Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1650

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
23-003701-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling. Het steken met het mes door de verdachte in de rug van de aangever levert geen (voorwaardelijk) opzet op het doden van de aangever op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-003701-15

Datum uitspraak: 2 februari 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-669189-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1988,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 7 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, met kracht, meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht, althans tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschopt en/of geslagen en/of meermalen, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de rug, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken;


subsidiair:
hij op of omstreeks 7 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, met kracht, meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht, althans tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschopt en/of geslagen en/of meermalen, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de rug, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Met de raadsvrouw en anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het steken met het mes door de verdachte in de rug van de aangever geen opzet, al dan niet voorwaardelijk, op het doden van de aangever oplevert. De verdachte heeft weliswaar met kracht met een mes, met een lemmet van 8 centimeter, in de rug van de aangever gestoken, maar van het deel van de rug waar de verdachte heeft gestoken, te weten onder het schouderblad, kan niet vastgesteld worden dat dit een zodanig kwetsbaar deel van het lichaam is dat daar op eenvoudige wijze dodelijk letsel kan worden toegebracht. Naar het oordeel van het hof is daarom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Gevoerde verweren

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd – kort samengevat – dat niet vast gesteld kan worden dat de verdachte degene is die de aangever gestoken heeft.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Zowel de aangever als de verdachte hebben verklaard dat zij op 7 september 2014 een confrontatie met elkaar hebben gehad bij Albert Heijn. De beveiliger van die Albert Heijn heeft gezien dat de verdachte op dat moment een mes bij zich had (dossierpagina 70). Kort daarna komt het weer tot een confrontatie tussen de verdachte en de aangever. De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij daarbij heeft gezien dat de verdachte stekende bewegingen maakte en dat hij daarna heeft gehoord dat de aangever, terwijl hij op de grond lag, zei dat hij was gestoken (dossierpagina 68). De aangever heeft verklaard dat de verdachte hem met een mes in de rug heeft gestoken (dossierpagina 52/53, hetgeen door de verklaring van [getuige] (dossierpagina 68) en de letselverklaring (dossierpagina 58) wordt ondersteund. Dat niet de verdachte maar een andere persoon de aangever zou hebben gestoken, is onvoldoende onderbouwd en op geen enkele manier aannemelijk geworden. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Het hof acht voorts, met de advocaat-generaal en de raadsvrouw, niet bewezen dat sprake is geweest van voorbedachte raad, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:
hij op 7 september 2014 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, met kracht met een mes in de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar met aftrek van voorarrest, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarbij heeft de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden opgelegd, te weten een meldplicht, behandelverplichting, een aantal overige aanwijzingen betreffende het gedrag van de verdachte, een locatiegebod en Aansluiting Elektronische Controle.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf, met dezelfde bijzondere voorwaarden, als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw heeft – kort samengevat – aangevoerd dat er een netwerk aan hulpverlening rond de verdachte is opgebouwd en dat de verdachte thans gemotiveerd is om de hulpverlening te aanvaarden en daaraan mee te werken. Als hij terug zou moeten naar de gevangenis zou dit allemaal voor niets zijn opgebouwd en is het de vraag of hij na de detentie nog gemotiveerd zou zijn. Daarnaast is er een grote kans dat hij zijn huis kwijt raakt, omdat het onzeker is of de familie daarvoor nog langer zou willen of kunnen betalen. De verdediging bepleit dan ook een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel het voorarrest niet overschrijdt. Eventueel zou de proeftijd dan op drie jaar gesteld kunnen worden, als stok achter de deur.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door de aangever met een mes in de rug te steken na een eerdere confrontatie. Hierbij is het lemmet afgebroken en moesten in de rug achtergebleven delen daarvan operatief verwijderd worden.

De verdachte heeft de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Bovendien vond dit feit plaats op de openbare weg, waardoor ook toevallige voorbijgangers en aanwezigen geconfronteerd zijn met het geweld en heeft de verdachte aldus ook bij derden gevoelens van onveiligheid teweeggebracht. Nooit is duidelijk geworden welk motief de verdachte had met dit geweld tegen het slachtoffer, met wie hij geen ander conflict had dan dat naar zijn gevoel het slachtoffer hem vies aankeek. Het hof acht het bijzonder zorgelijk dat de verdachte, ondanks confrontatie met hetgeen zich heeft afgespeeld, geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad en – tot nu toe - geen aanknopingspunten voor zelfinzicht heeft gegeven. Daarmee blijft de mogelijkheid van herhaling van een dergelijke voor buitenstaanders onverwachte aanval open.

Daarnaast weegt het hof mee dat de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 januari 2016 eerder voor een geweldsdelict onherroepelijk is veroordeeld.

Dat de aangever tot op de dag van vandaag nog de gevolgen van dit incident ondervindt, blijkt uit de slachtofferverklaring die zijn advocaat heeft voorgedragen op de terechtzitting. Het slachtoffer heeft daarin aangegeven dat zijn leven wordt beheerst door de zaak en de nog steeds bij bepaalde activiteiten bestaande pijn en dat de symptomen lijken op een lichte vorm van een PTSS.

Het hof heeft acht geslagen op de Pro Justitia rapportage van GZ-psycholoog [deskundige] van 7 april 2015. [deskundige] verklaart – kort samengevat – dat het aannemelijk is dat de bij de verdachte vastgestelde problematiek in de vorm van zwakbegaafdheid, de zwak geconstrueerde persoonlijkheid, de PTSS, de cannabisafhankelijkheid en de aandachtstekort/hyperactiviteitsproblemen van invloed zijn geweest op zijn gedrag voorafgaand en tijdens het tenlastegelegde. Op basis van deze gecombineerde problematiek is er bij de verdachte onder invloed van externe druk en traumata sprake van een verhoogde kans op angst, impulsiviteit, prikkelbaarheid en agressie waarbij het zicht op de realiteit tijdelijk verzwakt kan raken. Voorafgaand aan het tenlastegelegde, indien bewezen, was er bij de verdachte sprake van angstklachten, slaapproblemen en nachtmerries na het stoppen met cannabis, die mogelijk PTSS klachten opnieuw triggerden, waarvoor hij een lage dosis antipsychotica slikte. De verdachte had wel voldoende weet van de wederrechtelijkheid van de tenlastegelegde feiten, indien bewezen geacht, maar werd onvoldoende afgeremd door empathische vermogens, een adequate impulscontrole en angsttolerantie, een adequaat reflectief vermogen en voldoende zicht op de situatie en de gevolgen van zijn gedrag voor hemzelf en anderen. Op basis daarvan is [deskundige] van mening dat de verdachte voorafgaand en ten tijde van het tenlastegelegde, indien bewezen, verminderd in staat is geweest zijn wil in vrijheid te bepalen.

Het hof zal daarmee rekening houden bij het bepalen van de strafmaat.

Uit een advies van de reclassering van 17 januari 2016 blijkt dat de verdachte zich gemotiveerd toont voor begeleiding en behandeling. In de begeleiding door Indaad laat de verdachte zich aanspreken en spant hij zich in om zich aan afspraken te houden. In de behandeling door Inforsa is de verdachte steeds opener in het contact. Zijn motivatie is goed en zijn zelfinzicht lijkt te groeien. De leerbaarheid van de verdachte is echter beperkt. Er zal derhalve een lange periode nodig zijn om te komen tot gedragsverandering met betrekking tot emotie- en agressieregulatie. Begeleiding bij de dagelijkse zaken en frustraties is gewenst. De elektronische controle is ondersteunend in het aanbrengen van structuur in de dag. De reclassering acht het van belang dat de lopende begeleiding en behandeling worden gecontinueerd en adviseert om dezelfde bijzondere voorwaarden op te leggen als door de rechtbank zijn opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Daarbij zal het hof een proeftijd van drie jaar opleggen, omdat de verdachte naar verwachting een lange periode nodig heeft om tot gedragsverandering te komen. Deze lange proeftijd dient tevens het doel om verdachte ervan te weerhouden wederom (agressieve) delicten te plegen. Ook zal het hof de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.597,71, waarvan € 597,71 als materiële en € 20.000 als immateriële schade is aangemerkt. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.815,05, waarbij de rechtbank de materiële schade heeft gewaardeerd op € 315,05 euro en de immateriële schade op € 2500,-. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij het immateriële deel van de vordering verlaagd naar € 10.000,00 zodat de vordering thans € 10.597,71 bedraagt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bijzondere voorwaarden

Meldplicht

De veroordeelde moet zich gedurende de door Reclassering Nederland, Wibautstraat 12 te Amsterdam, bepaalde periode blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze periode nodig acht. De toezichthouder zal veroordeelde daarna opdrachten geven die betrekking hebben op zijn handel en wandel. Het doel hiervan is om hem zowel te begeleiden bij de naleving van de bijzondere voorwaarden, alsook te kunnen controleren of hij zich aan de naleving van de bijzondere voorwaarden houdt.

Behandelverplichting

De veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen voor de samenhang tussen de geconstateerde psychische problematiek en de delict geschiedenis bij de forensisch psychiatrische polikliniek van Inforsa of een vergelijkbare forensisch psychiatrische behandelsetting. Zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Andere voorwaarden het gedrag betreffende

De veroordeelde wordt verplicht om zich te conformeren aan de aanwijzing en adviezen die hem gegeven worden door zijn begeleider(s) van Indaad Amsterdam, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

De veroordeelde wordt verplicht zich in te spannen, met hulp van de reclassering en Indaad, ten behoeve van het verkrijgen en behouden van structurele dagbesteding.

Locatiegebod en elektronisch toezicht

De veroordeelde moet verblijven op het adres [adres 2] Amsterdam, zolang de reclassering dat nodig acht. Daarbij heeft hij op doordeweekse dagen een aaneengesloten blok van veertien uur ter invulling van zijn dagbesteding. In de weekenden heeft de veroordeelde acht uur vrij te besteden. Wanneer de veroordeelde op doordeweekse dagen geen vastgestelde dagbesteding heeft, krijgt hij twee uur vrij te besteden. Alle uren worden vooraf vastgesteld door de reclassering. Het locatiegebod kan - indien de reclassering dit noodzakelijk acht - worden gecontroleerd door middel van een elektronisch controlemiddel.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1.00

STK Mes punt van het mes (4826936)

1.00

STK Mes Heft (4827306).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1.00

STK Vest Kl: zwart (4827209)

1.00

STK Pet FENDI (4831762)

1.00

STK Tas FENDI schouder (4831768)

1.00

STK Broek ADIDAS (4831769).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.815,05 (tweeduizend achthonderdvijftien euro en vijf cent) bestaande uit € 315,05 (driehonderdvijftien euro en vijf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.815,05 (tweeduizend achthonderdvijftien euro en vijf cent) bestaande uit € 315,05 (driehonderdvijftien euro en vijf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 38 (achtendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. H.W.J. de Groot en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van mr. A.M.R. Karsemeijer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 februari 2016.

=========================================================================

[....]