Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1633

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
11-05-2016
Zaaknummer
15/00108
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:1518, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht. De rechtbank had haar beslissing om de zaak niet aan te houden in de uitspraak dienen te motiveren. Weliswaar geen terugwijzing naar de rechtbank. Voor de tekortkomingen in de procedure in eerste aanleg is aan belanghebbende voldoende herstelmogelijkheid geboden. Zij heeft ermee ingestemd dat het Hof in de zaak zal beslissen en uitspraak zal doen. Wel aanleiding de griffier te gelasten het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht terug te betalen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 225, geldigheid: 2015-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-1220
V-N Vandaag 2016/1022
Belastingblad 2016/303 met annotatie van S. Bosma
V-N 2016/38.24.3
mr. T.A.D. van Wordragen annotatie in NTFR 2016/1480

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 15/00108

3 mei 2016

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AMS 14/4154 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is op 4 april 2014 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, ten bedrage van € 57,90 (bestaande uit € 2,40 aan parkeerbelasting verhoogd met een bedrag van € 55,50 aan kosten ter zake van het opleggen van die naheffingsaanslag).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor gemelde naheffingsaanslag. Bij uitspraak op bezwaar, d.d. 19 mei 2014, heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 19 maart 2015 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep tegen de hiervoor gemelde uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 27 maart 2015. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2016. Aldaar is verschenen namens de heffingsambtenaar de heer H. Oderkerk. Belanghebbende is, met kennisgeving aan het Hof, niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met de uitspraak wordt meegezonden.

1.6.

Belanghebbende heeft het Hof verzocht, onder andere om medische redenen, de zitting aan te houden. Na afloop van de zitting heeft zij een doktersverklaring toegezonden. Het Hof heeft daarin aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

1.7.

Een tweede (nadere) zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2016. Aldaar is belanghebbende verschenen. De heffingsambtenaar is, hoewel op de wettelijk voorgeschreven wijze opgeroepen, niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met de uitspraak wordt meegezonden

2 Feiten

Nu de uitspraak van de rechtbank geen afzonderlijke vaststelling van de feiten bevat, stelt het Hof de feiten als volgt vast:

2.1.

Aan belanghebbende, parkeerder van de auto met het kenteken [1] (hierna: de Auto), is ter zake van het niet voldoen van parkeerbelasting op (vrijdag) 4 april 2014 om 13:19 uur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Volgens het aanslagbiljet had belanghebbende de parkeerbelasting die zij ter zake van het parkeren van de auto in de Frans Zieglerstraat te Amsterdam verschuldigd was, niet voldaan.

2.2.

De Frans Zieglerstraat is een straat in Amsterdam, die op grond van de Verordening Parkeerbelastingen 2014 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening) is aangewezen als zone waar – op de hiervoor vermelde tijdstippen – ter zake van parkeren parkeerbelasting is verschuldigd.

2.3.

De Auto was door belanghebbende geleend. Haar eigen auto, met kenteken [2] , moest worden gerepareerd.

2.4.

Belanghebbende beschikte over een gehandicaptenparkeervergunning (de vergunning). Een dergelijke vergunning wordt op kenteken geregistreerd. Ten tijde van het parkeren was de vergunning geregistreerd op het kenteken [2] , en (dus) niet voor de Auto.

2.5.

Belanghebbende, althans haar cliënt, heeft geprobeerd de parkeerbelasting te betalen. Een nabije parkeerautomaat bleek onbruikbaar.

2.6.

De parkeercontroleur heeft geen (kopie van de) naheffingsaanslag achter de ruitenwisser van de Auto achtergelaten.

3 Het oordeel van de rechtbank

3.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij, voor zover van belang, het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“4. Eiseres heeft een verzoek om vrijstelling van het verschuldigde griffierecht ingediend nadat zij dit had voldaan. De rechtbank wijst dit verzoek af. Eiseres heeft het griffierecht van € 45,- betaald, zodat niet is gebleken van kennelijke betalingsonmacht ter zake van het voldoen van het griffierecht. De rechtbank acht daarbij verder van betekenis dat verzoekster toegang tot de rechter heeft verkregen en er derhalve geen sprake is van schending van artikel 6 van het EVRM.

5. Op grond van artikel 1, onder a, en artikel 4, eerste lid, van de Verordening Parkeerbelastingen 2014 van de gemeente Amsterdam is parkeerbelasting verschuldigd bij de aanvang van het parkeren op een daarvoor aangewezen plaats. Niet in geschil is dat eiseres de auto had geparkeerd op een fiscale parkeerplaats.

6. Eiseres heeft aangevoerd dat zij crisiswerker MWD in het AMW 1e-lijns ggz is en dat zij met cliënten was die in een stevige crisis waren verwikkeld. Zij beschikt over een gehandicaptenparkeerkaart, maar ze reed op dat moment in een huurauto en kon het kenteken niet meer omzetten. Haar cliënt wilde parkeergeld betalen bij de parkeerautomaat, maar die bleek defect. Verder heeft eiseres aangevoerd dat zijn geen kennisgeving van beschikking achter haar ruitenwisser heeft aangetroffen en dat zij diverse stukken op haar dashboard had gelegd, waaronder een mededeling dat de parkeerautomaat defect was.

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de parkeervergunning van eiseres op het tijdstip van het opleggen van de naheffingsaanslag niet geregistreerd stond op het kenteken van de geparkeerde auto. Eiseres diende dan ook op andere wijze parkeerbelasting te betalen. Uit haar relaas blijkt dat zij zich dat ook realiseerde, omdat haar cliënt naar de parkeerautomaat is gelopen. De desbetreffende parkeerautomaat was inderdaad defect, maar eiseres had een parkeerrecht kunnen en moeten aanschaffen bij een van de andere parkeerautomaten in de omgeving. Verder heeft verweerder meegedeeld dat er geen wettelijke verplichting is om een naheffingsaanslag op of aan het voertuig aan te brengen. De gemeente heeft ervoor gekozen om geen gebruik meer te maken van de mogelijkheid om de naheffingsaanslag op of aan het voertuig aan te brengen, maar om de naheffingsaanslag bekend te maken door middel van verzending aan de belastingplichtige.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder er terecht op gewezen dat er geen wettelijke verplichting is om een naheffingsaanslag bekend te maken door hem achter de ruitenwisser te doen. Dat is slechts een van de mogelijkheden van bekendmaking die de regelgeving biedt. Uit artikel 8 van de Invorderingswet en artikel 234, zevende lid, van de Gemeentewet volgt dat een naheffingsaanslag ook uitsluitend bekend gemaakt kan worden door middel van verzending, zoals hier is gebeurd. De omstandigheid dat de naheffingsaanslag niet achter de ruitenwisser van de auto van eiseres is bevestigd, vormt dan ook geen reden voor vernietiging van de naheffingsaanslag, zoals eiseres kennelijk meent.

9. In de omstandigheid dat eiseres over een gehandicaptenparkeerkaart beschikte, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om de naheffingsaanslag te vernietigen. De gehandicaptenparkeerkaart was geregistreerd voor een ander kenteken dan de huurauto die eiseres op de desbetreffende parkeerplaats parkeerde. Eiseres heeft het kenteken niet tijdig omgezet. Naar het oordeel van de rechtbank komt dat voor risico van eiseres, nu zij zelf heeft aangegeven dat zij de huurauto reeds sinds 4 februari 2014 had, omdat haar eigen auto defect was. De naheffingsaanslag is opgelegd op 4 april 2014, dus twee maanden later. Eiseres heeft dan ook ruimschoots de tijd gehad om het kenteken om te zetten.

10. Nu de gehandicaptenparkeerkaart van eiseres niet geldig was voor de auto die eiseres op de desbetreffende parkeerplaats heeft geparkeerd, was zij voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd. Haar cliënt is daartoe naar de dichtstbijzijnde parkeermeter gelopen. Dat deze parkeerautomaat defect was, is tussen partijen niet in geschil. De vraag is dan ook of van eiseres dan wel van haar cliënt verlangd mocht worden om op zoek te gaan naar een andere parkeerautomaat in de omgeving. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Verweerder heeft door middel van een plattegrond aangetoond dat in de naaste omgeving twee andere parkeerautomaten stonden, waar eiseres dan wel haar cliënt een parkeerrecht had kunnen aanschaffen. Eiseres heeft niet aangetoond dat sprake was van dermate bijzondere omstandigheden dat van haar of van haar cliënt niet gevergd kon worden naar een andere parkeerautomaat in de omgeving te zoeken.

11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het beroep is dan ook ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.”

4 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Tevens klaagt belanghebbende over het heffen van griffierecht, zowel bij de rechtbank als in hoger beroep.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Belanghebbende voert tegen het oordeel van de rechtbank – samengevat – de volgende grieven aan:

  • -

    A) De rechtbank had de zaak aan moeten houden.

  • -

    B) Zij heeft geen naheffingsaanslagbiljet op de auto aangetroffen.

  • -

    C) Zij beschikte over een gehandicaptenparkeervergunning.

  • -

    D) De parkeerautomaat was defect.

  • -

    E) Zij was ten tijde van het parkeren in gezelschap van cliënten die in een zeer ernstige crisis verkeerden.

  • -

    F) De gemeente houdt geen rekening met het feit dat zij mensen helpt aan de onderkant van de samenleving; zij wordt gedwarsboomd in haar nuttige en noodzakelijke werkzaamheden.

  • -

    G) Het griffierecht is nauwelijks op te brengen. Deze klacht geldt ook voor het griffierecht in hoger beroep.

Deze grieven leiden tot de conclusie dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd en belanghebbende vrijgesteld dient te worden van (de heffing van) griffierecht, aldus belanghebbende.

Grief (A) De rechtbank had de zaak aan moeten houden.

5.2.

Belanghebbende klaagt dat de rechtbank geweigerd heeft de zitting uit te stellen. Zij had op de dag van de zitting (11 maart 2015) een andere rechtszaak te Alkmaar. Die zaak betrof haar PGB/AWBZ.

5.3.

Belanghebbende heeft meermalen bij de rechtbank om uitstel van de zitting verzocht. De rechtbank heeft die verzoeken schriftelijk afgewezen. Kort voor de zitting vraagt belanghebbende wederom om aanhouding, en wel (onder meer) om de navolgende reden (brieven gedagtekend 9 maart 2015 en 10 maart 2015).

“Als eerste is nu ook nog dat er een andere zaak met het Zorgkantoor NHN (ZK NHN) zou dienen op 02/03-03-2015, maar die is verzet doordat de locatie rechtbank niet juist was. Aanvankelijk was het in Haarlem gepland maar moest Alkmaar zijn. Deze zittingsdatum is jl. vrijdag aan ondergetekende medegedeeld door mijn advocaat (…) dat de zitting ZK.NHN nu ook op 11-03-2015 om 15 / 15.30 uur is gesteld.”

5.4.

De uitspraak van de rechtbank vermeldt slechts dat belanghebbende “met bericht van verhindering” niet is verschenen. Het bevat geen enkele motivering voor de afwijzing van belanghebbende kort voor de zitting gedaan verzoek tot uitstel daarvan.

5.5.

Naar het oordeel van het Hof had de rechtbank haar beslissing om de zaak niet aan te houden in de uitspraak dienen te motiveren. Bij die beslissing had zij alle relevante feiten en omstandigheden moeten meewegen, waaronder het belang dat belanghebbende had aanwezig te zijn bij de behandeling van haar zaak betreffende de PGB/AWBZ (hierna: de PGB-zitting) versus het belang van een doelmatige procesgang in de onderhavige zaak. De rechtbank had bij haar afweging weliswaar mee kunnen laten wegen dat het verzoek om aanhouding pas in een zeer laat stadium werd gedaan, maar doorslaggevend hoeft dit niet te zijn, onder meer omdat belanghebbende stelt pas kort voor de zitting te zijn geïnformeerd, dat de oorspronkelijk op 2 maart geplande PGB-zitting werd verschoven naar 11 maart. Dan kan haar niet worden verweten dat zij niet eerder een verzoek tot aanhouding heeft gedaan.

5.6.

Het Hof zal de zaak echter niet terugwijzen naar de rechtbank. Naar het oordeel van het Hof is aan belanghebbende voor tekortkomingen in de procedure in eerste aanleg voldoende herstelmogelijkheid geboden. Zij heeft, desgevraagd, ter zitting gesteld dat zij al hetgeen zij voor de rechtbank had willen aanvoeren, voor het Hof heeft aangevoerd, en ermee ingestemd dat het Hof in de zaak zal beslissen en uitspraak doen. Wel ziet het Hof in de gang van zaken aanleiding de griffier te gelasten het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht terug te betalen.

Grief (B) Het ontbreken van een naheffingsaanslagbiljet achter de ruitenwisser.

Grief (C) Belanghebbende beschikte over een gehandicaptenparkeervergunning.

Grief (D) De parkeerautomaat was defect.

5.7.

Met betrekking tot de grieven (B) tot en met (D) neemt het Hof de beslissing en de motivering (opgenomen onder 7 tot en met 10 van de rechtbankuitspraak) van de rechtbank over. Deze grieven falen derhalve.

Grief (E) Zij was ten tijde van het parkeren in gezelschap van cliënten die in een zeer ernstige crisis verkeerden.

Grief (F) De gemeente houdt geen rekening met het feit dat belanghebbende mensen helpt aan de onderkant van de samenleving; zij wordt gedwarsboomd in haar nuttige en noodzakelijke werkzaamheden.

5.8.

Grieven (E) en (F) falen. De stelling dat de aard van de door een belastingplichtige verrichte werkzaamheden van invloed zou (moeten) zijn op het heffen van parkeerbelasting, vindt geen steun in het recht.

Grief (G) Het griffierecht is nauwelijks op te brengen. Deze klacht geldt ook voor het griffierecht in hoger beroep.

5.9.

Voor wat betreft het griffierecht in hoger beroep, behoeft grief (G) geen behandeling, nu belanghebbende het door haar betaalde griffierecht zal worden terugbetaald (zie hiervoor onder 5.6).

5.10.

Voor wat betreft het griffierecht voor het beroep in eerste aanleg geldt het volgende. Belanghebbende heeft gesteld dat haar inkomen bestaat uit AOW en een zeer klein pensioen. Daarvan uitgaande bestaat onvoldoende reden voor het oordeel dat de betaling van griffierecht voor belanghebbende een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter heeft gevormd.

5.11.

Grief (G) faalt aldus.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. Wel zal de griffier aan belanghebbende het voor het hoger beroep voldane griffierecht vergoeden.

6 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof :

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    gelast de griffier van het Hof aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 123 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn, als griffier. De beslissing is op 3 mei 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.