Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1636

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
23-001293-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Asbestsanering in woningen in 2011. De verdachte was als laborant verantwoordelijk voor de vrijgaven van containments nadat voldaan was aan de opleveringseisen conform NEN 2990 (2005). Niet wettig en overtuigend bewezen dat in de door de verdachte geïnspecteerde containments na vrijgaven visueel zichtbaar asbestmateriaal aanwezig was dan wel dat vanuit de ruimtes binnen de containments asbestvezels in de lucht zijn gebracht, waardoor gevaar te duchten is geweest. Voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte inspectieformulieren en rapportages (opzettelijk) valselijk heeft opgemaakt. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001293-15

Datum uitspraak: 22 april 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 25 februari 2015 in de strafzaak onder parketnummer 16-995012-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

De zaak is bij beslissing van 17 maart 2015 op de voet van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden naar dit hof verwezen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

23 maart 2016 en 8 april 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2011 tot en met 20 juli 2011 te Hilversum, één of meerdere inspectieformulier(en) "eindcontrole na sanering (asbest)" en rapportage(s) lucht-eindcontrole containment, met project/rapportnummers

51096-602020, 51096-602020B, 51096-602018, 51096-602015, 51096- 602015B, 51096-601998, 51096-602013, 51096-601995, 51096-601998B, 51096-602013C 51096-602918B 51096-602023B 51096-602023, 51096-602008A, 51096-602023D en/of 51096-602008C,

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft hij, verdachte, in deze inspectieformulieren en rapportages met nummers:

- 51096-602020 (zolder nr. 1),

- 51096-602020 B (zolder nr. 3),

- 51096-602018 (zolder nr. 8),

- 51096-602015 ( zolder nr. 13),

- 51096- 602015 B (zolder nr. 14),

- 51096-601998 ( zolder nr. 18),

- 51096-602013 ( zolder nr. 20),

- 51096-601995 ( zolder nr. 21),

- 51096-601998 B (garage bij 23),

- 51096-602013 C (zolder nr. 28),

- 51096-602918 B (zoldernr.30),

- 51096-602023 B (zolder nr. 33),

- 51096-602023 (zolder nr.73),

- 51096-602008 A (zolder nr. 76),

- 51096-602023 D (zolder nr. 79) en/of

- 51096-602008 C (garage bij 79)

(telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid telkens als conclusie aangegeven dat bij de verrichte visuele inspectie geen asbestverdachte - of als asbestbesmet te beschouwen materialen - zijn aangetroffen, dit voorzover deze onderdeel vormden van de opdracht, terwijl in werkelijkheid in de gecontroleerde ruimte(n) nog wel asbest en/of asbesthoudende vezels en/of asbestverdachte en/of als asbestbesmet te beschouwen materialen aanwezig waren, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2 primair:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2011 tot en met 20 juli 2011 te Hilversum, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in 14 woningen, althans één of meer woning(en) en/of in 2 garages, althans één of meer garage(s), opzettelijk en wederrechtelijk een stof, te weten asbest en/of asbestvezels, op en/of in de bodem en/of in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor bewoners van die woning(en) en/of andere aanwezigen te duchten was,

immers zijn door verdachte uitgevoerde eindcontroles en/of visuele inspecties en/of vrijgaves in de woningen met nummer 1, 3, 8, 13, 14 18, 20, 21, 28, 30, 33, 73, 76 en/of 79 en in garages met behorende bij woningen met nummer 23 en/of 79,

niet op de juiste wijze en/of onvoldoende zorgvuldig uitgevoerd en heeft verdachte en/of hebben zijn mededaders vervolgens containments en/of de omgeving van containments vrijgegeven, zodat de ruimten weer toegankelijk waren voor personen zonder kans op blootstelling aan asbest, terwijl die ruimten niet vrijgegeven hadden mogen worden omdat daar nog asbest en/of asbestvezels in was/ waren achtergebleven;

2 subsidiair:
het aan verdachtes schuld te wijten is geweest dat op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2011 tot en met 20 juli 2011 te Hilversum, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in 14 woningen, althans één of meer woning(en) en/of in 2 garages, althans één of meer garage(s), wederrechtelijk een stof, te weten asbest en/of asbestvezels, op en/of in de bodem en/of in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor bewoners van die woning(en) en/of andere aanwezigen te duchten was,

immers zijn door verdachte uitgevoerde eindcontroles en/of visuele inspecties en/of vrijgaves in de woningen met nummer 1, 3, 8, 13, 14 18, 20, 21, 28, 30, 33, 73, 76 en/of 79 en/of in garages met behorende bij woningen met nummer 23 en/of 79,

niet op de juiste wijze en/of onvoldoende zorgvuldig uitgevoerd en heeft verdachte en/of hebben zijn mededaders vervolgens containments en/of de omgeving van containments vrijgegeven, zodat de ruimten weer toegankelijk waren voor personen zonder kans op blootstelling aan asbest, terwijl die ruimten niet vrijgegeven hadden mogen worden omdat daar nog asbest en/of asbestvezels in was/ waren achtergebleven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vrijspraak feit 1 en feit 2 primair en subsidiair

Inleiding

In juni en juli 2011 zijn in diverse woningen en garages aan de [adres 2] te Hilversum asbestsaneringswerkzaamheden verricht. Het beheer van [adres 2] 1 tot en met 40 en 71 tot en met 79 was sinds 1 januari 2010 in handen van [bedrijfsnaam 1].. [bedrijfsnaam 1]. is bij controle door bewoners op de hoogte gebracht van de aanwezigheid van asbest. Naar aanleiding van een inventarisatie uit 2003 van [adres 2] 78, waarbij een globale asbestinventarisatie in alle ruimten was uitgevoerd en waaruit bleek dat er in de woning visueel duidelijk asbest aanwezig was in plaatmateriaal tegen het dak (2 m2), in (door doorvoer van een CV-leiding beschadigd) plaatmateriaal tegen het traphek (1 m2), alsmede in plafondplaten in de garage (24 m2), is vervolgens besloten om alle woningen op deze lokaties op asbest te laten onderzoeken en te saneren.

De asbestsaneringswerkzaamheden zijn verricht door of in opdracht van [bedrijfsnaam 2]., een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf dat – via [bedrijfsnaam 3] en onder verwijzing naar de asbestinventarisatie uit 2003 – opdracht had gekregen tot het saneren van de asbesthoudende beplating rondom de CV op zolder bij de 49 woningen en van de plafondbeplating in de garage van 15 woningen aan de [adres 2].

Voorafgaande aan de verwijdering van asbesthoudend materiaal heeft [brdrijfsnaam] (hierna: [brdrijfsnaam]), gecertificeerd voor asbestinventarisatie (SC 540), in opdracht van [bedrijfsnaam 2]. op de specifieke locaties in de woningen en garages een inventariserend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van asbesthoudende/-verdachte materialen. Bij dit onderzoek werd beplating aangetroffen die amosiet bevatte, waarbij het asbest in niet-hechtgebonden vorm aanwezig was. Medewerkers van [brdrijfsnaam] hebben na de asbestverwijdering de eindcontroles, visuele inspecties, luchtmetingen en vrijgaven van de afgeschermde ruimtes (hierna: containments) in de woningen en de garages gedaan.

De verdachte was als laborant bij [brdrijfsnaam] verantwoordelijk voor de vrijgaven van diverse containments nadat voldaan was aan de opleveringseisen conform NEN 2990 (2005). Vrijgave door de laborant was in dit geval toegestaan nadat de laborant het onder de verantwoordelijkheid van de deskundig toezichthouder asbestverwijdering (hierna: DTA-er) opgebouwde containment visueel had geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal alsmede nadat gelet op de aard van het materiaal in en buiten het containment een luchtmeting was gedaan. Het is bij de inspectie niet toegestaan om de bevestiging van het containment te verwijderen omdat daardoor de vereiste onderdruk binnen het containment zou worden verstoord.

Gelet op de aard van de verdachte gemaakte verwijten zal het hof de ten laste gelegde feiten in omgekeerde volgorde bespreken

Ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde

Aan de verdachte is onder 2 primair en subsidiair - kort weergegeven - ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk dan wel door zijn schuld in voornoemde woningen en/of garages asbest(vezels) in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor de bewoners van die woningen en/of andere aanwezigen te duchten was. Hieraan ligt het verwijt ten grondslag dat in de door de verdachte vrijgegeven containments nog visueel zichtbare asbestverdachte materialen aanwezig waren, zodat de verdachte deze containments niet had mogen vrijgeven.

Asbest in woning met huisnummer 73?

Nog tijdens de werkzaamheden is door [deskundige 1], inspecteur Bouw en Woningtoezicht, asbestdeskundige bij de gemeente Hilversum, op 13 juli 2011 een controle uitgevoerd op huisnummer 73. Van deze controle is door [deskundige 1] een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, gedateerd 22 juli 2011 (dossierpagina 52 e.v.). Door [deskundige 1] is een situatieschets gemaakt waaruit blijkt dat het traphek binnen het containment viel. Het containment, zoals aangetroffen door [deskundige 1], bevond zich nog exact in de staat zoals tijdens de vrijgave. Er hadden nog geen afbreekwerkzaamheden van het containment plaatsgevonden. In het containment heeft [deskundige 1] asbestverdachte restanten aangetroffen. Hij zag dat spijkers die naar zijn oordeel gebruikt waren voor de bevestiging van de amosietplaat nog in het hout van het traphekje geslagen waren en dat deze spijkers niet overmaats waren uitgeboord. Verder zag hij dat naast het traphekje in een dikke laag “oud” stof nog stukjes verdacht materiaal aanwezig waren. Volgens de verdachte was dit geen verdacht materiaal, maar verf. [deskundige 1] heeft drie kleefmonsters genomen, waarvan één referentiemonster. Het referentiemonster is op de trap van de woning, buiten het containment, genomen en bevatte geen asbest. Hoewel dit niet specifiek genoemd is in het proces-verbaal van bevindingen van [deskundige 1], leidt het hof uit het voorgaande af dat de overige twee stofmonsters in het containment (en vermoedelijk op dan wel ter hoogte van het traphekje) zijn genomen. In deze twee monsters is volgens het rapport van TNO van 14 juli 2011 (dossierpagina 62 e.v.) wel amosiet (bruine asbest) aangetroffen. Gelet hierop is derhalve in de woning met huisnummer 73 nog asbest in het containment aangetroffen, nadat de verdachte dit containment had vrijgegeven.

Te duchten gevaar?

Volgens een rapport van TNO van 14 juli 2011 was het aantal asbestvezels dat is aangetroffen in twee stofmonsters uit huisnummer 73 meer dan 1000 per cm², hetgeen betekent dat daarin zeer veel asbest is aangetroffen. De in deze zaak aangestelde deskundige [deskundige 2] van TNO stelt in zijn rapport van 6 februari 2015 (los ingevoegd) dat bij deze concentratieklasse over een substantieel oppervlak en bij intensief gebruik van de ruimte een normoverschrijdende asbestconcentratie in de lucht kan ontstaan.

[deskundige 1] heeft echter naar aanleiding van het aantreffen van de voor hem verdachte materialen de DTA-er medegedeeld dat het traphekje nog in folie ingepakt moest worden zodat deze opnieuw schoon gemaakt kon worden. Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat het traphekje nog in het containment in folie is ingepakt en het containment eerst nadien is verwijderd. Naar het oordeel van het hof is daarmee niet bewezen dat vanuit de ruimte die binnen het containment in de woning met huisnummer 73 asbestvezels in de lucht zijn gebracht en dat er daardoor gevaar te duchten is geweest.

Abest in overige woningen?

[bedijfsnaam] heeft in opdracht van de Arbeidsinspectie op 26 juli 2011 op basis van NEN 2991 een risicobeoordeling gemaakt in vier gesaneerde en vrijgegeven woningen ([adres 2] 5, 21, 31 en 79) en daarvan een rapport opgemaakt. Uit dit rapport (dossierpagina 205 e.v.) blijkt dat in enkele van de genomen kleefmonsters die op zolder in de door de verdachte vrijgegeven woning (nr. 79) zijn genomen, sporen asbest zijn aangetroffen, waarbij de vezelconcentratie in het stof geen aanleiding gaven om het werken/verblijven op de zolder van de woning als onverantwoord te beschouwen. De zolder van nr. 79 mocht volgens het rapport zonder gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen betreden worden. Voorts zijn in deze woning (overigens buiten het containment) luchtmetingen verricht die aangaven dat de vezelconcentratie daar lager was dan het verwaarloosbaar risiconiveau. In de [adres 2] 21 op de zoldervloer nabij de radiator is door [bedijfsnaam] wel duidelijk asbest aangetroffen. Ook deze woning is door de verdachte - na aanvullende schoonmaak - vrijgegeven voor vervolgwerkzaamheden/vrijgavemetingen. Daarbij is ook nog uitdrukkelijk opgemerkt dat de nog aanwezige asbesthoudende en/of vezelhoudende materialen geen onderdeel vormden van de uitgevoerde sanering en dat bepaalde onderdelen van de saneringslokatie niet inspecteerbaar waren. Gelet op de aanvullingen van de verdachte, kan deze vrijgave niet worden aangemerkt als een vrijgave van de saneringslokatie, maar slechts van een deel daarvan.

Verder heeft [bedrijfsnaam 4] in opdracht van de gemeente Hilversum in augustus en september 2011 alle gesaneerde en vrijgegeven woningen en garages aan de [adres 2] op basis van NEN 2991 onderzocht en van de bevindingen per woning/ garage een rapport opgemaakt. In deze rapporten staat vermeld dat in de woningen en/of garages waar de verdachte de inspecties heeft verricht onder andere op traphekken, in sponningen van het traphek, rondom de spijkers op het traphek en tegen dakbeschotten in de verfrand, visueel restanten asbest zichtbaar waren. Niet steeds duidelijk is of de plaatsen waar deze restanten zijn aangetroffen in het containment zaten, dan wel of deze plaatsen waren afgeplakt bij de opbouw van het containment. Wat daar ook van zij, niet is (aan de hand van monsters) onderzocht of de door [bedrijfsnaam 4] visueel waargenomen asbestverdachte materialen ook daadwerkelijk asbest betroffen. Wel heeft [bedrijfsnaam 4] conform NEN 2991 kleefmonsters genomen van plaatsen waar niet met het blote oog waarneembare asbestvezels aanwezig konden zijn, maar de bevindingen hiervan vallen niet onder de verantwoordelijkheid van de verdachte, nu eventuele asbestvezels niet visueel zichtbaar zijn geweest. [bedrijfsnaam 4] heeft tevens bij iedere woning een kleefmonster genomen van de vloer/op de zoldertrap in de hoek onder de cv-ketel. Voor zover het hof heeft kunnen nagaan viel de vloer/de zoldertrap niet in het containment. Daar komt bij dat uit de rapporten van [bedrijfsnaam 4] niet is op te maken of dit een kleefmonster is geweest van visueel zichtbare restanten.

Nu niet vastgesteld kan worden dat in de door de verdachte beoordeelde containments na vrijgaven (visueel zichtbaar) asbest is aangetroffen dan wel dat de aangetroffen asbest te duchten gevaar heeft opgeleverd, is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen de verdachte onder 2 primair en subsidiair ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Aan de verdachte is verder onder 1 ten laste gelegd dat hij inspectieformulieren “eindcontrole na sanering asbest” en rapportages lucht-eindcontrole containment valselijk heeft opgemaakt of vervalst. Het verwijt dat de verdachte hier wordt gemaakt is dat hij bij visuele controle van de containments op voornoemde formulieren heeft aangegeven dat er geen asbestverdachte materialen waren aangetroffen, terwijl er wel asbestverdachte materialen aanwezig waren.

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde is overwogen, blijkt uitsluitend in de woning met huisnummer 73 nog visueel waarneembaar asbest in het containment te zijn aangetoond nadat de verdachte dit containment had vrijgegeven. De verdachte heeft verklaard dat hij bij zijn controle van oordeel was dat hier geen sprake was van verdacht materiaal, maar van verf. Nu onderzoek heeft aangetoond dat dit oordeel achteraf bezien onjuist was, blijkt sprake van een door de verdachte gemaakte beoordelingsfout, maar hieruit blijkt nog niet dat de opzet van de verdachte gericht was op het valselijk opmaken of vervalsen van het inspectieformulier of de rapportage, zodat de verdachte ook van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 april 2016.

=========================================================================

[....]