Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1519

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
200.176.301/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie, kindgebonden budget.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 19 april 2016

Zaaknummer: 200.176.301/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/572814/FA RK 14-7044 en C/13/583499/FA RK 15-1954

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. K. Tijsterman te Uithoorn,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B. Blom te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 8 september 2015 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 10 juni 2015 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/572814/FA RK 14-7044 en C/13/583499/FA RK 15-1954; hij heeft op 14 september 2015 de stukken van de eerste aanleg in het geding gebracht, voorzien van een inventarislijst.

1.3.

De vrouw heeft op 27 oktober 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 8 februari 2016 en 12 februari 2016 nadere stukken ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 12 februari 2016 en 16 februari 2016 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 24 februari 2016 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1992 gehuwd. Hun huwelijk is op 22 juni 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 4 maart 2015 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind a] (hierna: [kind a] ) [in] 1993, [kind b] (hierna: [kind b] ) [in] 1995 en [kind c] (hierna: [kind c] ) [in] 1998.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1960.

Hij is fulltime werkzaam in loondienst bij [werkgever A] . Blijkens de jaaropgave over 2014 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 50.480,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de voormalig echtelijke woning betaalt hij € 385,- per maand aan rente. Aan premie voor de levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betaalt hij € 143,- per maand. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. Het eigenwoningforfait bedraagt € 1.758,- per jaar. De WOZ-waarde is per peildatum 1 januari 2015 vastgesteld op € 302.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 103,- per maand.

Hij neemt de kosten van de verzorging en opvoeding van [kind c] van € 600,- per maand voor zijn rekening. Hij ontvangt thans een kindgebonden budget van € 2.445,- per jaar, derhalve € 204,- per maand.

Hij betaalt een premie voor een levensverzekering van € 119,- per maand.

2.3.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1962.

Zij was werkzaam als accountmanager bij [werkgever B] Blijkens de loonstrook van maart 2014 bedroeg haar salaris € 2.370,- bruto per maand exclusief vakantiegeld. Met ingang van 1 augustus 2014 ontving zij een WW-uitkering die blijkens de jaaropgave van 2014 in dat jaar € 6.970,- bedroeg.

Sinds 4 december 2014 ontvangt zij een Ziektewetuitkering die blijkens betalingsspecificaties van juli tot en met december 2015 € 347,- netto per week bedraagt inclusief vakantiegeld. Blijkens een betalingsspecificatie van januari 2016 bedraagt de uitkering thans € 365,- netto per week.

Zij huurt sinds 27 oktober 2015 een woning. Aan huur en enige servicekosten betaalt zij € 627,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 100,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, een door de man met ingang van 10 juni 2015 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 832,- per maand.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen van € 854,- per maand.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en met aanvulling en verbetering van gronden voor zover nodig, het inleidend verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen en te bepalen dat hetgeen de man sinds 10 juni 2015 teveel heeft betaald, door de vrouw dient te worden terugbetaald in die zin dat deze bruto bedragen netto in mindering komen op het bedrag dat de man uit hoofde van de afrekening van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw dient te voldoen.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man verzocht, indien de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (gedeeltelijk) wordt gehandhaafd, deze in duur te beperken tot een termijn van vier jaar, althans een zodanige termijn als het hof redelijk zal achten.

3.3.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans een zodanige uitkering te bepalen als het hof juist zal achten.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De man heeft met zijn grieven de behoefte van de vrouw alsmede de mate waarin zij daarin zelf kan voorzien, en zijn draagkracht aan de orde gesteld.

4.2.

Met betrekking tot de behoefte van de vrouw stelt de man in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte de zogenaamde hofnorm heeft gebruikt ter vaststelling van deze behoefte. In hoger beroep heeft de vrouw alsnog - als productie 1 bij verweerschrift - een behoeftelijstje overgelegd. Nu deze lijst de behoefteopstelling bevat die het meest is toegesneden op de concrete behoefte van de vrouw zal het hof deze lijst tot uitgangspunt nemen bij het bepalen van de behoefte van de vrouw. De man heeft deze behoeftelijst betwist voor zover de vrouw de daarin opgevoerde lasten niet met stukken heeft onderbouwd. Het hof zal hierna de in geschil zijnde posten bespreken.

4.3.

De vrouw heeft gesteld dat zij een bedrag van € 450,- per maand aan boodschappen uitgeeft. Bij gebreke van verdere feitelijke onderbouwing zal het hof op dat bedrag een correctie aanbrengen van € 150,- per maand en ervan uitgaan dat een bedrag van € 300,- per maand kostendekkend is voor deze behoeftepost. Voorts acht het hof het redelijk om een correctie van € 30,- in aanmerking te nemen op de post ‘preventieve behandeling diabetes type 2/fitness’. Niet in geschil is dat de vrouw diabetes heeft, maar voor zover zij in verband daarmee meer uitgeeft dan € 50,- per maand voor fitness en dergelijke, heeft zij de hoogte van deze kosten tegenover de betwisting door de man onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw erkend dat zij thans geen premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering betaalt zodat het hof geen rekening houdt met de gestelde premie van € 196,- per maand.

Het hof acht het gezien de welstand tijdens het huwelijk redelijk om ter zake van vakantie en ontspanning een bedrag van € 200,- per maand in aanmerking te nemen als gevolg waarvan een korting van € 50,- per maand wordt toegepast op de door de vrouw opgevoerde post van € 250,- per maand.

Aangezien gebleken is dat partijen tijdens hun huwelijk spaarden, acht het hof het redelijk ook thans nog rekening te houden met deze kostenpost, maar dan tot een bedrag van € 100,- per maand zodat een correctie van € 50,- per maand wordt toegepast.

Het hof houdt geen rekening met het opgevoerde bedrag van € 100,- per maand aan overige uitgaven zoals workshops, cursussen en brillen nu de vrouw deze niet heeft aangetoond.

Alle overige door de vrouw opgevoerde posten acht het hof, mede gezien de welstand tijdens het huwelijk met de man, redelijk.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof op de door de vrouw gestelde behoefte van € 2.955,- netto per maand een correctie toepassen van € 581,- per maand zodat een behoefte resteert van € 2.414,- netto per maand, hetgeen gebruteerd een behoefte oplevert van € 4.163,- per maand.

4.4.

Vervolgens dient te worden bepaald in hoeverre de vrouw zelf in haar behoefte kan voorzien. Gezien de uitkeringsspecificatie van januari 2016 ontvangt de vrouw een Ziektewetuitkering van € 417,- bruto per week /€ 1.807,- bruto per maand inclusief vakantiegeld. Naar de man stelt dient echter met een verdiencapaciteit van de vrouw van € 3.000,- per maand rekening te worden gehouden. Hij baseert laatstgenoemd bedrag op het salaris van de vrouw bij [werkgever B] , geëxtrapoleerd naar een fulltime dienstverband. Dat de vrouw thans een Ziektewetuitkering ontvangt is volgens de man enerzijds een gevolg van haar ongezonde levenswijze en anderzijds van het gegeven dat de arbeidsovereenkomst met [werkgever B] door de vrouw zelf is beëindigd. De man voert verder aan dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij als gevolg van haar diabetes niet zou kunnen werken; anderen met dezelfde aandoening kunnen dat immers ook. Wanneer voorts in ogenschouw wordt genomen dat de vrouw veelvuldig op vakantie gaat, dancefestivals bezoekt en andere uitstapjes maakt, is volgens de man niet aannemelijk dat de vrouw niet zou kunnen werken.

4.5.

Uit het door de vrouw overgelegde rapport Arbeidsdeskundig Onderzoek Eerstejaars Ziektewetbeoordeling van 20 augustus 2015 blijkt dat zij niet meer kan verdienen dan 65% van het maatmanloon. Zij komt derhalve in aanmerking voor een voortzetting van haar Ziektewetuitkering. Op grond van dit rapport is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de vrouw niet meer inkomsten kan verwerven dan de onder 4.4. vermelde uitkering van € 1.807,- bruto per maand. Dat de aandoening van de vrouw te wijten is aan haar levenswijze, is door de man niet aangetoond. Evenmin heeft de man aannemelijk gemaakt dat de beëindiging van het dienstverband van de vrouw bij [werkgever B] aan haarzelf te wijten is. De vrouw heeft gesteld dat [werkgever B] failliet is gegaan zodat haar werkgever genoodzaakt was haar dienstverband te beëindigen. Weliswaar is [werkgever B] nadien doorgestart, maar heeft geen werknemers meer in dienst genomen, aldus de vrouw. De verklaring van de vrouw wordt ondersteund door de jaaropgave 2014 van het UWV waaruit blijkt dat zij naast een Ziektewetuitkering een faillissementsuitkering heeft ontvangen in dat jaar van € 2.987,-. Ook heeft zij een e-mail van [werkgever B] van 25 juli 2014 overgelegd waarin de beëindiging van het dienstverband wordt aangekondigd alsmede de aangetekende brief waarin deze mededeling wordt gedaan.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het hof geen aanleiding om van fictief hogere inkomsten van de vrouw uit te gaan.

4.6.

De man heeft verder betoogd dat de vrouw zelf in haar behoefte kan voorzien met het vermogen dat zij zal ontvangen na de verrekening van de huwelijksgoederengemeenschap. Dat de precieze hoogte van dat vermogen nog onbekend is, doet niet af aan het gegeven dat thans wel reeds duidelijk is dat de vrouw een aanzienlijk vermogen zal ontvangen. De helft van de overwaarde op de voormalig echtelijke woning bedraagt reeds meer dan € 130.000,- en daarnaast zal de vrouw vermogen uit onder andere banktegoeden ontvangen. De man schat het toekomstige vermogen van de vrouw op € 238.636,- zodat zij bij een rente van 4% een rendement van € 595,- netto per maand kan behalen.

De vrouw wijst erop dat de verrekening van de huwelijksgoederengemeenschap nog niet is afgewikkeld en dat voorts niet zeker is dat de man de woning zal kunnen overnemen. Nog daargelaten dat niet vooruit kan worden gelopen op de hoogte van aan haar in de toekomst toekomend vermogen, is zij voornemens dat vermogen aan te wenden voor het treffen van een pensioenvoorziening en de aankoop van een woning zodat het niet bij haar draagkracht dient te worden opgeteld.

4.7.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat bij de vaststelling van de mate waarin de vrouw in haar behoefte kan voorzien thans geen rekening kan worden gehouden met een rendement uit vermogen. De verrekening van de huwelijksgoederengemeenschap is nog niet afgewikkeld zodat op dit moment onvoldoende duidelijk is in hoeverre sprake is van vrij vermogen. Bovendien kan nu nog niet worden vooruitgelopen op het bedrag dat de vrouw zal ontvangen. Niet duidelijk is immers hoeveel de vrouw (maar ook de man) zal ontvangen, wanneer zij dat zal ontvangen en in welke mate zij over dat vermogen zal kunnen beschikken.

4.8.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de vrouw een aanvullende behoefte van € 2.356,- bruto per maand.

Thans dient te worden beoordeeld in hoeverre de draagkracht van de man een uitkering van die hoogte toelaat.

4.9.

De man heeft in de eerste plaats aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met zijn kosten voor [kind a] en [kind b] . Zij betalen hun studiekosten zelf en zij hebben inkomsten uit een bijbaan, maar de man draagt wel de kosten van inwoning: hun eten en drinken en de extra kosten voor energie en water.

De vrouw heeft naar voren gebracht dat, nog daargelaten dat de man jegens [kind a] geen wettelijke onderhoudsplicht heeft en dat ook [kind b] op korte termijn 21 jaar wordt, [kind a] bij haar zal komen wonen en dat ook [kind b] vaker bij haar zal verblijven. Verder hebben partijen tijdens hun huwelijk gespaard voor de studiekosten van hun kinderen zodat [kind a] en [kind b] die thans niet zelf hoeven te dragen en zij in plaats daarvan kostgeld aan de man kunnen betalen.

4.10.

Het hof overweegt als volgt. De man heeft jegens [kind a] geen wettelijke onderhoudsplicht meer en [in] 2016 is ook de onderhoudsplicht jegens [kind b] geëindigd. Vaststaat echter ook dat de man nog kosten voor [kind a] en [kind b] maakt, nu de zonen van partijen nog studeren en slechts een bijbaan hebben. De vrouw zelf gaat er overigens ook impliciet van uit dat de ouders kosten voor hun beider zonen hebben, gezien haar stelling dat ook zij kosten zal hebben als [kind a] en [kind b] bij haar zullen gaan wonen. Naar het oordeel van het hof is duidelijk dat [kind a] en [kind b] , die de kosten van hun studie zelf dragen en die met hun bijbanen respectievelijk € 350,- per maand en € 300,- per maand verdienen, niet volledig in de kosten van hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Het hof acht het derhalve redelijk om met kosten van in totaal € 10,- per dag ter zake van eten en drinken en extra kosten van energie en water rekening te houden, ofwel € 304,- per maand.

De mogelijke verhuizing van [kind a] en [kind b] van de man naar de vrouw acht het hof een te onzekere toekomstige gebeurtenis om reeds nu in aanmerking te nemen. [kind a] staat weliswaar sinds 27 oktober 2015 op het adres van de vrouw ingeschreven en de man heeft erkend dat [kind a] bij zijn moeder zal gaan wonen, maar geenszins duidelijk is wanneer [kind a] zal verhuizen. Ook [kind b] zou volgens de vrouw bij haar willen komen wonen, maar de man heeft dat betwist.

4.11.

De man heeft voorts gesteld dat de rechtbank de kosten van de man voor [kind c] op de verkeerde plaats in haar berekening heeft ingevoerd. De vrouw heeft met betrekking tot de kosten van [kind c] naar voren gebracht dat rekening moet worden gehouden met het kindgebonden budget dat de man ontvangt in die zin dat dit bedrag primair in mindering moet worden gebracht op [kind c] ’s kosten van € 600,- per maand en subsidiair bij de draagkracht van de man moet worden opgeteld.

Het hof volgt de vrouw in deze subsidiaire stelling, in die zin dat bij de vaststelling van de draagkracht van de man in het kader van partneralimentatie het kindgebonden budget als netto inkomen wordt beschouwd.

De vrouw heeft erop gewezen dat [kind c] thans drie dagen per week bij haar verblijft, en heeft verzocht hiermee rekening te houden. Nu de man ter zitting heeft aangegeven dat [kind c] een à twee dagen per week bij haar moeder verblijft dient ervan uit te worden gegaan dat ook de vrouw een aandeel levert in de kosten van [kind c] van € 600,- per maand. Uitgaande van een verblijf van [kind c] van in ieder geval een à twee dagen per week bij de vrouw gaat het hof uit van een bedrag van € 150,- per maand, daarbij aanknopend bij de berekening van zorgkorting bij de vaststelling van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van een minderjarige, en uitgaande daarbij van 25%.

Gelijk de man heeft betoogd dient de resterende behoefte van [kind c] van € 450,- (= € 600,- -/- € 150,-) in mindering te worden gebracht op de draagkrachtruimte die de man heeft, nu het gaat om voldoening door de man aan een wettelijke onderhoudsplicht, zij het in natura.

4.12.

Tot slot heeft de man betoogd dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met zijn nieuwe woonlasten. Doordat hij aan de vrouw de helft van de overwaarde op de voormalig echtelijke woning moet voldoen, heeft hij de hypothecaire lening moeten oversluiten met hogere woonlasten tot gevolg.

Terecht heeft de vrouw erop gewezen dat de man de hypotheek nog niet heeft overgesloten en dat de man slechts een offerte van zijn mogelijke nieuwe hypotheeklasten heeft overgelegd. De vrouw sluit voorts niet uit dat de woning alsnog te koop moet worden gezet. Hoewel de man voornemens is de voormalig echtelijke woning over te nemen, hetgeen tot gevolg zal hebben dat hij de vrouw de helft van de overwaarde dient te vergoeden, verschillen partijen van mening over de getaxeerde waarde. Gelet op de standpunten van partijen, in welk verband het alsnog te koop zetten van de woning niet kan worden uitgesloten, kan in dit verband niet reeds rekening worden gehouden met de door de man opgevoerde woonlasten.

4.13.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de man met ingang van 10 juni 2015 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 695,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

Nu deze uitkering lager is dan de door de rechtbank bepaalde uitkering, wordt de vrouw voor een terugbetalingsverplichting gesteld. Ook indien zij (een deel van) de uitkering zou hebben verteerd, kan van haar worden gevergd dat zij het teveel ontvangene terugbetaalt nu voorzienbaar is dat de vrouw op enig moment over een vermogen zal komen te beschikken na afwikkeling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, zodat geen sprake zal zijn van betalingsnood.

4.14.

De man heeft verzocht de alimentatie in duur te beperken op grond van het gegeven dat zij volgens hem over vier jaar in staat moet worden geacht volledig zelf in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien.

Het hof wijst het verzoek van de man af en verwijst naar rechtsoverweging 4.5. waarin reeds is overwogen dat van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij zelf in de kosten van haar levensonderhoud voorziet. Voorts heeft te gelden dat partijen een huwelijk hebben gehad dat ten minste 22 jaar heeft geduurd. Onder deze omstandigheden acht het hof het niet redelijk de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw in duur te beperken. De man heeft onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen.

4.15.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 10 juni 2015 op € 695,- (ZESHONDERD VIJFENNEGENTIG EURO) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. H.A. van den Berg en mr. M.E. Burger in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2016.