Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1778

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2016
Datum publicatie
10-05-2016
Zaaknummer
23-002355-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het vastpakken van de borsten van een vrouw, een voor haar intieme plek, heeft naar het oordeel van het hof naar de uiterlijke verschijningsvorm een seksueel karakter en is objectief gezien zozeer in strijd met de sociaal-ethische norm dat sprake is van een ontuchtige handeling. Dat het gedrag van de verdachte, zoals is aangevoerd, in dit geval voortkwam uit woede en niet – zo begrijpt het hof het betoog van de raadsvrouw – uit een behoefte om een seksuele lust te bevredigen, doet hieraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002355-15

datum uitspraak: 9 mei 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-674205-14 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 april 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

ten aanzien van feit 1:

zij op of omstreeks 12 april 2014 te Amsterdam (in politiebureau Van Leijenberghlaan), opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] ( zijnde brigadier van politie), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, te weten werkzaam als chef van dienst, heeft gestompt en/of geslagen in/tegen diens gezicht/gelaat (onderkaak), waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van feit 2:

zij op of omstreeks 12 april 2014 te Amsterdam (in politiebureau Van Leijenberghlaan) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] (zijnde agent bij politie) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft zij,verdachte, die [slachtoffer 2] , door gebruik te maken van de omstandigheid dat die [slachtoffer 2] daarop niet bedacht was, gedwongen te dulden dat zij,verdachte, met haar beide handen de borsten van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de op te leggen straf tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Bespreking van een bewijsverweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder het onder 2 aan de verdachte tenlastegelegde. Daartoe heeft zij, zakelijk weergegeven, onder verwijzing naar jurisprudentie van onder meer de Hoge Raad betoogd dat het bij de borsten vastpakken geen ontuchtige handeling oplevert, nu dit op zichzelf naar uiterlijke verschijningsvorm geen seksueel karakter heeft en dat overigens wordt betwist dat de verdachte een seksuele intentie had.

Het hof overweegt als volgt.

Voorop gesteld wordt dat van een ontuchtige handeling sprake is bij een handeling van seksuele aard in strijd met de sociaal-ethische norm. Of een handeling als zodanig kan worden aangemerkt, hangt onder meer af van de omstandigheden van het geval, zoals de context en de verhouding tussen betrokkenen en de wijze van aanraking. Bij handelingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm wegens strijd met de sociaal-ethische norm als ontuchtig worden gekwalificeerd, kan het ontuchtige karakter hieraan komen te ontvallen op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval. Anderzijds is denkbaar dat een handeling die niet direct een ontuchtig karakter draagt, toch als zodanig wordt aangemerkt door de omstandigheden van het geval, waarbij de intentie van de dader gewicht in de schaal kan leggen.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat hoofdagent van politie [slachtoffer 2] de verdachte op 12 april 2014 moest onderwerpen aan een insluitingsfouillering en haar daarbij de vraag stelde of zij een beha droeg. De verdachte riep in reactie daarop “Blijf van me af, vuil teringwijf” en pakte de borsten van [slachtoffer 2] vast. Uit de verklaring van de verdachte kan worden afgeleid dat zij gericht de borsten van [slachtoffer 2] heeft vastgepakt, omdat zij er zelf niet van was gediend dat deze hoofdagent haar bij haar borsten zou aanraken. Hieruit spreekt dat de verdachte zich er van bewust is geweest dat een dergelijke aanraking op deze kennelijk ook door de verdachte als intiem ervaren plek van het lichaam als ongewenst kon worden ervaren.

Het vastpakken van de borsten van een vrouw, een voor haar intieme plek, heeft naar het oordeel van het hof naar de uiterlijke verschijningsvorm een seksueel karakter en is objectief gezien zozeer in strijd met de sociaal-ethische norm dat sprake is van een ontuchtige handeling. Dat het gedrag van de verdachte, zoals is aangevoerd, in dit geval voortkwam uit woede en niet – zo begrijpt het hof het betoog van de raadsvrouw – uit een behoefte om een seksuele lust te bevredigen, doet hieraan niet af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van feit 1:

zij op 12 april 2014 te Amsterdam in politiebureau Van Leijenberghlaan opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (een brigadier van politie), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten werkzaam als chef van dienst, heeft geslagen in diens gezicht (onderkaak), waardoor voornoemde ambtenaar pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van feit 2:

zij op 12 april 2014 te Amsterdam in politiebureau Van Leijenberghlaan door een feitelijkheid [slachtoffer 2] (een agent van politie) heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft zij, verdachte, die [slachtoffer 2] , door gebruik te maken van de omstandigheid dat die [slachtoffer 2] daarop niet bedacht was, gedwongen te dulden dat zij, verdachte, met haar beide handen de borsten van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder het onder 1 bewezenverklaarde, dat door de verdachte is bekend en ten aanzien waarvan de raadsvrouw geen vrijspraak heeft verzocht:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 25 april 2016.

2. Een proces-verbaal van aangifte van 12 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (proces-verbaalnummer PL133C-2014090909-1).

3. Een proces-verbaal van aanhouding van 12 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [slachtoffer 1] en [verbalisant] (proces-verbaalnummer PL133C-2014090909-2).

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

4. Een proces-verbaal van aangifte van 12 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (proces-verbaalnummer PL133C-2014090909-4).

Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, als verklaring van de aangeefster [slachtoffer 2] het volgende in.

Ik ben werkzaam als politieagent (het hof begrijpt gelet op hetgeen in bewijsmiddel 5 is opgenomen: hoofdagent). Op 12 april 2014 bevond ik mij op het politiebureau Van Leijenberghlaan te Amsterdam als assistent chef van dienst. De chef van dienst verzocht mij om een vrouwelijke verdachte te gaan fouilleren ter insluiting. Ik ben naar de voorgeleidingsbalie gelopen en aldaar heb ik een paar fouilleringshandschoenen gepakt en toen begon de verdachte mij uit te schelden voor kutwijf en vuile hoer.

Ik heb de verdachte medegedeeld dat ik haar moest gaan fouilleren. Ik hoorde dat de verdachte zei: “Je blijft van me af vuile hoer. Blijf van lijf teringwijf.” Daarna heb ik haar gezegd dat ik haar moest fouilleren en ik vroeg haar of zij een beha droeg. Hierop zei de verdachte weer: “Blijf van me af teringwijf”. Ik heb wederom aan haar gevraagd of zij een beha droeg. Ineens uit het niets zag ik dat zij haar beide handen uitstak en ik voelde daarop direct dat haar handen mijn borsten vastpakten. Ik schrok hier enorm van . Ik had er niet om gevraagd dus de handeling was ongewenst. De chef van dienst heeft de aanranding gezien.

5. Een proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (proces-verbaalnummer 2014090909-4).

Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant in:

Op 12 april 2014 bevond ik mij als Tweede Chef van Dienst in het politiebureau Van Leijenberghlaan. Ik was belast met het inboeken van verdachten welke aan genoemd bureau worden ingesloten. Ik was op dat moment bezig met het inboeken van [verdachte] , geboren te Amsterdam op 11 oktober 1959. Om een veilige insluiting te waarborgen diende de verdachte te worden gefouilleerd. Hiervoor verzocht ik de hoofdagent van politie [slachtoffer 2] dit te doen. Ik zag dat [slachtoffer 2] de verdachte aan een fouillering trachtte te onderwerpen. Ik zag dat de verdachte haar armen naar voren stak en met haar handen de borsten van de collega beetpakte.

6. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 25 april 2016, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik een politieagent bij de borsten heb gegrepen. Ik was niet bij zinnen die dag. Ik sloeg door.

Het is achteraf absurd dat ik zo heb geredeneerd van “zij aan mijn borsten, dan ik aan de hare”.

U, jongste raadsheer, vraagt mij waarom ik [slachtoffer 2] nu juist bij de borsten vastpakte en niet ergens anders.

Ze vroeg of ik een beha droeg.

7. Een proces-verbaal van verhoor van 12 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] (proces-verbaalnummer 2014090909-5).

Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte het volgende in.

V: De agente vroeg of u een beha droeg?

A: Toen werd ik kwaad. Ik had niet eens een beha om. Wilde zij aan mijn tieten zitten ofzo? Toen heb ik aan haar tieten gezeten.

Moet ze dat maar niet aan mij vragen. Ik wilde niet dat ze aan mij ging zitten. Niemand mag aan mijn lijf zitten. Ik heb genoeg meegemaakt. Als zij aan mij zitten, wil ik ook aan hun zitten.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een brigadier van politie en aan aanranding van een hoofdagent van politie. Uit het dossier volgt dat de verdachte ten tijde van het plegen van deze delicten haar zelfbeheersing was verloren en zogezegd door het dolle heen was. Met beide delicten heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze slachtoffers. De bewezenverklaarde aanranding acht het hof bovendien vernederend. Het hof rekent de verdachte zwaar aan dat de delicten zijn gepleegd tegen opsporingsambtenaren, die slechts hun werk deden, ten behoeve van de samenleving.

Ten voordele van de verdachte neemt het hof in aanmerking dat zij ter terechtzitting in hoger beroep spijt heeft betuigd over haar handelen en dat daar is gebleken dat haar leven tot op zekere hoogte een wending ten goede lijkt te hebben genomen.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat de verdachte, blijkens een haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 april 2016, eerder onherroepelijk is veroordeeld, zij het voor een andersoortig delict en lang geleden, zodat het hof deze veroordeling niet in het nadeel van de verdachte weegt.

Het hof heeft ten slotte acht geslagen op het reclasseringsadvies van 23 september 2014, waarin wordt geadviseerd tot het opleggen van een werkstraf.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 246, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. M.M.H.P. Houben en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van mr. M. Rasterhoff, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 mei 2016.