Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1455

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
23-003144-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak afpersing. De vaststaande feiten acht het hof – in onderling verband en in samenhang bezien – niet dermate bedreigend dat bij het slachtoffer een redelijke vrees kon ontstaan dat geweld tegen hem zou worden gebruikt als hij zijn schuld niet aan de verdachte zou terugbetalen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-003144-10

Datum uitspraak: 31 maart 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13/470009-08 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Israël) op [geboortedag] 1953,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2012 en 31 maart 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 november 2004, althans in of omstreeks de periode van 15 oktober 2004 tot en met 8 december 2004 te Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van (ongeveer) euro 4.500, in elk geval van enig geld en/of goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) in vorenomschreven periode:

- naar de woning van die [slachtoffer] is/zijn gegaan en/of

- op dreigende wijze dicht bij die [slachtoffer] is/zijn gaan staan en/of

- tegen die [slachtoffer] op dreigende wijze heeft/hebben gezegd dat hij nog een week de tijd heeft om het geld te betalen en/of

- tegen die [slachtoffer] op dreigende wijze hebben gezegd dat als hij niet zou betalen hij/zij bij hem terug zou(den) komen en zijn huis zou(den) leeg halen en/of

- in reactie op de opmerking van die [slachtoffer] dat verdachte en/of zijn mededader zijn, [slachtoffer], botten maar moest(en) breken, heeft/hebben gezegd: "We zien wel, je krijgt eerst een week de tijd" en/of heel dicht bij die [slachtoffer] is/zijn gaan staan en/of

- heeft/hebben gezegd dat hij/zij over een week, dezelfde dag en dezelfde tijd terug zou(den) komen,

althans dat verdachte en/of zijn mededader(s) enig geweld heeft/hebben toegepast en/of met enig geweld heeft/hebben gedreigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt nu het tot een vrijspraak komt.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak

Het hof volgt de advocaat-generaal in zijn vordering tot vrijspraak en overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.

Vast staat dat de verdachte op 29 november 2004 omstreeks 15.30 uur samen met medeverdachte [medeverdachte] naar de woning van [slachtoffer] is gegaan. De verdachte heeft daar tegen [slachtoffer] gezegd dat deze zijn openstaande schuld van € 4.500,- binnen een week aan de verdachte diende terug te betalen en dat hij, als [slachtoffer] dat niet zou doen, diens huis zou leeghalen.

Uit het vorengaande volgt dat de verdachte en/of [medeverdachte] op 29 november 2004 geen geweld tegen [slachtoffer] heeft/hebben toegepast en dat zij [slachtoffer] evenmin letterlijk heeft/hebben bedreigd met geweld. Voorts acht het hof voormelde feiten en omstandigheden in onderling verband en in samenhang bezien niet dermate bedreigend dat bij [slachtoffer] een redelijke vrees kon ontstaan dat geweld tegen hem zou worden gebruikt als hij het geldbedrag van € 4.500,- niet aan de verdachte zou betalen. De enkele fysieke aanwezigheid van [medeverdachte] en de eventuele omstandigheid dat het (schemer)donker was, zijn, ook in combinatie met de door de verdachte geuite woorden, daartoe onvoldoende.

Bij deze stand van zaken zal het hof de verdachte vrijspreken van de aan hem verweten afpersing.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 maart 2016.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.