Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1665

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
23-005014-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf 7 maanden voor twee diefstallen van bagage van toeristen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005014-15

datum uitspraak: 26 april 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 8 december 2015 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15/820986-15 (hierna: zaak A) en 15/720109-15 (hierna: zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Algerije) op [geboortedag] 1970,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in P.I. Ter Apel, gevangenis te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 april 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak A
1.
hij op of omstreeks 02 november 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een samsonite tas (met daarin een geldbedrag van 15.610,- euro) en/of een Canontas (met daarin een Canon camera), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.
hij op of omstreeks 02 november 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang voorhanden heeft gehad, te weten een identiteitskaart van Italië (nummer [ID nummer]), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument of de Nederlandse identiteitskaart of andere identiteitsbewijs afgegeven door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang vals of vervalst was;

Zaak B
1:
hij op of omstreeks 23 juni 2014 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een computer backpack en/of een samsung telefoon en/of een laptop (merk Dell) en/of 400 Amerikaanse dollars en/of een camera en/of notebookbinder en/of divers opladers en/of 10 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank, alsook tot een andere strafoplegging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:
1:
hij op 2 november 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Samsonite tas, met daarin een geldbedrag van 15.610 euro, en een Canontas, met daarin een Canon camera, toebehorende aan [slachtoffer 1];

2:
hij op 2 november 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een reisdocument voorhanden heeft gehad, te weten een identiteitskaart van Italië (nummer [ID nummer]), waarvan hij wist dat het reisdocument vervalst was;

Zaak B:
hij op 23 juni 2014 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een computer backpack en een Samsung telefoon en een laptop (merk Dell) en 400 Amerikaanse dollars en een camera en een notebook binder en diverse opladers en 10 euro toebehorende aan [slachtoffer 2].

Hetgeen in de zaken A en B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had en derhalve dient te worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal van [verbalisant 1] (p. 43) blijkt dat één van de weggenomen tassen van de aangever [slachtoffer 1] op Plaza Shopping Center op Schiphol op een bank lag met daarop een blauwe jas, dat de verdachte de jas van de tas af haalde en vervolgens de tas van de bank optilde en meenam. Uit het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (p. 40) volgt dat de verdachte vervolgens op Plaza Shopping Center te Schiphol een aktetas en een cameratas strak tegen zich aanhield, met de roltrap naar spoor 3/4 [van, naar het hof begrijpt, het onder de luchthaven gelegen treinstation] ging, op perron 3 naast een prullenbak ging staan, vervolgens twee enveloppen en een groen doosje uit de aktetas haalde en in zijn jas stopte, waarna hij deze aktetas naast een prullenbak heeft gedeponeerd. Vervolgens heeft hij de cameratas om zijn nek gehangen.

Uit voornoemde gang van zaken kan naar de uiterlijke verschijningsvorm redelijkerwijs niet anders worden afgeleid dan dat verdachte het oogmerk had om zich de tassen wederrechtelijk toe te eigenen. De verklaring van de verdachte dat hij de tas slechts heeft gevonden, wordt daarmee onaannemelijk geacht.

Ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde

Door de raadsman is aangevoerd dat de ter terechtzitting in hoger beroep vertoonde camerabeelden weliswaar van goede kwaliteit zijn, maar dat uit het dossier niet blijkt welke beelden of foto’s zijn bekeken door de verbalisanten die stellen de verdachte te hebben herkend. Daarnaast kan niet ‘onomstotelijk’ worden vastgesteld dat het de verdachte is die op de beelden zichtbaar is, nu de verdachte zoals afgebeeld op de zich in het dossier bevindende ID-staat van 2 november 2015 een dunner gelaat en andere wenkbrauwen lijkt te hebben dan de persoon die op de camerabeelden zichtbaar is, zodat vrijspraak moet volgen.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

Er zijn in deze zaak camerabeelden beschikbaar waarop te zien is dat de bagage van aangever [slachtoffer 2] in het [hotel] aan het [adres] te Amsterdam door een manspersoon wordt gestolen. Het hof heeft kunnen vaststellen dat deze beelden scherp en helder zijn, hetgeen ook niet is weersproken, zodat niet gezegd kan worden op grond van die beelden geen herkenning mogelijk is. De verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben ieder tijdens hun ambtsverrichtingen kennis gekregen van een herkenningsverzoek naar aanleiding van die diefstal waarbij foto’s van de verdachte [het hof begrijpt: de man die blijkens de camerabeelden de dader van de diefstal is] waren gevoegd (p. 20 resp. p. 21-22). Zij hebben de verdachte herkend als degene die op de door hen bedoelde foto’s te zien was. Het dossier bevat een selectie van zogeheten stills van de op de terechtzitting afgespeelde camerabeelden (p. 6-18). Er kan redelijkerwijs niet anders worden aangenomen dan dat deze stills, althans een aantal daarvan, bij het herkenningsverzoek waren gevoegd, op grond waarvan de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] tot hun herkenning van de verdachte zijn gekomen, mede gelet op de beschrijving van de man die zij op de ‘foto’s’ [het hof leest: stills] hebben waargenomen. Hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd doet het hof niet aan de betrouwbaarheid van de herkenningen twijfelen. Dat de verdachte op 2 november 2015 een minder vol gelaat en andere wenkbrauwen zou hebben, gelijk door de raadsman is aangevoerd, legt in dit verband geen gewicht in de schaal nu [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hun herkenningen baseren op het uiterlijk van de verdachte zoals dat door hen is waargenomen op 30 juni 2014 respectievelijk 29 juni 2014. Het hof heeft overigens middels waarneming geconstateerd dat de persoon op de genoemde camerabeelden op verschillende punten zoals de haarkleur en haardracht grote gelijkenis vertoont met de persoon afgebeeld op de foto zoals opgenomen op de ID-staat van 2 november 2015.

Op grond van het voorgaande staat voor het hof buiten redelijke twijfel vast dat de verdachte de persoon is die op de camerabeelden te zien is en – mitsdien – degene die de bagage van aangever [slachtoffer 2] heeft weggenomen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak A onder 1 en in zaak B bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal.

Het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde levert op:

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet, dat het vervalst is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak a onder 1 en 2 en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak a onder 1 en 2 en in zaak B ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen van bagage van toeristen en wel op de luchthaven Schiphol en in een hotel. Toeristen hebben vaak naast waardevolle bagage ook reisbescheiden bij zich, waarvan het verlies groot ongemak met zich brengt. Tevens worden hierdoor de in de samenleving reeds bestaande gevoelens van onveiligheid versterkt. Daarnaast heeft de verdachte opzettelijk gebruik gemaakt van een vervalst reisdocument. Hij heeft daarmee het vertrouwen geschaad dat in het internationaal personenverkeer in identiteitspapieren pleegt te kunnen worden gesteld. Voor dit alles heeft de verdachte zijn ogen gesloten en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen belangen. Dit wordt hem sterk aangerekend.

Op grond van het voorgaande en in aanmerking genomen dat uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 april 2016 blijkt dat hij ten tijde van de in zaak A onder 1 bewezen feit eerder onherroepelijk was veroordeeld voor soortgelijke feiten, is het hof van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 231 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. G. Oldekamp en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 april 2016.

mr. G. Oldekamp en mr. M. Boelens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.