Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:146

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-01-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
15/00036
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:11715, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting: kentekenparkeren is niet in strijd met het EVRM dan wel met de Wet bescherming persoonsgegevens.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 234, geldigheid: 2013-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0350
JBP 2016/5
V-N Vandaag 2016/275
Belastingblad 2016/107
V-N 2016/17.29
Module Privacy en persoonsgegevens 2017/1156

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 15/00036


7 januari 2016

uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

tegen

de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 13/2065 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank), van 15 december 2014 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 1 augustus 2013 ten name van belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd tot een bedrag van
€ 58,90 (inclusief kosten).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 14 oktober 2013, de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld.

1.4.

Bij uitspraak van 15 december 2014 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Het tegen deze rechtbankuitspraak ingestelde hoger beroep is ter griffie ontvangen op 27 januari 2015. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Bij brief van 15 juli 2015 heeft de heffingsambtenaar nadere stukken ingezonden. Deze zijn in afschrift naar belanghebbende gestuurd.

1.7.

Belanghebbende heeft bij brief van 23 juli 2015 een verzoek gedaan tot uitstel van het onderzoek ter zitting op 29 juli 2015. Dit verzoek is toegewezen.

1.8.

Het Hof heeft de heffingsambtenaar bij brief van 4 augustus 2015 verzocht informatie te verstrekken. De heffingsambtenaar heeft daarop bij brieven van 25 augustus 2015 en 2 september 2015 gereageerd. Van alle hiervoor genoemde stukken is een afschrift aan belanghebbende gestuurd.

1.9.

Bij brief van belanghebbende van 7 september 2015 is op 8 september 2015 een nader stuk ontvangen. Een afschrift daarvan is naar de wederpartij verzonden. Tevens heeft belanghebbende gemeld dat hij verhinderd is ter zitting te verschijnen.

1.10.1.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2015. Belanghebbende is niet ter zitting verschenen.

1.10.2.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift van de door de heffingsambtenaar ter zitting overgelegde stukken, alsmede van het proces-verbaal, is bij brief van 17 september 2015 naar belanghebbende gezonden. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld schriftelijk op deze stukken te reageren. Het proces-verbaal van de zitting is tevens naar de heffingsambtenaar gezonden.

1.11.

Het onderzoek is hervat ter zitting van 18 november 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

Op 1 augustus 2013 stond om 15.12 uur een auto van belanghebbende, met kenteken [AA-BB-00] (hierna: het kentekengegeven), geparkeerd op de Parnassusweg te Amsterdam, ter hoogte van perceelnummer 201. Voor dat parkeren was geen parkeerbelasting voldaan.
2.2. Ter zake daarvan is namens de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd en – na raadpleging van het register voor kentekenhouders – aan de kentekenhouder, te weten belanghebbende, uitgereikt.

2.3.

In het door het college van Burgemeester en wethouders van 11 juni 2013 genomen Uitvoerings- en Aanwijzingsbesluit op grond van de Verordening Parkeerbelastingen 2013-II en Parkeerverordening 2013, op 26 juni 2013 gepubliceerd in het Gemeenteblad 2013, afdeling 3B, nr. 101 (hierna: het Besluit), is onder meer het volgende opgenomen:

“II Bij voldoening van parkeerbelasting moet het kenteken worden opgegeven van het in het betreffende gebied te parkeren voertuig. Daarnaast dienen de overige voorschriften die op de/het door de gemeente uitgegeven parkeerkaart/betaalbewijs, dan wel op de parkeerapparatuur zijn gesteld in acht te worden genomen;

(…)

XVI Dit besluit treedt in werking op 12 juni 2013;”

3
3. Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de bij de voldoening van parkeerbelasting geldende verplichting het kenteken op te geven in strijd is met het recht op privacy.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak, waarin belanghebbende als eiser en de heffingsambtenaar als verweerder is aangeduid, het volgende overwogen:

“4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat voor het parkeren van de auto op die plaats (in de directe omgeving van de rechtbank Amsterdam) en op dat tijdstip parkeerbelasting verschuldigd was en dat eiser die belasting niet heeft voldaan.

5. Op grond van artikel 234, tweede lid, van de Gemeentewet, dient de parkeerbelasting bij aanvang van het parkeren te worden voldaan door het in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften. B&W van Amsterdam hebben in artikel II van het Uitvoerings- en Aanwijzingsbesluit op grond van de Verordening Parkeerbelastingen 2013-II en Parkeerverordening 2013 het volgende bepaald:

“Bij voldoening van de parkeerbelasting moet het kenteken worden opgegeven van het in het betreffende gebied te parkeren voertuig.”


6. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder de privacy van de parkerende burger schendt, door van hem bij het doen van aangifte van de parkeerbelasting te vragen naar het kenteken van de auto waarmee wordt geparkeerd.

Verweerder weerspreekt dit en heeft daartoe aangevoerd dat de gemeenteraad van Amsterdam op democratische wijze het “kentekenparkeren” heeft ingevoerd na een uitgebreide inspraakprocedure, waarbij een ieder zijn zegje kon doen.
Het kentekenparkeren behelst kort gezegd een heffingstechniek waarbij de parkeerder wanneer hij parkeerbelasting voldoet, het kenteken van de auto intoetst op de parkeerautomaat. De controle op het betalen van parkeerbelasting wordt uitgevoerd met behulp van een “scanauto”, die de kentekens van de auto’s die geparkeerd staan registreert en vergelijkt met de in de parkeerapparatuur opgeslagen gegevens van geparkeerde auto’s. De registratie van de kentekens van auto’s waarvoor geen parkeerbelasting is betaald en waarvoor ook geen vergunning is gegeven, resulteert in naheffingsaanslagen. De gemeente Amsterdam is om verschillende redenen tot deze heffingstechniek overgegaan. Enerzijds vanwege efficiencyredenen, waarbij de voorheen arbeidsintensieve handmatige parkeercontrole is overgenomen door een zogenoemde scanauto, hetgeen tot een aanzienlijke financiële besparing leidt op de heffingskosten en waarmee een stijging van de parkeertarieven in 2013 is voorkomen. Anderzijds is voor kentekenparkeren gekozen om redenen van fraudebestrijding. Die fraude bestond er uit dat parkeerders geen parkeerbelasting betaalden, maar een door een andere parkeerder gekocht parkeerkaartje achter de voorruit plaatsten, aldus verweerder.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat kentekengegevens zijn te herleiden tot een persoon, te weten de kentekenhouder. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de door verweerder gekozen heffingstechniek, het kentekenparkeren, waarbij de parkeerder bij het doen van aangifte het kenteken van de auto waarmee hij parkeert moet invoeren, tot een ongeoorloofde inbreuk leidt op de privacy van eiser.

8. Ingevolge artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven. Inmenging van overheidswege in de uitoefening van dit recht is toegestaan voor zover bij de wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van, onder andere, het economische welzijn van een land. Nu economisch welzijn gediend is met het heffen van belasting en de heffing van parkeerbelasting zijn grondslag vindt in een wet in formele zin, is enige inbreuk op het privéleven van een kentekenhouder gerechtvaardigd.

9. Verweerder heeft met zijn exposé naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de invoering van het kentekenparkeren leidt tot efficiencyvoordelen, dat wil zeggen belastingheffing tegen lagere kosten, en het bestrijden van fraude omdat de ‘handel in parkeerkaartjes’ illusoir wordt. Een en ander rechtvaardigt enige inbreuk op de privacy van de parkeerder die met kentekenparkeren gepaard gaat.
Daarbij acht de rechtbank van belang dat de kentekengegevens zoals die bij het doen van aangifte door de parkeerder worden verstrekt en worden waargenomen door de scanauto van verweerder, niet prima vista herleidbaar zijn tot een bepaald persoon. Verweerder gaat uitsluitend over tot het herleiden van de kentekengegevens naar een persoon wanneer er geen parkeerbelasting is voldaan. In het normale geval wanneer een parkeerder ter zake van het parkeren parkeerbelasting voldoet, komt het niet tot een koppeling van een kenteken en de kentekenhouder. In zoverre is er geen onderscheid met de wijze van heffen, zoals die voorheen door verweerder werd toegepast. Van een ongeoorloofde inbreuk in de zin van artikel 8 EVRM is onder deze omstandigheden geen sprake.

10. Met betrekking tot de vraag of de gegevensverwerking van de gemeente Amsterdam strijd oplevert met de Wet bescherming persoonsgegevens, overweegt de rechtbank nog het volgende. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder c en e van deze wet is verweerder in zijn bevoegdheid als belastingheffer bevoegd persoonsgegevens, waaronder kentekens, te verwerken in het kader van de belastingheffing. Gesteld noch gebleken is dat verweerder persoonsgegevens zou verwerken of bewaren in strijd met deze wet. Verweerder heeft daarbij onweersproken gesteld dat de kentekengegevens, behoudens bezwaar- en beroepsprocedures, 13 weken na verwerking worden vernietigd.”

4.2.1.

In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat de gemeente Amsterdam een bestand van persoonsgegevens aanlegt om het parkeerbeleid uit te voeren, waarop de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van toepassing is. Volgens belanghebbende is de gemeente in dit verband een ‘verantwoordelijke’ als bedoeld in art. 1, aanhef en onderdeel d, Wbp. Belanghebbende wijst op art. 8, aanhef en onderdelen a en e, Wbp: aanhef en onderdeel a houden in dat persoonsgegevens slechts mogen worden verwerkt indien de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend; aanhef en onderdeel e houden in dat persoonsgegevens slechts mogen worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt.

4.2.2.

Ervan uitgaande dat het kentekengegeven een persoonsgegeven is als bedoeld in artikel 8 Wbp, althans een gegeven dat tot een dergelijk persoonsgegeven herleidbaar is, stelt belanghebbende dat hij geen toestemming heeft gegeven voor het verwerken van dat gegeven.

4.2.3.

Waar het betreft de vraag of de gegevensverstrekking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak stelt belanghebbende dat de heffingsambtenaar heeft nagelaten voldoende inzicht te verstrekken in de redenen om het voorheen geldende systeem van betaald parkeren te vervangen door een systeem van kentekenparkeren.

4.2.4.

Voorts wijst belanghebbende op artikel 11 Wbp. Hierin is bepaald dat persoonsgege-vens slechts worden verwerkt voor zover zij, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn. Volgens belanghebbende verplicht deze bepaling de gemeente duidelijk te maken waarom voor het parkeren (thans) verstrekking van een kentekengegeven nodig is.

4.2.5.

Belanghebbende beroept zich voorts op artikel 8 EVRM en stelt aan de orde of in het onderhavige geval de uitzondering van artikel 8, tweede lid, EVRM op het in het eerste lid van die bepaling neergelegde recht op privacy van toepassing is. Waar in artikel 8, tweede lid, EVRM als uitzonderingsgrond (onder meer) wordt verwezen naar ‘het economisch welzijn van het land’ is volgens belanghebbende met ‘land’ gedoeld op ‘de gemeenschap binnen het grondgebied van een land (“la nation” tegenover “l’état” (…)’. Daarbij kunnen volgens belanghebbende ook delen van de “nation”, zoals de gemeente Amsterdam, in beschouwing worden genomen. Voor de vraag of aan deze uitzondering is voldaan acht belanghebbende een onderzoek naar de opbrengsten en de kosten van het kentekenparkeren van belang. Nu daarover door de heffingsambtenaar geen informatie is verstrekt, is volgens belanghebbende niet voldaan aan de uitzondering van artikel 8, tweede lid, EVRM. Door het ontbreken van een financiële onderbouwing van het systeem van kentekenparkeren is niet goed te beoordelen of een te zware inbreuk op het privé-leven van de burger wordt gemaakt.

4.2.6.

Belanghebbende acht evenmin duidelijk of er andere systemen van parkeerheffing te bedenken zijn die een minder verregaande inbreuk op het privé-leven maken. Bovendien stelt belanghebbende weinig vertrouwen te hebben in een mededeling van de overheid over het niet langer opslaan van aanvankelijk opgeslagen gegevens. Aanvaardbaar zou volgens belanghebbende zijn een systeem waarbij het kentekengegeven onachterhaalbaar wordt weggegooid, zodra de scanning is gebeurd en de constatering is gedaan dat is betaald.

4.3.1.

De heffingsambtenaar heeft verwezen naar hetgeen hij in eerste aanleg heeft aange-voerd en naar een bij brief van 15 juli 2015, ter toelichting op zijn standpunt, overgelegde brief aan hem van F. Briaire, Hoofd Straatparkeren, van 21 mei 2015. In de brief van Briaire is onder meer het volgende vermeld:

“Kentekenparkeren in Amsterdam in het kort
Wie de auto parkeert in een gebied met betaald parkeren, moet bij het voldoen van de parkeerbelasting het correcte voertuigteken invoeren. Dit kenteken dient als referentie, wanneer de scanauto op straat kentekens van geparkeerde auto’s scant. Per kenteken wordt in de database met parkeerbetalingen gecheckt of voor het betreffende kenteken een parkeerrecht bestaat. Zo’n parkeerrecht ontstaat door de parkeerbelasting te voldoen via een betaling aan de parkeerautomaat (…). Daarmee is het voertuigkenteken het unieke kenmerk van elk parkeerrecht: zonder het kenteken kan een betaling niet worden teruggevonden en moet worden aangenomen dat (…) niet is betaald. (…) Voor de verzending van de naheffingsaanslag, wordt het betreffende voertuigkenteken gekoppeld aan naam en adres van de kentekenhouder, waarvoor de Rijksdienst voor het Wegverkeer de gegevens levert aan Belastingen Gemeente Amsterdam. Pas op dat moment worden Naam-Adres-Woonplaats gegevens aan een kenteken gekoppeld.
(…)
De kentekens worden in een landelijke database(Nationaal Parkeerregister, ook wel afgekort met NPR) opgeslagen zodat Cition [Hof: het bedrijf dat betaald parkeren controleert] de controle op betaald parkeren digitaal kan uitvoeren. Controleurs en scanauto’s van Cition maken gebruik van deze database. De controleur krijgt van het systeem het signaal terug of voor het opgevraagde kenteken (voldoende) betaald is. Persoonsgegevens worden niet opgeslagen.
De scan van een kenteken waarvoor voldoende was betaald, wordt de eerstvolgende nacht weer verwijderd uit het centrale parkeerregister. Deze scan komt niet in een archief terecht en wordt ook niet gekoppeld aan een naam of adres.
(…)
Bewaartermijnen en privacy
Een scan van een kenteken waarvoor niet of onvoldoende was betaald, blijft 90 dagen (13 weken) bewaard. Deze wettelijke bewaartermijn is nodig voor het afhandelen van een eventueel bezwaar en daarop volgend beroep. (…) Elke gemeente kan alleen de eigen parkeerrechten en controles inzien. Medewerkers kunnen alleen die gegevens inzien die ze voor het uitoefenen van hun functie nodig hebben (…). Zij kunnen geen lijst uitdraaien waarop staat wie er (…) in de gemeente een kaartje in de automaat hebben gekocht. Is het kenteken onbekend bij de medewerker, dan kan het niet teruggezocht worden in NPR.
De kentekens uit de parkeerrechten worden als volgt bewaard:

a. 90 dagen (…) nadat het parkeerrecht is beëindigd, wordt het kenteken verwijderd.
(…)
b. Het parkeerrecht wordt na afloop van de eerste 3 maanden nog 10 maanden zonder kenteken bewaard in het centrale parkeerregister
c. Het parkeerrecht wordt na afloop van die 13 maanden nog 7 jaar in een archiefdatabase bewaard

Het kenteken wordt niet meteen uit het parkeerrecht verwijderd omdat soms iemand een naheffingsaanslag parkeerbelastingen krijgt, terwijl hij wel heeft betaald en dan in bezwaar gaat. In dat geval is het noodzakelijk dat een medewerker Bezwaar en Beroep de betaling nog kan vinden in het centrale parkeerregister.
(…).”

4.3.2.

De heffingsmedewerker heeft voorts ter toelichting op zijn standpunt verwezen naar een bij brief van 15 juli 2015 overgelegd geschrift van M. Boerhorst, waarin onder meer het volgende is vermeld, hetgeen – naar het Hof begrijpt – door de heffingsambtenaar wordt onderschreven:


“5. Het Amsterdamse straatparkeren getoetst aan het EVRM en de Wbp
(…)
De uitvoeringskosten van het kentekenparkeren zijn laag door de effectiviteit ervan, dit resulteert in een besparing op de heffingskosten en een hogere opbrengst (..). Aangezien de opbrengsten naar algemene middelen vloeien wordt het economisch welzijn van de Gemeente Amsterdam vergroot.
(…)
Een minder op privacy inbreukmakend alternatief met dezelfde voordelen van effectiviteit en efficiëncy is niet voorhanden. (..) aan vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan.
(…)
Een kenteken kan worden aangemerkt als een persoonsgegeven zoals bedoeld in de Wbp. (…) [De Wbp] verbiedt de verwerking van persoonsgegevens tenzij wordt voldaan aan de in de wet omschreven rechtmatigheidsvereisten. Het College bescherming persoonsgegevens (hierna Cbp) controleert of de Gemeente Amsterdam aan die rechtmatigheidsvereisten heeft voldaan. (…) Op grond van artikel 27 Wbp heeft de Gemeente Amsterdam voordat is aangevangen met het verwerken van kentekengegevens melding daarvan gedaan bij het Cbp. (…) Navraag bij het Cbp leert dat dit college (…) geen reden ziet om een onderzoek te doen en een zienswijze te formuleren over eventueel onrechtmatig gebruik van persoonsgegevens bij het kentekenparkeren (…).”

Van de hiervoor bedoelde ‘navraag’ bij het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) heeft de heffingsambtenaar een verslag overgelegd.

4.3.3.

Ter zitting van 9 september 2015 is namens/door de heffingsambtenaar onder meer het volgende verklaard:

“Belanghebbende leeft in de veronderstelling dat de gemeente allerlei bestanden bijhoudt waarmee ‘dingen’ worden gedaan. Er zit niets geheimzinnigs achter. Wij hebben geen tot de persoon herleidbare gegevens; alleen als er niet is betaald, wordt bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) nadere informatie opgevraagd. Dat is op zichzelf niet nieuw. Dat nieuwe technologie andere mogelijkheden doet ontstaan is een gegeven. Dat is niet beperkt tot het betalen van parkeerbelasting. (…)

De gemeente maakte al langere tijd gebruik van de diensten van de RDW. Terugzoekend kwamen wij uit op een koppeling van het heffen van parkeerbelasting met gegevens van de RDW sedert het jaar 1995.

Vanaf de invoering van het kentekenparkeren in Amsterdam, in juli 2013, kan niet meer op andere wijze worden betaald. Sinds de invoering werken wij met de speciaal voor het kentekenparkeren door verschillende gemeentes opgerichte coöperatieve vereniging ‘Service Centrum parkeer en verblijfsrechten’ (hierna: het Servicecentrum). De gemeente Amsterdam is één van de leden van deze vereniging. Het Servicecentrum registreert parkeerrechten, d.w.z. de op kenteken gedane betalingen om te parkeren op een bepaalde plaats en gedurende een bepaalde periode.
De kentekens zelf, bestaande uit 6 karakters, worden, voordat zij door Cition – het bedrijf dat voor de gemeente controleert welke voertuigen zijn geparkeerd en of ter zake van die voertuigen parkeerbelasting is voldaan – naar het Servicecentrum worden verzonden, omgezet in 40 karakters, een versleutelde code. Het Servicecentrum beschikt dus niet over de kentekengegevens als zodanig.

De desbetreffende gegevens worden opgeslagen in het Nationaal Parkeer Register (NPR).
Het Servicecentrum is daarvan formeel de beheerder. De feitelijke werkzaamheden, waaronder de opslag en verwerking van de gegevens, worden op basis van een overeenkomst van dienstverlening verricht door de RDW.

Het Servicecentrum doet niet meer dan het verzamelen van de parkeerrechten en het op verzoek van Cition op basis van door Cition gescande en versleutelde kentekengegevens van geparkeerde voertuigen constateren of ter zake van dat parkeren parkeerrecht is geregistreerd. Als er een mismatch is, dus als er geen parkeerrecht is geregistreerd, wordt Cition daarover op basis van de versleutelde gegevens geïnformeerd. In de overige gevallen worden zowel de gegevens over de parkeerrechten als de scangegevens na 48 uur gewist.
Een kenteken is in mijn opvatting niet een persoonsgegeven als bedoeld in (artikel 1 van) de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

Als Cition van het Servicecentrum informatie retour ontvangt over geparkeerde auto’s waarvoor geen parkeerrecht is geregistreerd en dus geen parkeerbelasting is betaald, wordt de versleuteling van de kentekengegevens weer ongedaan gemaakt en wordt de Dienst Gemeentebelastingen op de hoogte gesteld van de kentekens waarvoor geen parkeerrecht is geregistreerd (geen parkeerbelasting is betaald). De Dienst Gemeentebelastingen vraagt vervolgens bij de RDW op basis van het kentekenregister de persoonsgegevens op die bij dat kenteken horen.

Het Servicecentrum heeft een bewaartermijn van 48 uur in aanmerking genomen; dit om mismatches als gevolg van eventuele storingen te ondervangen, alsmede voor de check met eventuele latere betalingen, hetgeen vaak geschiedt als de parkeerder gebruik heeft gemaakt van betalen via de telefoon. Deze manier van betalen vormt ongeveer de helft van de betalingen.

Op uw vraag of het Servicecentrum (…) een intern reglement heeft waarin bepalingen zijn opgenomen over het beheer van de parkeerrechtgegevens moet ik het antwoord schuldig blijven. Het zal er ongetwijfeld zijn, maar ik beschik er niet over. De versleuteling van het kenteken kan alleen door Cition ongedaan worden gemaakt, dus niet door de RDW of het Servicecentrum”.

4.4.1.

Bij de beoordeling van het geschil zal het Hof voor wat betreft het feitelijke verloop van het kentekenparkeren uitgaan van de beschrijvingen daarvan in de brief van Briaire, alsmede van hetgeen daarover ter zitting van 9 september 2015 namens/door de heffingsambtenaar is verklaard, zoals hiervoor is weergegeven. Belanghebbende heeft deze feiten niet betwist, behoudens dat twijfel is geuit omtrent het na enige tijd niet langer bewaren of opslaan van kentekengegevens. Op dit punt acht het Hof de beschrijving van de gang van zaken rond het kentekenparkeren aannemelijk, zodat het Hof ook daarvan zal uitgaan.

4.4.2.

Vaststaat derhalve dat op een bepaalde plaats en voor een bepaalde periode onder vermelding van een kenteken gedane betalingen als ‘parkeerrechten’ worden geregistreerd door het Service Centrum parkeer en verblijfsrechten, een coöperatieve vereniging waarvan ook de Gemeente Amsterdam lid is (hierna: het Servicecentrum). In dit kader worden de bij betaling van parkeerbelasting opgegeven kentekengegevens door Cition in een uit 40 karakters bestaande versleutelde vorm naar het Servicecentrum verzonden. Het Servicecen-trum beschikt niet over kentekengegevens in onversleutelde vorm.

4.4.3.

De kentekengegevens en – naar het Hof begrijpt – de betaalgegevens dan wel (op basis daarvan) geregistreerde parkeerrechten worden opgeslagen in het Nationaal Parkeer Register (NPR). Deze gegevensverwerking wordt op basis van een overeenkomst van dienstverlening tussen het Servicecentrum en de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) door de RDW verricht.

4.4.4.

Cition registreert (scant) kentekens van geparkeerde voertuigen en verstrekt deze gegevens in versleutelde vorm aan het Servicecentrum. Aan de hand van deze gegevens constateert het Servicecentrum (op verzoek van Cition) of ter zake van het parkeren van een voertuig een parkeerrecht is geregistreerd. Indien blijkt dat ter zake van een geparkeerd voertuig geen parkeerrecht is geregistreerd, wordt Cition in versleutelde vorm geïnformeerd over het kenteken dat het betreft.

4.4.5.

Van het desbetreffende kenteken wordt de versleuteling vervolgens ongedaan gemaakt. Met dat gegeven wordt de heffingsambtenaar geïnformeerd over het ontbreken van een parkeerrecht. De heffingsambtenaar vraagt vervolgens bij de RDW – zoals dat ook het geval was vóór de invoering van het kentekenparkeren – op basis van het kentekenregister van de RDW de bij het desbetreffende kenteken behorende persoonsgegevens op, teneinde te kunnen vaststellen wie de kentekenhouder is

4.5.1.

Voor de beoordeling van het geschil kan het relevant zijn of het systeem van kentekenparkeren een schending inhoudt van de Wbp. Deze wet geeft immers uitvoering aan het recht op privacy zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM, zodat een niet-naleving van de Wbp tevens een schending van artikel 8 EVRM kan inhouden.

4.5.2.

De Wbp knoopt aan bij het begrip persoonsgegeven en belanghebbende is ervan uitgegaan dat het kentekengegeven zoals dat bij voldoening van parkeerbelasting moet worden opgegeven een persoonsgegeven is, als vermeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wbp. In deze bepaling is een persoonsgegeven gedefinieerd als:


“elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;”


Naar het oordeel van het Hof vormen de kentekengegevens voor het Servicecentrum geen persoonsgegevens, omdat, naar het Hof aannemelijk acht, deze als gevolg van de versleu-teling voor dat Servicecentrum niet in relatie tot een natuurlijk persoon identificeerbaar zijn.
In zoverre mist artikel 8 Wbp toepassing.

4.5.3.

Uitgaande van de definitie van artikel 1, onderdeel a, Wbp vormt een kentekengegeven voor de heffingsambtenaar in beginsel wel een persoonsgegeven, omdat hij via Cition de beschikking krijgt over onversleutelde kentekengegevens van voertuigen die binnen de Gemeente Amsterdam geparkeerd zijn en die door hem, na gegevensverstrekking door de RDW, aan een natuurlijk persoon kunnen worden gerelateerd. Het betreft hier echter uitsluitend kentekengegevens waarvoor geen parkeerrecht is geregistreerd. In dit opzicht komt de praktijk van het kentekenparkeren overeen met de wijze van heffing van parkeerbelasting die vóór de invoering van het kentekenparkeren (juli 2013) van toepassing was.

4.5.4.

Voor zover de grieven van belanghebbende mede zijn gericht op de verwerking van kentekengegevens die onversleuteld aan de heffingsambtenaar worden verstrekt (nadat op basis van versleutelde kentekengegevens is vastgesteld dat ze zijn gerelateerd aan een voertuig dat is geparkeerd en waarvoor geen parkeerrecht is geregistreerd), oordeelt het Hof dat hier weliswaar sprake is van verwerking van persoonsgegevens door de heffingsambtenaar als bedoeld in artikel 1, onderdeel a en b, Wbp, maar dat deze verwerking, gelet op het doel van die verwerking, het specifieke karakter van die gegevens en de onder 4.4.1 tot en met 4.4.5 vermelde waarborgen, op de voet van artikel 8, onderdeel e, Wbp als noodzakelijk voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door de heffingsambtenaar kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat belanghebbende, naar hij stelt, geen toestemming heeft gegeven voor het verwerken van het (naar het Hof begrijpt) door hem verstrekte kentekengegeven, doet aan het vorenoverwogene niet af, reeds omdat, indien wordt voldaan aan artikel 8, onderdeel e, Wbp, het ondubbelzinnig verlenen van toestemming voor de verwerking van een persoonsgegeven (artikel 8, onderdeel a, Wbp) niet een additioneel vereiste is.

4.6.1.

De reikwijdte van artikel 8 EVRM is ruimer dan die van de Wbp. In beginsel is het dan ook mogelijk dat de verplichting om in het kader van het kentekenparkeren opgave te doen van het kenteken van het voertuig dat wordt geparkeerd in strijd komt met artikel 8 EVRM, ook indien er overigens geen sprake is van een niet-naleving van de Wbp.

4.6.2.

Voor zover al de verplichting tot het opgeven van het kenteken bij het voldoen van parkeerbelasting – ondanks de onder 4.4.1 tot en met 4.4.5 vermelde waarborgen – als een inmenging van openbaar gezag in de uitoefening van het recht op respect voor iemands privéleven kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 8, eerste lid, EVRM, en veronderstellenderwijs daarvan uitgaande, geldt op de voet van artikel 8, tweede lid, EVRM, dat een dergelijke inmenging (onder meer) is toegestaan voor zover deze bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van het economisch welzijn van het land.

4.6.3.

Van een ‘bij wet is voorzien’ is sprake nu de bevoegdheid tot het verlangen van een opgave van het kenteken van het te parkeren voertuig in het Besluit is opgenomen en deze bevoegdheid, in verbinding met artikel 231, eerste lid, Gemeentewet, wettelijke grondslag vindt in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

4.6.4.

Met betrekking tot de in artikel 8, tweede lid, EVRM bedoelde noodzakelijkheid geldt (mede) als uitgangspunt dat voor de aanwezigheid daarvan aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid wordt gelaten. Dat geldt naar het oordeel van het Hof ook voor de gemeenteraad als lokale wetgever. Daarbij gaat het Hof tevens ervan uit dat tot het in artikel 8, tweede lid, EVRM bedoeld ‘economisch welzijn van het land’ ook elementaire taken van de gemeentelijke overheid kunnen behoren. Tot dergelijke taken rekent het Hof in ieder geval de heffing van gemeentelijk belastingen, zoals parkeerbelasting.

4.6.5.

Voor zover artikel 8, tweede lid, EVRM inhoudt dat niet elke bij wet voorziene inmenging in het belang van het economisch welzijn van het land daartoe als noodzakelijk kan worden beschouwd, dient, met inachtneming van de marges die daarbij aan de wet- of regelgever gegeven zijn, een afweging te worden gemaakt tussen het met die inmenging gediende doel en de aard en de omvang van het daartoe gebezigde middel. Belanghebbende heeft, naar het Hof begrijpt in dit verband, van de heffingsambtenaar verlangd dat deze een financiële onderbouwing verstrekt van het kentekenparkeren. Naar het oordeel van het Hof is de heffingsambtenaar daartoe niet gehouden en is voldoende te achten dat meer in abstracto – zoals ook door de heffingsambtenaar is gesteld en het Hof aannemelijk acht – met de invoering van het systeem van kentekenparkeren de effectiviteit en de efficiency van de heffing van parkeerbelasting zijn gediend. Het Hof verwijst op dit punt tevens naar hetgeen onder 9 in de uitspraak van de rechtbank is overwogen. Voorts acht het Hof het ook in dit verband van belang dat het kentekenparkeren met de onder 4.4.1 tot en met 4.4.5 vermelde waarborgen is omkleed. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de noodzakelijkheid van de hier bedoelde (veronderstelde) inmenging.

4.7.

Voor zover belanghebbende voorts heeft bedoeld te stellen dat de verplichting om opgave te doen van het kenteken overigens in strijd komt met enig beginsel van behoorlijk bestuur, waarvan in het bijzonder het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel, oordeelt het Hof dat die stelling geen doel treft, reeds omdat daarvoor, mede gelet op het doel van het kentekenparkeren, de daarmee beoogde efficiency en effectiviteit, en de onder 4.4.1 tot en met 4.4.5 vermelde waarborgen, feitelijke grondslag ontbreekt.

4.8.

Het hiervoor overwogene brengt het Hof tot de conclusie dat het door de heffingsambte-naar toegepaste systeem van kentekenparkeren niet in strijd komt met het EVRM dan wel de Wbp.

4.9.1.

Belanghebbende heeft geklaagd over de processuele opstelling van de heffingsambte-naar in eerste aanleg, doordat deze, naar belanghebbende – samengevat – stelt, de essentie van zijn verweer eerst ter zitting van de rechtbank heeft gevoerd en belanghebbende als gevolg daarvan onvoldoende mogelijkheid heeft gehad daarop adequaat te reageren. Belanghebbende stelt dat de rechtbank aan deze gang van zaken ten onrechte geen gevolg heeft verbonden.

4.9.2.

Over deze klacht is in de uitspraak van de rechtbank het volgende overwogen:

“13. Eisers stelling dat verweerder ter zitting zijn standpunten niet mag toelichten, verwerpt de rechtbank. Uit de algemene beginselen van procesrecht vloeit voort dat partijen in de gelegenheid moeten zijn op elkaars stellingen te reageren. Dit brengt ook mee dat verweerder in staat moet worden gesteld inhoudelijk te reageren op het schriftelijk stuk dat eiser voorafgaande aan de zitting heeft toegestuurd, ongeacht de feitelijke afwezigheid van eiser.”

4.9.3.

In een van belanghebbende door de rechtbank op 24 oktober 2014 ontvangen nader stuk heeft belanghebbende zijn standpunt toegelicht en aangekondigd niet ter zitting aanwezig te zullen zijn. Dat belanghebbende heeft verzocht de behandeling ter zitting te verdagen blijkt niet uit de stukken. In het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank is vermeld dat belanghebbende verhinderd was de zitting van de rechtbank van 3 november 2014 bij te wonen.

4.9.4.

Naar het oordeel van het Hof staat de afwezigheid van één der partijen ter zitting in beginsel niet eraan in de weg dat de wederpartij zijn standpunt (nader) toelicht. Dit kan uiteraard anders zijn indien die afwezigheid het gevolg is van een uitnodiging voor de zitting die niet is ontvangen of wanneer een verzoek om verdaging van de zitting is gedaan. Indien deze omstandigheden niet aan de orde zijn, één der partijen ter zitting afwezig is, en de wederpartij geen nieuwe geschilpunten opwerpt of nieuwe feiten aan zijn stellingen ten grondslag legt, dan behoeft aan de afwezigheid van één der partijen verder geen gevolg te worden verbonden. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank blijkt niet van nieuwe geschilpunten of van nieuwe feiten (bijvoorbeeld in de vorm van ter zitting overgelegde stukken, zoals het geval was bij tijdens de zitting van het Hof van 9 september 2015).
4.9.5. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld dat ook indien hij wel ter zitting aanwezig zou zijn geweest, de heffingsambtenaar eerst ter zitting met argumenten is gekomen die hij eerder naar voren had behoren te brengen, verwerpt het Hof deze klacht, omdat daarvoor op grond van hetgeen in het verweerschrift in eerste aanleg en in het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank is vermeld geen dan wel onvoldoende grond aanwezig is.

Slotsom
4.10. De slotsom is dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5
5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).

6
6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.


De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier.

De beslissing is op 7 januari 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.