilsbeschikking te hebben gemaakt. Dit betekent dat het aandeel van de vrouw in de erfenis van haar moeder volgens de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW in de gemeenschap van goederen is gevallen en tussen partijen gedeeld dient te worden. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om te oordelen dat dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat de moeder van de vrouw niet op de hoogte was van het Nederlandse stelsel van gemeenschap van goederen wegens onbekendheid van een dergelijke rechtsfiguur in India, legt onvoldoende gewicht in de schaal. Uit de eigen stellingen van de vrouw volgt dat zij kort voor de huwelijkssluiting kort met de man gesproken heeft over het Nederlandse huwelijksvermogensregime. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij er op dat moment achter kwam dat er in Nederland in hoofdzaak twee verschillende huwelijksvermogensregimes bestonden. Dit betekent dat de vrouw zich in elk geval bewust moet zijn geweest van het feit dat het huwelijksvermogensregime zou worden beheerst door Nederlands recht. Zo nodig had zij zich over de gevolgen daarvan nog nader kunnen laten voorlichten. Gesteld noch gebleken is voorts dat het voor de moeder van de vrouw juridisch of feitelijk onmogelijk was om een uiterste wilsbeschikking met uitsluitingsclausule op te stellen. Tegen die achtergrond moet de omstandigheid dat de moeder van de vrouw onbekend was met de gevolgen van de Nederlandse gemeenschap van goederen voor rekening van de vrouw blijven. Zij had immers haar moeder daarover kunnen inlichten, hetgeen zij heeft nagelaten. Desgevraagd heeft de vrouw ter zitting verklaard dat zij slechts indirect met haar moeder hierover gesproken heeft. Haar moeder was bezorgd over de relatie van de vrouw met haar broer. In de laatste maanden van haar leven was zij enigszins dement. Wat daar van zij, dit is onvoldoende om te oordelen dat de vrouw in eerdere jaren geen gelegenheid heeft gehad om met haar moeder hierover te spreken. In dit licht bezien maakt het evenmin verschil dat de man een aanzienlijke erfenis heeft gehad die wel buiten de gemeenschap van goederen is gebleven. Ten overvloede merkt het hof op dat het feit dat de woning in India die in de erfenis valt wordt bewoond door de broer van de vrouw en deels wordt verhuurd, naar het hof aanneemt zal worden meegenomen in de te verrichten taxatie, zodat deze omstandigheden niet van invloed zijn op de onderhavige beslissing. De grief faalt.

Bonus 2012

4.3.

Met haar tweede grief voert de vrouw aan dat bij de verdeling alsnog rekening moet worden gehouden met de bonus over het jaar 2012 die de man van zijn werkgever heeft ontvangen. Die bonus is in april 2013 uitgekeerd, maar het betreft hier een inkomensbestanddeel dat betrekking heeft op het jaar 2012. De man was al rechthebbende op deze bonus op 31 december 2012, omdat hij toen bij zijn werkgever in dienst was.

4.4.

Volgens de man is zijn bonus over 2012 pas na de peildatum vastgesteld, opeisbaar geworden en uitbetaald. Op de peildatum had hij dus nog geen vordering ten titel van bonus. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst hij op de door hem overgelegde brief van 22 mei 2015 van [X] , HR Business Partner NNIP bij NN Investment Partners (productie 2 in hoger beroep), welke luidt, voor zover hier van belang:

“De in April 2013 uitgekeerde variabele beloning van dhr. [geïntimeerde] was op 18 Maart 2013 niet opeisbaar. Indien dhr. [geïntimeerde] op 18 maart 2013 niet in dienst geweest zou zijn bij ING IM zou de variabele beloning niet zijn uitgekeerd.”

Voorts wijst de man erop dat bij de vaststelling van zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw reeds bij zijn draagkracht met deze bonus rekening is gehouden. Verdeling van dergelijke inkomsten behoort dan niet plaats te vinden, aldus de man.

4.5.

Het hof overweegt als volgt.

Uit voornoemde brief van 22 mei 2015 blijkt dat de bonus over 2013 op de peildatum 18 maart 2013 nog niet opeisbaar was. Opeisbaarheid van een vordering is echter niet doorslaggevend voor de vraag of die vordering op de peildatum bestond en daarmee in de boedel viel. Evenmin is doorslaggevend of de omvang van die vordering op de peildatum al vaststond. De man heeft zijn stelling dat op de peildatum nog geen vordering met betrekking tot de bonus 2012 bestond tegenover de betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd. Zonder nadere toelichting vermag het hof niet in te zien hoe de passage in de brief dat de bonus niet zou zijn uitbetaald indien de man op 18 maart 2013 (de peildatum) niet in dienst was geweest bij ING IM een onderbouwing van deze stelling vormt, te minder nu de vrouw er terecht op heeft gewezen dat de man op die datum wel in dienst was bij ING IM. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw nog gewezen op de door de man als productie 1 in hoger beroep in het geding gebrachte benoemingsbrief van ING van 2 april 2004. Het hof constateert dat aldaar een aanwijzing voor het bestaan van de vordering op de peildatum inderdaad valt te lezen, omdat blijkt dat de functie van de man in aanmerking komt voor een bonus, dat de bonus wordt uitgekeerd over het jaarinkomen van december van het desbetreffende kalenderjaar, hoe de omvang van deze bonus wordt bepaald en dat de uitbetaling van de bonus achteraf geschiedt. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat de man ter zake van de bonus 2012 op de peildatum een niet-opeisbare, maar voldoende bepaalbare vordering op ING had, welke bovendien voortvloeide uit een ten tijde van de huwelijksgoederengemeenschap bestaande rechtsverhouding, en die (daarmee) in de huwelijksgemeenschap viel. De omvang van die vordering blijkt uit de salarisstrook over april 2013, die de man in het geding heeft gebracht. Daaruit blijkt dat de bonus, bestaande uit verschillende componenten, bruto in totaal € 157.793,96 en netto € 75.741,11 bedroeg.

Dat die bonus een inkomenscomponent is waarmee bij de bepaling van de hoogte van de door de man te betalen partneralimentatie rekening is gehouden, maakt niet dat de vordering ter zake van de bonus niet voor verdeling in aanmerking komt. Ook de stelling van de man dat hij de vrouw ruim vier jaar een te hoge bijdrage in haar levensonderhoud heeft betaald en vanwege de emoties van de vrouw ervan heeft afgezien daartegen stappen te ondernemen maakt dit niet anders. Dit levert niet een onaanvaardbare situatie op, zodanig dat op grond van de redelijkheid en billijkheid van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW zou moeten worden afgeweken.

De conclusie is dat de man de netto-bonus met de vrouw zal moeten delen, zodat de vrouw aanspraak heeft op een bedrag van € 37.870,56. In zoverre slaagt de tweede grief.

Door de vrouw betaalde belasting over onderhoudsbijdrage

4.6.

De vrouw stelt dat de man haar heeft toegezegd dat hij de belastingheffing in verband met de door hem aan haar betaalde bijdragen in haar levensonderhoud voor zijn rekening zou nemen. Die belastingheffing bedraagt volgens de vrouw € 40.121,-, zodat zij dit bedrag nog netto van de man tegoed had. Van dit bedrag heeft de man haar in juni 2013 € 20.000,- betaald, maar ook dit bedrag heeft de man als aftrekbare alimentatie opgegeven, met als gevolg dat daarover bij de vrouw belasting is geheven. Al met al heeft de vrouw netto nog ruim € 30.000,- tegoed van de man. De vrouw meent daarom dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat zij met de betaling van € 20.000,- bruto voldoende door de man is gecompenseerd.

4.7.

De man betwist de hoogte van het door de vrouw gestelde bedrag en wijst erop dat zij dit niet met stukken heeft onderbouwd. Voorts voert hij aan dat, door de verdeling tussen partijen van de huwelijksgemeenschap per 18 maart 2013, de vrouw meeprofiteert van de door de man tot die tijd ontvangen belastingteruggaven, nu die verdisconteerd zijn in het door de man gespaarde gemeenschappelijke vermogen.

4.8.

Het hof overweegt dat tussen partijen vast staat dat zij hebben afgesproken dat de man met ingang van 1 januari 2010 maandelijks € 2.500,- netto aan de vrouw beschikbaar zou stellen. Die betalingen hebben uiteindelijk tot 7 augustus 2013 geduurd. Doordat de man deze betalingen evenwel als aftrekpost heeft opgevoerd, zijn die bedragen bij de vrouw alsnog belast. Dat betekent weliswaar dat de man zich niet aan zijn afspraak heeft gehouden, maar het hof is met de rechtbank van oordeel dat alle fiscale teruggaven en heffingen in de periode tot de peildatum die met de onderhoudsbijdrage in verband stonden in de gemeenschap zijn gevallen respectievelijk ten laste van de gemeenschap zijn gekomen. Nu die gemeenschap tussen partijen is verdeeld heeft de vrouw per saldo, over de periode tot 18 maart 2013, alsnog gekregen waarop zij recht had ingevolge deze overeenkomst. Daarmee resteert nog slechts de periode van 18 maart 2013 tot 7 augustus 2013. De vrouw heeft nagelaten te specificeren hoe groot haar belastingnadeel over deze periode is geweest. Bij deze stand van zaken is het hof met de rechtbank van oordeel dat de betaling door de man, na de peildatum, van € 20.000 bruto als afdoende compensatie voor dit nadeel kan worden aangemerkt. De derde grief faalt.

Aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting 2012 en 2013

4.9.

Met haar vierde grief voert de vrouw aan dat de man geen inzage heeft gegeven in zijn aanslagen en aangiften inkomstenbelasting 2012 en 2013, waardoor zij niet in staat is geweest de financiële positie van de man te controleren. Zij verzoekt te bepalen dat de man die alsnog aan haar over legt. De man voert aan dat hij een volledige opgave van zijn vermogen per de peildatum heeft gegeven, die heeft geleid tot de door de rechtbank bepaalde verdeling. De vrouw heeft volgens de man geen belang bij deze bescheiden. Er is geen rechtsregel die hem verplicht rekening en verantwoording af te leggen.

4.10.

Anders dan de man, is het hof van oordeel dat de vrouw een te respecteren belang heeft bij de door haar gevraagde stukken. Op voorhand valt immers niet uit te sluiten dat de aanslagen over 2012 en 2013 een teruggave inhouden die als nagekomen bate alsnog geheel of gedeeltelijk tussen partijen verdeeld zal moeten worden. Evenzeer is overigens denkbaar dat er sprake is van nagekomen schulden. Het hof zal dit verzoek van de vrouw daarom toewijzen. Indien uit de over te leggen bescheiden van een dergelijke nagekomen bate of schuld blijkt, zullen partijen alsnog tot verdeling daarvan moeten overgaan.

Recapitulatie

4.11.

Uit het bovenstaande volgt dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

In aanvulling daarop zal de man worden veroordeeld aan de vrouw een bedrag van € 37.870,56 te voldoen in verband met de verdeling van de door hem ontvangen bonus over 2012. De man zal tevens worden bevolen een kopie van zijn aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting over 2012 en 2013 aan de vrouw ter beschikking te stellen.

4.12.

Gelet op de aard van de zaak zal het hof, conform het verzoek van de man, de proceskosten in hoger beroep tussen partijen compenseren.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 37.870,56 (zevenendertig duizend achthonderd zeventig euro zesenvijftig eurocent);

beveelt de man een kopie van zijn aangiften en aanslagen inkomstenbelasting over 2012 en 2013 aan de vrouw ter hand te stellen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten van het geding in hoger beroep draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. G.J. Driessen-Poortvliet en mr. H.A. van den Berg in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2016.