Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1750

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
200.161.590/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 17 Verdrag van Montreal. Passagier is tijdens een vlucht als gevolg van een allergische reactie in een anafylactische shock geraakt na het serveren van het voorgerecht. KLM aansprakelijk voor zijn schade? Bewijsopdracht passagier.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 170
Burgerlijk Wetboek Boek 6 171
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0158
S&S 2016/137
JA 2016/105 met annotatie van mr. S.M. Lankhaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.161.590/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/554413/HA ZA 13-1739

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 mei 2016

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] , [land] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. L.G.J. Hendrix te Amsterdam,

tegen:

KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en KLM genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 14 oktober 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 juli 2014, gewezen tussen [appellant] als eiser en KLM als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 26 oktober 2015 doen bepleiten, [appellant] door mr. Hendrix voornoemd en KLM door mr. G.W. Oreel, advocaat te Rotterdam, aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellant] heeft nog producties in het geding gebracht. De zaak is aangehouden in verband met schikkingsonderhande-lingen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de door hem in eerste instantie ingestelde vorderingen toe te wijzen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.

KLM heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

KLM heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van r.o. 4.4 van het bestreden vonnis en bekrachtiging van dit vonnis voor het overige, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

[appellant] heeft zich in het incidenteel hoger beroep gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 en 2.2 (aangeduid als 2.3) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. [appellant] werpt in grief 1 op dat de feiten onvolledig zijn, maar het is aan de rechtbank de relevante feiten te selecteren. Deze grief faalt dan ook.

3 Beoordeling

3.1.

Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

[appellant] is op 31 maart 2009 aan boord van KLM vlucht [vlucht 1] vertrokken vanuit New York (Verenigde Staten van Amerika) met als bestemming Amsterdam.

Vervolgens is hij op 1 april 2009 aan boord van KLM vlucht [vlucht 2] Business Class

vertrokken vanuit Amsterdam met als bestemming Accra (Ghana).

Tijdens de vlucht naar Ghana heeft [appellant] met de Cabin Attendant Business Class [X] (hierna: [X] ) gesproken over de te serveren maaltijd, bestaande uit een voorgerecht, diverse hoofdgerechten en een nagerecht, in verband met zijn allergie voor noten en schaaldieren. Na het serveren van het voorgerecht - Harissa couscoussalade, gepresenteerd met gemarineerde parelhoen, geroosterde groenten en tomaat - (hierna: het voorgerecht) is [appellant] als gevolg van een allergische reactie in een anafylactische shock geraakt. Een aan boord aanwezige arts heeft hulp verleend en heeft de gezagvoerder geadviseerd te landen. Het toestel is vervolgens in Madrid geland, waar [appellant] van boord is gegaan om in een ziekenhuis te worden behandeld.

3.2.

[appellant] vordert in dit geding een verklaring voor recht dat KLM aansprakelijk is voor de door het ongeval door [appellant] geleden en nog te lijden schade en veroordeling tot betaling van schadevergoeding. De rechtbank heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een “ongeval” in de zin van de Verdragen van Warschau en Montreal en geen fout als bedoeld in de artikelen 6:162, 170 en 171 BW. Zij heeft dan ook de vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proces-kosten.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.3.

De rechtbank was op grond van art. 2 EEX bevoegd van de vordering kennis te nemen. Beide partijen zijn het in hoger beroep erover eens dat de zaak beoordeeld dient te worden aan de hand van het Verdrag van Montreal, zodat het hof daarvan zal uitgaan.

3.4.

Artikel 17 lid 1 van het Verdrag van Montreal luidt als volgt: “De vervoerder is aansprakelijk voor schade die wordt geleden in geval van (…) lichamelijk letsel van een passagier, op grond van het enkele feit dat het ongeval dat (…) het letsel heeft veroorzaakt, plaats heeft gehad aan boord van het luchtvaartuig.” Tussen partijen is - terecht - niet in geschil dat het bij een “ongeval” in de zin van het verdrag moet gaan om een “unexpected and unusual event or happening that is external to the passenger”.

3.5.

[appellant] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat zijn letsel - de anafylactische shock - is veroorzaakt door een ongeval in de zin van artikel 17 lid 1 van het Verdrag van Montreal, dat - kort gezegd - er in bestaat dat

- hij tegen [X] heeft gezegd dat hij allergisch was voor noten en schaaldieren,

- hij [X] heeft gevraagd wat hij veilig kon eten,

- zij vervolgens samen de menukaart hebben doorgenomen en [X] daarbij niet heeft gezegd dat zij ook niet wist welke ingrediënten het voorgerecht bevatte,

- hij het voorgerecht heeft gegeten,

- het voorgerecht noten en/of schaaldieren bevatte.

Nu KLM de juistheid van deze feiten en omstandigheden, met uitzondering van het eerste punt, gemotiveerd heeft betwist, rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast ervan in beginsel op [appellant] .

3.6.

[appellant] betoogt in grief 2 in verbinding met grief 2A dat reeds sprake is geweest van een “ongeval” als bedoeld in art. 17 Verdrag van Montreal omdat

[X] niet voldoende zorg aan de dag heeft gelegd bij het doornemen van het menu en het serveren van de maaltijd, daar waar [appellant] juist had aangegeven dat hij op dat punt extra zorg behoefde. Volgens [appellant] is daarmee voldaan aan de jurisprudentie die als criterium voor een “ongeval” hanteert een “unexpected and unusual event or happening that is external to the passenger”. De kern van zijn verwijt aan KLM is dat fouten van cabinepersoneel, waaronder zowel actief handelen als nalaten moet worden begrepen, in het algemeen de aanname van een “ongeval” rechtvaardigen, aldus [appellant] .

Naar het hof begrijpt is [appellant] van mening dat reeds sprake is van een “ongeval” in de zin van deze bepaling omdat [X] hem niet gezegd heeft dat zij eigenlijk niet wist welke ingrediënten de maaltijd bevatte, dat zij niet gezegd heeft dat haar suggesties louter gebaseerd waren op vermoedens en dat zij dus niet kon garanderen dat het voorgerecht geen allergenen bevatte, waarmee zijn vorderingen voor toewijzing gereed liggen. Het hof deelt deze mening van [appellant] niet. Het enkele feit dat [X] haar informatieplicht volgens [appellant] heeft geschonden, ongeacht of het voorgerecht noten en/of schaaldieren bevatte, kan niet de conclusie dragen dat reeds daarom sprake is van een “ongeval” in de zin van artikel 17 lid 1 Verdrag van Montreal. Dit betekent dat wordt toegekomen aan de volgende grieven. Hierbij zal dan nogmaals de vermeende schending door [X] van haar informatieplicht, zoals verwoord in grief 2A, aan de orde komen.

3.7.

[appellant] betoogt met de grieven 2 in verbinding met 2B, 3, 4 en 5, kort samengevat, dat het in dit geval op de weg van KLM ligt om te bewijzen dat het voorgerecht geen noten en/of schaaldieren bevatte.

In grief 5 voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat hij ook allergisch is voor sporen van noten en schaaldieren. Nu hij stelt dat niet te zijn, zal het hof hiervan uitgaan.

[appellant] meent dat de bewijslast en daarmee het bewijsrisico op KLM dienen te rusten. Hij beroept zich hiervoor op artikel 21 Verdrag van Montreal dat de passagier een hoge mate van bescherming beoogt te bieden en het ontbreken van een ongevalsrapportage waardoor niet kan worden uitgesloten dat het voorgerecht toch noten en/of schaaldieren bevatte. Bij een verdrag waaraan een hoge passagiers-beschermende gedachte ten grondslag ligt, past ook een passagiersvriendelijk bewijsregime teneinde de aan de passagiers toegekende bescherming te waarborgen en deze niet tot (sanctie)loze rechten te maken, aldus [appellant] .

Ten aanzien van het ontbreken van de ongevalsrapportage verwijst [appellant] naar een arrest van dit hof van 3 december 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:4457). In dat arrest lag de vraag voor of de schade door het vallen van de handbagage van een medepassagier tijdens het plaatsen ervan in de overhead bins in een vliegtuig op het hoofd van het slachtoffer mede te wijten was aan schuld van EL AL Israël Airlines Ltd. (hierna: EL AL). Het hof heeft in dat arrest, voor zover hier van belang, overwogen: “Nu geen ongevalsrapportage is opgemaakt, kan niet worden uitgesloten dat de onderhavige handbagage dermate zwaar en/of groot is geweest, dat EL AL in redelijkheid rekening had moeten houden met de mogelijkheid van een ongeval als het onderhavige en voorzorgsmaatregelen had moeten treffen, zoals bijvoorbeeld het niet toestaan ervan als handbagage of ervoor zorg dragen dat de medepassagier geholpen zou worden met het plaatsen van plaatsen van de handbagage in de overhead bins.” Die zaak is echter niet op één lijn te plaatsen met de onderhavige zaak. In eerstgenoemde zaak was de oorzaak van het letsel van de passagier van EL AL voor het personeel in het vliegtuig (al) direct duidelijk en daarom kon van het personeel verwacht worden dat het de afmetingen en het gewicht van de handbagage vastlegde, hetgeen een weinig omvangrijk onderzoek zou hebben gevergd. In de onderhavige zaak is echter niet gesteld of gebleken dat het voor het personeel aanstonds duidelijk was of in redelijkheid had moeten zijn dat de oorzaak van de allergische reactie van [appellant] gelegen was in het nuttigen van het voorgerecht, hetgeen thans nog steeds wordt betwist bij gebrek aan wetenschap, en dat KLM mogelijk aansprakelijk zou kunnen zijn voor de gevolgen daarvan. Dat geen ongevalsrapportage is opgemaakt kan onder deze omstandigheden niet aan KLM worden verweten, zodat daarin ook geen voldoende grond kan worden gevonden te oordelen dat in dit geval uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een van de hoofdregel van artikel 150 Rv afwijkende verdeling van de bewijslast voortvloeit.

Ook artikel 21 Verdrag van Montreal kan [appellant] hier niet baten. Dit artikel bevat een disculpatiegrond bij schade voor zover deze de 100.000 bijzondere trekkings-rechten te boven gaat indien aansprakelijkheid op grond van artikel 17 lid 1 Verdrag van Montreal is vastgesteld, inhoudende, voor zover hier van belang, dat de vervoerder dient te bewijzen dat de schade niet te wijten was aan de schuld of nalatigheid van hem of van zijn hulppersonen. Toepassing van dit bewijsregime komt met andere woorden pas aan de orde als door het slachtoffer gesteld en, bij betwisting, bewezen is dat sprake is van een “ongeval dat (…) het letsel heeft veroorzaakt” zoals bepaald in artikel 17 lid 1 Verdrag van Montreal.

3.8.

[appellant] beroept zich voorts op het leerstuk van res ipso loquitur en de omkeringsregel. Aansprakelijkheid kan voorshands worden aangenomen omdat de feiten in die zin voor zich spreken, bij gebreke van een kort na het incident verricht onderzoek, dat geen andere redelijke verklaring voor het ontstaan van het letsel kan worden gegeven dan dat het voorgerecht noten en/of schaaldieren bevatte. Uit de aard van het incident en de schade, kan dus de oorzaak worden afgeleid. Ook met de schending van de veiligheidsnormen ter zake van het te serveren voedsel, staat het causaal verband tussen het achterwege blijven van een voldoende waarschuwing en het intreden van de schade in de vorm van de anafylactische shock voorshands vast, aldus [appellant] .

[appellant] doet aldus een beroep op een vermoeden ter zake van het ontstaan van de schade. Het hof is met [appellant] van oordeel dat, indien veronderstellenderwijs er van wordt uitgegaan dat [appellant] van het voorgerecht heeft gegeten, hetgeen hij stelt maar KLM betwist, op grond van het feit dat vast staat dat hij allergisch is voor noten en schaaldieren en hij direct daarna als gevolg van een allergische reactie in een anafylactische shock is geraakt, voorshands bewezen kan worden geacht dat het voorgerecht noten en/of schaaldieren bevatte.

Het ligt dan op de weg van KLM om dit voorshands bewezen geachte feit te ontzenuwen. KLM is daarin geslaagd door overlegging van de menukaart van de onderhavige vlucht (productie G2 bij memorie van grieven/memorie van antwoord), ingrediëntenlijsten betreffende het voorgerecht (producties G4, G7, G8 en G9 bij memorie van antwoord/memorie van grieven), kostprijscalculatie van het voorgerecht (productie G3 bij memorie van antwoord/memorie van grieven) en schriftelijke verklaringen van twee KLM-medewerkers ( [A] en [B] ) betreffende de ingrediëntenlijsten overgelegd als producties G4 en G7 bij memorie van antwoord/memorie van grieven en het assemblageproces “op de grond” van de “in de lucht” te serveren gerechten (producties G10 en G11 bij memorie van antwoord/ memorie van grieven). Anders dan [appellant] meent, is met de verklaring van [A] , gelet op de overgelegde kostprijscalculatie, voldoende aannemelijk dat de lijsten betreffende alle ingrediënten van het voorgerecht overgelegd als producties G4 en G7 bij memorie van antwoord/memorie van grieven zien op het voorgerecht en dat de vermelde datum “02-02-2011” enkel de afdrukdatum is. Zoals [appellant] terecht stelt zijn de ingrediëntenlijsten overgelegd als producties G5 en G6 bij memorie van antwoord/memorie van grieven niet te herleiden tot de parelhoen en Harissa dressing, die onderdeel uitmaakten van het voorgerecht, maar dat doet niet af aan de bewijskracht van de ingrediëntenlijsten overgelegd als producties G4 en G7 bij memorie van antwoord/memorie van grieven.

Uit voormelde producties en verklaringen volgt voldoende met het oog op (enkel) het leveren van het tegenbewijs dat geen noten en/of schaaldieren in het voorgerecht zaten. De overige opmerkingen die [appellant] heeft gemaakt ten aanzien van de hiervoor in aanmerking genomen producties zijn niet (voldoende) concreet en feitelijk toegelicht om tot een ander oordeel te leiden.

3.9.

Uit het voorgaande volgt dat [appellant] dient te bewijzen dat in het voorgerecht noten en/of schaaldieren zaten. Er zijn geen (voldoende) feiten en omstandigheden gesteld of gebleken, die een andere verdeling van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen, zoals [appellant] ook nog verdedigt. Hierbij is in aanmerking genomen dat deze uitzondering onder bijzondere omstandigheden en met terughoudendheid dient te worden toegepast. Bewijsnood levert niet een voldoende grond op voor omkering van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid. [appellant] dient voorts zijn, door KLM betwiste, stelling dat hij van het voorgerecht heeft gegeten, te bewijzen.

3.10.

Indien [appellant] mocht slagen in deze bewijsopdrachten, dan staat daarmee nog niet vast dat [appellant] het slachtoffer is geweest van een ongeval in de zin van artikel 17 lid 1 Verdrag van Montreal. Het enkele eten van noten en/of schaaldieren is immers nog geen ‘unexpected and unusual event’. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist die er volgens [appellant] in bestaan dat [X] in de gegeven omstandigheden niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen door hem ten onrechte niet te zeggen dat zij eigenlijk niet wist welke ingrediënten het voorgerecht bevatte en dat zij dus niet kon garanderen dat het voorgerecht geen allergenen bevatte, terwijl hij juist had aangegeven dat hij op dat punt extra zorg behoefde.

3.11.

[appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat [X] hem kort na binnenkomst in het vliegtuig een zakje met nootjes heeft aangeboden en dat hij toen aan [X] heeft meegedeeld dat hij allergisch is voor noten en schaaldieren (23 memorie van grieven). Vervolgens heeft hij aangegeven dat hij de aangeboden maaltijd wilde nuttigen, mits hij dit veilig kon doen (7 memorie van grieven). Samen met [X] heeft hij de menukaart van boven naar beneden doorgenomen op de aanwezigheid noten en/of schaaldieren (26 memorie van grieven), waarbij [X] heeft gezegd welke gerechten hij veilig kon eten, welke niet en van welke zij niet zeker was. [X] heeft daarbij niet gezegd dat zij eigenlijk niet wist welke ingrediënten het voorgerecht bevatte en dat zij dus niet kon garanderen dat het voorgerecht geen noten en of schaaldieren bevatte (7 memorie van grieven).

KLM bestrijdt dit betoog gemotiveerd en beroept zich hiervoor op de in het geding gebrachte verklaring van [X] (productie G57 bij conclusie van antwoord). Uit die verklaring volgt dat zij [appellant] voor het eerst sprak toen zij hem een bakje nootjes wilde serveren. Hij gaf aan geen nootjes te willen omdat hij daarvoor allergisch was. Tijdens de vlucht wenste [appellant] de maaltijd te gebruiken. [X] verklaart dat zij niet met [appellant] heeft gesproken over het voorgerecht. Wel heeft zij met hem besproken welke hoofdgerechten vermoedelijk geen noten of schaaldieren als ingrediënten zouden bevatten. [appellant] heeft niet gezegd dat hij in ernstige mate allergisch zou zijn. [X] verklaart dat zij als Cabin Attendant niet weet welke ingrediënten de gerechten exact bevatten. Zij kan een passagier dan ook niet adviseren of hij een maaltijd kan nuttigen en doet dat ook niet. Zij heeft met [appellant] alleen de hoofdgerechten op de menukaart doorgenomen. Aan de hand daarvan heeft hij zelf zijn conclusie getrokken.

3.12.

Het hof is van oordeel dat indien komt vast te staan dat [X] daadwerkelijk op verzoek van [appellant] met hem de menukaart, dus ook het voorgerecht, heeft doorgenomen en hem daarbij desgevraagd heeft gezegd dat hij het voorgerecht veilig kon eten, het op haar weg had gelegen om daarbij tenminste het voorbehoud te maken dat zij eigenlijk niet wist welke ingrediënten het voorgerecht bevatte en dat zij dus niet kon garanderen dat daar geen noten en/of schaaldieren in zaten.

Nu vast staat dat [X] dat laatste niet heeft gedaan, is in dat geval sprake van een fout, die ertoe leidt dat, indien tevens komt vast te staan dat [appellant] van het voorgerecht heeft gegeten en het voorgerecht noten en/of schaaldieren bevatte, sprake is van een ongeval als bedoeld in artikel 17 van het Verdrag van Montreal. Aangezien KLM echter gemotiveerd heeft betwist dat [X] op verzoek van [appellant] de menukaart met hem heeft doorgenomen en daarbij desgevraagd heeft gezegd dat hij het voorgerecht veilig kon eten, rust op [appellant] de last ook deze stellingen te bewijzen. [appellant] zal daartoe overeenkomstig zijn bewijsaanbod in de gelegenheid worden gesteld.

3.13.

Iedere verdere beslissing in principaal en incidenteel hoger beroep zal worden aangehouden. Het hof tekent hierbij aan dat voor toewijzing van de vorderingen op grond van de artikelen 6:162, 170 en 171 BW ook vereist is dat [appellant] in de hierna genoemde bewijsopdrachten slaagt.

4 Beslissing

Het hof:

laat [appellant] toe te bewijzen:

- dat in het voorgerecht noten en/of schaaldieren zaten,

- dat hij van het voorgerecht heeft gegeten en

- dat [X] op verzoek van [appellant] de menukaart met hem heeft doorgenomen en daarbij desgevraagd heeft gezegd dat hij het voorgerecht veilig kon eten;

bepaalt dat, indien [appellant] getuigen wil doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. J.W.M. Tromp, daartoe tot raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op nader te bepalen datum en tijdstip;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] uiterlijk op de rol van 31 mei 2016 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van partijen, hun advocaten en de door [appellant] voor te brengen getuigen in de periode van juli tot en met oktober 2016 aan het hof een datum kan verzoeken voor het getuigenverhoor;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W.H. Vink, J.W.M. Tromp en M. Kremer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2016.