Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1484

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
23-002884-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontvankelijkheid Openbaar Ministerie, verweren (schending vertrouwensbeginsel, vormverzuimen en beroep op noodweer) verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002884-15

datum uitspraak: 3 maart 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2015 in de strafzaak onder parketnummer

13-689035-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

18 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 30 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Marnixstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het (met kracht) duwen op/tegen/naar de grond van voornoemde [slachtoffer 1] en/of vastpakken en/of stompen en/of slaan in/op/tegen het gezicht van voornoemde (op de grond liggende) [slachtoffer 1] (waardoor voornoemde [slachtoffer 1] bewusteloos raakt) en/of schoppen en/of trappen op/tegen de be(e)n(en) en/of het lichaam van voornoemde (op de grond liggende) [slachtoffer 1] en/of stompen en/of slaan en/of duwen in/op/tegen de nek en/of het gezicht van voornoemde [slachtoffer 2];

subsidiair:
hij op of omstreeks 30 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het (met kracht) duwen op/tegen/naar de grond van voornoemde [slachtoffer 1] en/of vastpakken en/of stompen en/of slaan in/op/tegen het gezicht van voornoemde (op de grond liggende) [slachtoffer 1] (waardoor voornoemde [slachtoffer 1] bewusteloos raakt) en/of schoppen en/of trappen op/tegen de be(e)n(en) en/of het lichaam van voornoemde (op de grond liggende) [slachtoffer 1] en/of stompen en/of slaan en/of duwen in/op/tegen de nek en/of het gezicht van voornoemde [slachtoffer 2], waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Schending vertrouwensbeginsel

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens het schenden van het vertrouwensbeginsel. Hij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verdachte erop heeft mogen vertrouwen dat volgens het sepotbericht in de aanhangig gemaakte zaak met parketnummer 13/173945-13 de beslissing die genomen is om hem niet te vervolgen, een beslissing is die gerespecteerd dient te worden. Door toch te vervolgen, schond de officier van justitie het vertrouwensbeginsel, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In het dossier bevindt zich een sepotbrief van 24 juli 2013, inhoudende de mededeling dat de zaak jegens de medeverdachte [medeverdachte 1] door middel van technisch sepot ‘ten onrechte als verdachte aangemerkt (01)’ is geseponeerd.

Uit de stukken in het dossier is echter niet gebleken dat door het Openbaar Ministerie een soortgelijke mededeling aan de verdachte is gedaan, waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting gewekt kon zijn dat hij niet verder zou worden vervolgd.

Voorts heeft de advocaat-generaal aan de hand van het Uittreksel Justitiële Documentatie op naam van de medeverdachte [medeverdachte 2] aangetoond dat de stelling van de raadsman dat de zaak jegens [medeverdachte 2] nog steeds niet is gedagvaard onjuist is.

Nu de sepotbeslissing niet is genomen in de zaak van deze verdachte, is van het schenden van het vertrouwensbeginsel jegens de verdachte geen sprake. Nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk voor enige in deze zaak te nemen beslissing, zodat het voorwaardelijk door de verdediging gedane verzoek om nader onderzoek moet worden afgewezen.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Vormverzuim

Subsidiair heeft de raadsman zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat, nu pas twee jaar na het strafbare feit vervolging is ingesteld, de verdediging in haar belangen is geschaad omdat vanwege het voortschrijden van de tijd de herinnering bij de eventueel te horen getuigen weg is, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim oplevert dat zou moeten leiden tot strafvermindering en/of toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en/of tot bewijsuitsluiting.

Het hof overweegt het volgende.

Het feit dat de tussen het strafbare feit en het uitbrengen van de dagvaarding een tijdsverloop van twee jaren zit, levert op zichzelf geen onherstelbaar vormverzuim op in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Nu bovendien niet is gebleken dat in deze zaak nog nader getuigen moeten worden gehoord, treft het verweer van de raadsman ook op dit punt geen doel. De verdachte is derhalve niet in zijn verdedigingsbelang geschaad.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 30 april 2013 te Amsterdam, met anderen, aan de openbare weg, de Marnixstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het stompen en/of slaan tegen het gezicht van voornoemde (op de grond liggende) [slachtoffer 1] waardoor voornoemde [slachtoffer 1] bewusteloos raakt en schoppen tegen de benen en het lichaam van voornoemde (op de grond liggende) [slachtoffer 1].

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld uit noodweer, noodweerexces, dan wel putatief noodweer, dan wel uit putatief noodweerexces. Hij stelt daartoe dat de verdachte de aangever, die een bus pepperspray had getrokken, en de groep waarin de aangever zich bevond van zich wilde afhouden, daar hij grote angsten voor deze groep beleefde.

Het hof verwerpt het verweer op beide onderdelen en overweegt daartoe als volgt.

Voor een geslaagd beroep op noodweer dient allereerst te worden vastgesteld dat sprake is geweest van een noodweersituatie: een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed, waartegen verdediging noodzakelijk was.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de aangever, [slachtoffer 1], na te zijn geslagen door een medeverdachte, op de grond lag en met het busje pepperspray in zijn hand zwaaide in de richting van de groep waarin de verdachte zich bevond. In eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij bang was dat de aangever alsnog zou opstaan en de pepperspray zou gebruiken. Daarop heeft de verdachte de aangever tegen zijn been geschopt.

Over de vraag of [slachtoffer 1] al dan niet een busje pepperspray in zijn hand had, is verschillend verklaard. Zelfs indien wordt uitgegaan van de lezing van de verdachte dat [slachtoffer 1] op de grond lag en met een busje pepperspray zwaaide, is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke aanranding van de verdachte door [slachtoffer 1] of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de aangever de pepperspray mogelijk zou hebben willen gebruiken levert naar het oordeel van het hof geen noodweersituatie op.

Het beroep op noodweer faalt derhalve.

Er heeft zich naar het oordeel van het hof geen omstandigheid voorgedaan die de verdachte redelijkerwijs als een noodweersituatie heeft kunnen uitleggen. Immers, uit de lezing van de verdachte noch overigens is aannemelijk geworden dat de dreiging van het daadwerkelijk gebruik van de pepperspray door aangever [slachtoffer 1] concreet was op het moment van de ten laste gelegde handelingen.

Een beroep op putatief noodweer slaagt evenmin, nu daar onvoldoende gronden voor worden aangereikt.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het niet bestaan van een (putatieve) noodweersituatie is het hof van oordeel dat geen sprake kan zijn van een gerechtvaardigd beroep op (putatief) noodweerexces. Immers, er was geen – daaraan al dan niet voorafgaande – noodweersituatie.

Het beroep op (putatief) noodweerexces wordt derhalve verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 uren (het hof begrijpt: 50 dagen) hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging op Koninginnedag in Amsterdam. Hij heeft daarbij het slachtoffer, nadat hij naar de grond was geslagen, geslagen en geschopt.

Ten gevolge van dit geweld is het slachtoffer buiten bewustzijn geraakt en heeft hij pijn ondervonden en lichamelijk letsel bekomen. Door zo te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden en hem veel leed toegebracht.

Het is een feit van algemene bekendheid dat delicten als het onderhavige, waarbij dergelijk grof en zinloos geweld wordt uitgeoefend op een slachtoffer, leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving en bij de slachtoffers daarvan in het bijzonder.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 februari 2016 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende en conform de eis van de advocaat-generaal, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.050,-, bestaande uit € 1.000,- aan immateriële schade en € 50,- aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 1.000,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.000,-. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige, de materiële schade, is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,- (duizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,- (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.W. Groenendijk, mr. J.A.M. de Wit en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van

mr. J.R. Ineke, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

3 maart 2016.

mr. M.W. Groenendijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]

.