Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1583

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-04-2016
Datum publicatie
27-04-2016
Zaaknummer
15/00588 en 15/00589
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

“Belanghebbendes activiteiten bestaande uit de exploitatie van een giftshop vormen geen bron van inkomen. De door belanghebbende daaruit geclaimde verliezen komen dan ook niet in aftrek. Wel zijn partijen eensluidend van mening dat de aanslag Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw alsnog op nihil moet worden gesteld en dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb. Het Hof acht het evenwel op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken het bedrag dat bij onverkorte toepassing van de forfaitaire regeling aan kostenvergoeding zou worden toegekend, overtreft”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/994
V-N 2016/38.24.4
FutD 2016-1118
FutD 2016-1119
NTFR 2016/1591 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 15/00588 en 15/00589

11 april 2016

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] , te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: R.R. Sewkaransing)

tegen

de uitspraak in de zaken met kenmerken HAA 14/4299 en 14/4300 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 10 juli 2015 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

Met dagtekening 8 mei 2014 heeft de inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2010 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.000.

1.1.2.

Met dagtekening 8 mei 2014 heeft de inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2010 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd berekend naar een bijdrage-inkomen van € 30.000.

1.2.

Na tegen de hiervoor onder 1.1.1 en 1.1.2 vermelde aanslagen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar, beide gedagtekend 10 september 2014, de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroepen ingesteld. Bij uitspraak van 10 juli 2015 heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

De tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde (in één geschrift vervatte) hoger beroepen zijn bij de griffie van het Hof ingekomen op 16 juli 2015. Bij (fax)brief van 14 augustus 2015 is het hoger beroepschrift nader gemotiveerd. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Bij (fax)brieven van 14 maart 2016 (15:19 uur en 17:44 uur) aan de griffie van het Hof heeft belanghebbende (nadere) stukken ingediend. Het faxbericht van 15.19 uur is (per e-mailbericht) op 14 maart 2016 doorgezonden naar de inspecteur. Het faxbericht van 17.44 uur is door de griffie (kort) na de zitting van 15 maart 2016 doorgezonden naar de griffier van de vierde meervoudige belastingkamer.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Belanghebbende is verschenen en namens de inspecteur, [A] en [B] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“1. Eiseres heeft een aangifte ib/pvv over het jaar 2010 ingediend. Het aangegeven inkomen in box 1 was als volgt samengesteld:

(€)

Winst uit onderneming

-20.733

MKB-vrijstelling

2.487

Aftrek eigen woning

- 7.024

Alimentatie

30.000

Totaal

4.730

2. Verweerder heeft tussen 14 augustus 2013 en 27 september 2013 verschillende keren geprobeerd een afspraak met eiseres te maken voor een boekenonderzoek. Dit is niet gelukt.

3. Verweerder heeft eiseres bij brief van 1 oktober 2013 medegedeeld dat zij niet heeft voldaan aan de vereisten van artikel 47, eerste lid, en artikel 49, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Tevens heeft verweerder eiseres verzocht een nieuwe afspraak te maken.

4. Eiseres heeft verweerder bij brieven van 17 september 2013 en 28 september 2013 gemeld dat de administratie grotendeels verloren is gegaan door brand, waterschade, diefstal, een computercrash en een verhuizing. Zij legt de verantwoording voor het niet doorgaan van het boekenonderzoek bij verweerder. Tevens doet eiseres een beroep op het retentierecht, een WOB verzoek en een beroep op de Wet bescherming persoonsgegevens.

5. Verweerder heeft eiseres bij brief van 8 november 2013 gevraagd om een nadere onderbouwing van en informatie over de redenen van het verloren gaan van de administratie. Tevens heeft verweerder eiseres erop gewezen dat het niet overleggen van een administratie tot gevolg kan hebben dat het aangegeven verlies niet zal worden geaccepteerd. Verweerder heeft eiseres bij brief van 16 december 2013 nogmaals dezelfde vragen gesteld. Eiseres heeft de vragen niet beantwoord.

6. Verweerder heeft de bevindingen op 26 maart 2014 vastgelegd in een verslag.

7. Verweerder heeft op 8 mei 2014 voor het jaar 2010 een aanslag ib/pvv aan eiseres opgelegd. Hierbij heeft verweerder geen rekening gehouden met het resultaat uit onderneming, de MKB-vrijstelling en de aftrek eigen woning. De aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen in box 1 van € 30.000.

8. Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiseres in 2010 met diverse activiteiten een opbrengst van € 16.617 heeft behaald.

9. Eiseres heeft verweerder bij brief van 31 juli 2014 onder meer het volgende laten weten:

“(…) De eigenwoning van cliënte gebruikte zij zakelijk en deels privé als zij daar was i.v.m. haar zakelijke activiteiten (webshops, archief en opslag) en verbouwing van de eigen woning. Het is algemeen bekend dat men zich niet kan inschrijven op meerdere adressen en derhalve heeft zij zich ingeschreven op haar hoofdverblijf. De eigen woning kunt u buiten beschouwing laten en zijn de eigendoms –hypotheekakte derhalve niet van toepassing en heeft u toegang tot deze gegevens aangezien ze openbaar zijn”.

10. Eiseres heeft de rechtbank bij brief van 28 mei 2015 medegedeeld dat zij de zitting van 29 mei 2015 niet zou bijwonen.”

2.1.2. Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat het Hof ook van die feiten uit. Het Hof voegt daaraan nog de volgende feiten toe.

2.1.3. Tot de gedingstukken behoort een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 21 juli 2005. Hierin is opgenomen dat op naam van belanghebbende een onderneming met de handelsnaam “ [onderneming A] ” vanaf 1 december 2001 is ingeschreven. In het in eerste aanleg ingediende verweerschrift van de inspecteur is opgenomen dat deze inschrijving op 8 september 2010 is beëindigd. Op 8 september 2010 is op naam van belanghebbende een onderneming met de handelsnaam “ [onderneming B] ” ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Deze inschrijving is in 2011 beëindigd.

In het aan belanghebbende uitgebrachte rapport van boekenonderzoek van 26 maart 2014 is ter zake de activiteiten opgenomen “Ik vermoed dat mevrouw [X] (hof: belanghebbende) een giftshop heeft geëxploiteerd”.

2.1.4. In de door belanghebbende ingediende nadere motivering van het bezwaarschrift van 31 juli 2014 is opgenomen “Cliënte heeft een giftshop geëxploiteerd met overwegend religieuze artikelen (Bijbels, boeken, geschenken, woonaccesoires, kleding, schoenen ed.[)].Daarnaast had zij twee webwinkels en gaf zij adviezen en verleende diensten op maatschappelijk/pastoraal, sociaal/fiscaal juridisch gebied”.

Het Hof zal belanghebbendes activiteiten hierna aanduiden als “de giftshop”.

2.1.5. In de aangiften IB 2008 en 2009 heeft belanghebbende ondernemingsverliezen opgenomen ad € 3.230 (2008) en € 32.216 (2009).

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de inspecteur de aanslagen terecht en tot de juiste bedragen heeft vastgesteld.

3.2.

Ter zitting van het Hof heeft de inspecteur zich nader op het standpunt gesteld dat in het licht van artikel 5.2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Regeling zorgverzekering de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet dient te worden verminderd tot nihil en ter zake van de afdoening van het bezwaar en (hoger) beroep tegen deze aanslag sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

3.3.

Partijen doen hun standpunten voor het overige in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen:

“1. Eiseres heeft de rechtbank bij brief van 21 mei 2015 verzocht om de zitting van 29 mei 2015 te verdagen, omdat zij op deze datum een zitting van Rechtbank Overijssel moest bijwonen. Daarbij heeft eiseres de uitnodiging van Rechtbank Overijssel overgelegd (dagtekening 19 mei 2015). De rechtbank heeft het verzoek van eiseres om uitstel afgewezen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiseres de uitnodiging van Rechtbank Overijssel later heeft ontvangen dan de uitnodiging van Rechtbank Noord-Holland voor de zitting van 29 mei 2015.

2. Eiseres heeft bij brief van 28 mei 2015 gesteld dat zij het verweerschrift te laat heeft ontvangen en dat zij hierdoor niet in staat is geweest om zich zorgvuldig voor te bereiden. In artikel 8:58 Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bepaald dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. De rechtbank heeft het verweerschrift en de bijbehorende stukken op 13 mei 2015 van verweerder ontvangen. Dit betekent dat de stukken op grond van artikel 8:58 van de Awb tijdig zijn ingediend en dat de stukken kwalificeren als nadere stukken. De rechtbank zal uitspraak doen met in achtneming van de nadere stukken. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de nadere stukken eiseres niet voor verrassingen kunnen hebben gesteld, nu eiseres reeds bekend was met het standpunt van verweerder en de inhoud van de stukken.

3. Eiseres neemt het standpunt in dat zij in 2010 met haar ondernemingsactiviteiten een negatief resultaat heeft behaald. Verweerder betwist dit. Nu eiseres ter onderbouwing van haar standpunt niets heeft aangevoerd, acht de rechtbank haar niet erin geslaagd om aannemelijk te maken dat zij in 2010 een negatief resultaat uit ondernemingsactiviteiten heeft behaald. Dat de administratie van eiseres verloren is gegaan, dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van eiseres te blijven.

4. Voor zover eiseres het standpunt inneemt dat het handelen van verweerder in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, verwerpt de rechtbank dit standpunt. Eiseres heeft dit standpunt niet onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is van onzorgvuldig handelen door verweerder geen sprake. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, anders dan eiseres heeft gesteld, van ondeugdelijke motivering door verweerder evenmin sprake is.

5. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.”

Vooraf en ambtshalve

4.2.

Belanghebbende heeft bij (fax)brief van 14 maart 2016, 15:19 uur, (nadere) stukken ingediend. Tot deze stukken behoort een geschrift van 10 maart 2016 met daarin nadere gronden terzake de door belanghebbende ingediende hoger beroepen. Belanghebbende voert hierin onder meer aan dat zij ten onrechte een bedrag ad € 30.000 als (partner)alimentatie in de aangifte IB 2010 heeft opgenomen; terzake van partneralimentatie had slechts een bedrag van € 15.000 opgenomen moeten worden (er was daarnaast volgens belanghebbende sprake van € 15.000 kinderalimentatie). In een bijlage bij voornoemd geschrift is een door [C] op 31 december 2010 opgemaakte “Verklaring kinder en partneralimentatie 2010” opgenomen. De inspecteur heeft desgevraagd ter zitting van het Hof verklaart dat hij niet in staat is om te reageren op het gestelde in voornoemde stukken aangaande de alimentatie nu deze stelling nieuw is en onderzoek van feitelijke aard vergt (waartoe hij gelet de ontvangst zeer kort voor de zitting niet is staat is geweest).

Voor wat betreft de overige stukken heeft de inspecteur verklaard voldoende kennis te hebben kunnen nemen van de inhoud van de stukken en zich in staat verklaard daarop te reageren.

4.3.

Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken ter zitting (of na de zitting) alsnog over te leggen, moet een afweging plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure voor de feitenrechter heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang (zie onder meer HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821, BNB 2006/204 en HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007: BA0721, BNB 2007/222). Naar het oordeel van het Hof geldt vorenstaande evenzeer voor voornoemde zeer kort voor de zitting door belanghebbende ingediende bewijsstukken.

4.4.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met haar stelling zoals genoemd in de onder 4.2. genoemde stukken, dat er deels sprake is van kinderalimentatie in plaats van (belaste) partneralimentatie uitbreiding aan de rechtsstrijd gegeven zoals deze zich tot aan de zitting van het Hof heeft ontwikkeld. Nu het door belanghebbende in de nadere stukken gestelde omtrent de alimentatie niet door het Hof ambtshalve zou kunnen zijn opgeworpen en (het onderzoeken van de juistheid van) deze stellingname tot een nader onderzoek van de desbetreffende feiten en omstandigheden zou nopen kon van de inspecteur redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij hierop zonder nadere voorbereiding zou (kunnen) reageren. Voorts valt niet in te zien waarom belanghebbende haar stelling – die niet strookt met hetgeen belanghebbende tot aan de zitting van het Hof heeft betoogd – niet in een eerder stadium heeft aangevoerd. Zo dateert de door haar ter zake overgelegde bijlage van 31 december 2010. Onder deze omstandigheden acht het Hof het bij een afweging van het belang van belanghebbende bij een inhoudelijke behandeling van haar stelling tegenover het belang van een doelmatige en doelgerichte voortgang van de procedure, niet in overeenstemming met een goede procesorde indien die stelling en het daarbij aangeboden bewijs wordt toegelaten. Het Hof beschouwt deze stelling en het daarbij aangeboden bewijs (zoals samengevat is weergegeven onder 4.2.) dan ook als tardief.

4.5.

De bij het faxbericht van 14 maart 2016 (17:44 uur) gevoegde stukken waarvan noch de inspecteur, noch het Hof voorafgaande aan het sluiten van het onderzoek ter zitting kennis heeft genomen, geven geen aanleiding tot heropening van het onderzoek. Daarbij merkt het Hof op dat de omstandigheid dat dit bericht eerst na sluiting van het onderzoek ter zitting ter kennis van de behandelde meervoudige kamer is gebracht voor rekening van belanghebbende komt gelet op de zeer late verzending van dit bericht door belanghebbende (in vergelijkbare zin Hof ’s-Hertogenbosch ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ7182; het tegen die uitspraak ingestelde cassatieberoep werd door de Hoge Raad verworpen: ECLI:NL:HR:2014:427).

Aanslag IB 2010

4.6.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen rekening dient te worden gehouden met “een verlies uit onderneming, de kosten zijn niet of althans niet tot een bedrag groter dan € 16.617 (Hof: de door belanghebbende aangegeven omzet) aannemelijk gemaakt; en indien de kosten wel aannemelijk zijn gemaakt is er geen sprake van een bron van inkomen; in beide gevallen bestaat er geen recht op zelfstandigenaftrek”.

4.7.

Indien, veronderstellenderwijs, ervan uit wordt gegaan dat de kosten tot een bedrag van € 16.617 zijn gemaakt heeft naar het oordeel van het Hof ten aanzien van de vraag of sprake is van een bron van inkomen het volgende te gelden.

4.8.

Een voordeel kan slechts belast inkomen zijn indien er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt. Van een onderneming is alleen dan sprake indien wordt voldaan aan de volgende drie (cumulatieve) voorwaarden: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.

4.9.

Het Hof neemt tot uitgangspunt dat belanghebbende met haar activiteiten met de giftshop deelnam aan het economisch verkeer en het oogmerk had om daarmee voordeel te behalen. De vraag die alsdan voorligt is of het door belanghebbende beoogde voordeel redelijkerwijs te verwachten viel.

Het Hof voegt hier aan toe dat de in geschil zijnde vraag – of het door belanghebbende beoogde voordeel ook, objectief bezien, redelijkerwijs was te verwachten – in beginsel dient te worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van het belastingjaar zelf, derhalve in dit geval het jaar 2010. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in 2010 sprake was van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (zie onder meer HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707, BNB 2011/246).

4.10.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. Weliswaar vormt een giftshop op zichzelf beschouwd een activiteit waarmee in het economisch verkeer voordeel kan worden behaald (en in de praktijk ook wordt behaald), maar dat is niet voldoende. Belanghebbende moet aannemelijk maken dat zij de activiteiten van de giftshop op zodanige wijze heeft ingericht, dat die activiteiten, zij het wellicht pas na verloop van jaren, naar redelijke verwachting tot winst zouden leiden (vgl. Hof Amsterdam ECLI:NL:GHAMS:2016:162). Tijdens het boekenonderzoek heeft de controleambtenaar niet kunnen waarnemen wat (bij benadering) de werkzaamheden van de giftshop betroffen en waaruit de opbrengst bestond. Uit de stukken komt naar voren dat in de voorafgaande jaren (de inspecteur noemt in zijn verweerschrift 2008 en 2009) belanghebbende alleen ondernemingsverliezen in haar aangiften heeft gepresenteerd. Zij heeft hier geen toereikende verklaring voor gegeven. Belanghebbende is er ook anderszins niet in geslaagd – bijvoorbeeld door overlegging van een bedrijfsplan of ander document – aannemelijk te maken dat een objectieve voordeelsverwachting bestond.

Belanghebbende heeft zich voorts in 2011 afgemeld als ondernemer bij de Kamer van Koophandel. Kennelijk waren de activiteiten ook in 2011 niet winstgevend en had belanghebbende ook zelf niet meer het vooruitzicht dat dit in de toekomst zou verbeteren.

Voornoemde feiten en omstandigheden brengen het Hof tot het oordeel dat de vereiste geobjectiveerde winstverwachting niet aannemelijk is geworden. De vraag of en, zo ja, in hoeverre de kosten door belanghebbende aannemelijk zijn gemaakt kan alsdan in het midden blijven. Het gelijk is alsdan aan de inspecteur.

Aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010

4.11.

Het Hof zal, nu tussen partijen geen geschil meer omtrent deze aanslag bestaat en het Hof geen aanleiding ziet anders te oordelen, de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010 tot nihil verminderen.

Slotsom

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende inzake de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010 gegrond is en het hoger beroep inzake de aanslag IB 2010 ongegrond is. Het Hof zal beslissen als hieronder weergegeven.

5 Proceskosten

Aanslag IB 2010

5.1.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb (in verbinding met artikel 8:108 van die wet).

Aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010

5.2.Artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna het Besluit) kent een forfaitaire regeling voor het toekennen van een kostenvergoeding. Deze regeling is nader uitgewerkt in de bijlage bij het Besluit. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit kan van deze regeling worden afgeweken indien er sprake is van bijzondere omstandigheden.

5.3.

Met de inspecteur is het Hof van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit. Het Hof acht niet aannemelijk dat de inspecteur toepassing van de in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel c, van de Regeling zorgverzekering opgenomen uitzondering bewust achterwege heeft gelaten maar dat doet er niet aan af dat de inspecteur op het moment van het opleggen van de aanslag dan wel het doen van de uitspraak op bezwaar duidelijk had kunnen en moeten zijn dat het bijdragepercentage nihil bedroeg en daarmee dat de aanslag eveneens op nihil had moeten worden vastgesteld.

5.4.

Het Hof acht het evenwel op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep inzake de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet redelijkerwijs heeft moeten maken het bedrag dat bij onverkorte toepassing van de forfaitaire regeling aan kostenvergoeding zou worden toegekend overtreft. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbendes beroepsmatig optredende gemachtigde in wezen had kunnen volstaan met het op een duidelijke manier wijzen op de hem kennelijk bekende meerbedoelde uitzonderingsbepaling en de wijze waarop aanslagen met betrekking tot andere jaren waren afgehandeld. De door belanghebbende overgelegde nota’s geven – nog daargelaten de vraag of de daarop vermelde bedragen in dezen redelijk en juist zijn (belanghebbende becijfert de kosten van beide procedures eerst op € 1.403 en later op € 4.967) – geen aanleiding tot een ander oordeel reeds omdat uit die nota’s niet valt op te maken in hoeverre de daarin opgenomen kosten betrekking hebben op werkzaamheden betreffende de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Het Hof ziet derhalve geen aanleiding voor het bepalen van de aan belanghebbende toekomende vergoeding voor kosten van door een derde verleende rechtsbijstand af te wijken van de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit neergelegde forfaitaire regeling.

5.5.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).Voor het onderhavige geval zijn dat de in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt die kosten gelet op hetgeen is overwogen onder 5.4. overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief en met inachtneming van een wegingsfactor voor een ‘gemiddelde’ zaak op: € 246 voor de bezwaarfase (1 punt voor bezwaarschrift, waarde per punt € 246, wegingsfactor 1), € 496 voor de beroepsfase (1 punt voor het beroepschrift, waarde per punt € 496, wegingsfactor 1), en € 496 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor het hoger beroepschrift, waarde per punt € 496, wegingsfactor 1) = totaal € 1.238.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep aangaande de aanslag IB 2010 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep aangaande de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar aangaande de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010;

  • -

    vermindert de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010 tot nihil;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.238; en

  • -

    gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad totaal € 168 (beroep en hoger beroep) te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en W.E.M van Nispen tot Sevenaer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen als griffier. De beslissing is op 11 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.