Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1801

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
200.187.015/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK. Enquete. Gegronde redenen om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen. Verzoek toegewezen. Bij wijze van onmiddellijke voorziening bestuurder geschorst en aandelen ten titel van beheer overgedragen aan beheerder.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 349a, geldigheid: 2013-01-01
Burgerlijk Wetboek Boek 2 345, geldigheid: 2013-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2016-0163
JIN 2016/129 met annotatie van E.E.G. Gepken-Jager
AR 2016/1354
AR 2016/2161
ARO 2016/136
JONDR 2016/793

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.187.015/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 11 mei 2016

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] ,

gevestigd te [....] ,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. K. de Vries, kantoorhoudende te Groningen,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARPRO INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Kampen,

VERWEERSTER,

niet verschenen,

e n t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROCEAN B.V.,

gevestigd te Gemeente Aa en Hunze,

BELANGHEBBENDE,

niet verschenen.

1. Het verloop van het geding

1.1 Verzoekster, verweerster en belanghebbende worden hierna respectievelijk (ook) aangeduid met [A] , Marpro en Eurocean.

1.2 [A] heeft bij op 8 maart 2016 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Marpro over de periode vanaf 1 januari 2014. Daarbij heeft zij tevens verzocht - zakelijk weergegeven - bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding Eurocean te schorsen als bestuurder van Marpro en de aandelen van Eurocean in het kapitaal van Marpro over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder, alsmede om Marpro te veroordelen in de kosten van het geding.

1.3 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 21 april 2016. Bij die gelegenheid heeft mr. De Vries voornoemd het standpunt van [A] toegelicht aan de hand van - aan de Ondernemingskamer overgelegde - aantekeningen. Verzoekster en haar advocaat hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

2 De feiten

2.1

Marpro is op 9 januari 2002 opgericht. [A] en Eurocean houden elk 50% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van Marpro. Zij vormen samen het bestuur van Marpro en zijn als bestuurders ieder zelfstandig bevoegd Marpro te vertegenwoordigen.

2.2

[B] (hierna: [B] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [A] . Aandeelhouder en bestuurder van Eurocean is [C] (hierna: [C] ).

2.3

Marpro houdt alle aandelen in en is enig bestuurder van Peters Shipyards Adriatic B.V. (hierna PSA genoemd).

2.4

PSA hield tot 7 april 2014 alle aandelen in de Kroatische vennootschap Leda d.o.o. (hierna Leda genoemd). Leda exploiteert een scheepswerf in Korčula (Kroatië).

2.5

Op 7 april 2014 heeft [C] (handelend enerzijds als bestuurder van Marpro, op haar beurt bestuurder van PSA, en anderzijds als bestuurder van de verkrijgende vennootschap) de aandelen in Leda om niet overgedragen aan de Kroatische vennootschap Port Mon Cher d.o.o. (hierna: PMC ). Oprichtster van en (enig) aandeelhoudster van PMC is [D] , de levenspartner van [C] . Op 22 april 2014 is in het register van de Commercial court of Split ingeschreven dat [C] met ingang van 7 april 2014 board member en director van Leda is, met uitschrijving van de toen zittende board member en director.

2.6

De voorzieningenrechter van rechtbank Midden-Nederland heeft op de vordering van Marpro en PSA bij vonnis in kort geding van 30 juli 2014 [C] , in zijn hoedanigheid van bestuurder van Eurocean en van PMC , veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan teruglevering van de aandelen in Leda aan PSA, alsmede Meijering, als rechthebbende binnen PMC , veroordeeld daaraan mee te werken en te bevorderen dat de aandelen worden teruggeleverd. Aan dit vonnis hebben [C] en Meijering niet voldaan.

2.7

PSA heeft bij de rechtbank in Split (Kroatië) een vordering aanhangig gemaakt tegen PMC strekkende tot teruglevering van de aandelen in Leda. [C] heeft de door [B] getekende volmacht van PSA aan haar Kroatische advocaat en de ingestelde procedure ingetrokken. Als gevolg daarvan is PSA op 17 februari 2016 door de rechtbank in Split niet-ontvankelijk verklaard.

3 De gronden van de beslissing

3.1

[A] heeft aan haar stelling dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en juiste gang van zaken van Marpro en dat gelet op de toestand van de vennootschap onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen ten grondslag gelegd dat Eurocean in strijd met de statuten van Marpro (die een volstrekte meerderheid vereisen) heeft gehandeld bij de overdracht van de aandelen in Leda aan Port Mon Cher . Bovendien had Eurocean helemaal niet aan de beraadslaging en besluitvorming over dit besluit mogen deelnemen, gelet op het tegenstrijdig belang bij overdracht van deze aandelen aan PMC .

3.2

De Ondernemingskamer overweegt als volgt. [C] heeft de aandelen in Leda zonder medeweten van zijn medebestuurder en zonder dat daarvoor een reële tegenprestatie was bedongen overgedragen aan een aan hemzelf en zijn levenspartner gelieerde vennootschap. De pogingen van [A] om deze overdracht ongedaan te maken heeft [C] doelbewust gefrustreerd.

3.3

Los van de vraag of [C] bij het sluiten van de overeenkomst met PMC heeft gehandeld in strijd met de statuten van Marpro, staat vast dat [C] een tegenstrijdig belang had bij de overdracht van de aandelen in Leda aan PMC . Bij deze overdracht heeft [C] als (indirect) bestuurder en aandeelhouder van Marpro kennelijk enkel zijn eigen belang voor ogen gehad en niet het belang van de vennootschap. Het was immers in het belang van Marpro dat zij de aandelen in Leda, middels PSA, zou behouden reeds omdat in die vennootschap het belangrijkste onderdeel van de onderneming (de scheepswerf) werd gedreven. Ten onrechte heeft het ontbroken aan beraadslaging en besluitvorming binnen het bestuur en de algemene vergadering van aandeelhouders van Marpro en van PSA over deze overdracht en ten onrechte is [C] geheel voorbij gegaan aan het tegenstrijdig belang bij de overdracht tussen Marpro en PSA enerzijds en hemzelf anderzijds.

3.4

Voorts is duidelijk dat de organen van Marpro niet meer naar behoren functioneren. [B] heeft ter zitting verklaard dat hij sinds juni 2014 geen contact meer heeft gehad met [C] en ook niet weet waar [C] op dit moment verblijft. De beide bestuurders en aandeelhouders hebben bovendien geen gemeenschappelijk beleid ten aanzien van Marpro. Een exemplarisch voorbeeld hiervan is de door [B] namens (de bestuurder van) PSA gestarte procedure in Split, die door [C] , eveneens handelend namens (de bestuurder van) PSA, is ingetrokken.

3.5

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Marpro die een onderzoek rechtvaardigen. De Ondernemingskamer zal een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Marpro vanaf 1 januari 2014 bevelen.

3.6

De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Marpro, zoals die blijkt uit de voorgaande overwegingen noopt tot het treffen van de navolgende onmiddellijke voorzieningen. Zij zal Eurocean schorsen als bestuurder van Marpro. De Ondernemingskamer ziet tevens aanleiding om de door Eurocean gehouden aandelen in Marpro ten titel van beheer aan een door haar te benoemen beheerder over te dragen.

3.7

De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en de te benoemen bestuurder (en beheerder) ten laste brengen van Marpro. [B] heeft ter terechtzitting desgevraagd toegezegd deze kosten voor Marpro voor te schieten.

3.8

De Ondernemingskamer zal, gelet op de financiële toestand van Marpro en het daarop gerichte verzoek van [B] , de aanwijzing van een onderzoeker vooralsnog aanhouden. [B] of de door de Ondernemingskamer benoemde beheerder kan op elk moment de Ondernemingskamer verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.

3.9

De Ondernemingskamer zal Marpro veroordelen in de kosten van het geding.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Marpro International B.V. over de periode vanaf 1 januari 2014;

benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon teneinde het onderzoek te verrichten;

stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 10.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Marpro International B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dient te stellen;

benoemt mr. A.J. Wolfs tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;

schorst, bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, met ingang van heden Eurocean B.V. als bestuurder van Marpro International B.V.;

bepaalt vooralsnog voor de duur van het geding dat de door Eurocean B.V. gehouden aandelen in Marpro International B.V. ten titel van beheer met ingang van heden zijn overgedragen aan mr. A.L. Leuftink te Soestduinen;

bepaalt dat het salaris en de kosten van de beheerder van aandelen ten laste komen van Marpro International B.V. en bepaalt dat Marpro International B.V. voor de betaling daarvan ten genoegen van de beheerder zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van diens werkzaamheden;

veroordeelt Marpro International B.V. in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van [A] begroot op € 3.400;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en prof. dr. mr. F. van der Wel RA en prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. H.H.J. Zevenhuijzen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 11 mei 2016.