Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1454

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
23-005076-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwerping verweer niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie, tijdsverloop en de enkele omstandigheid dat de herinnering van een getuige door de vertraging in de behandeling dusdanig is verbleekt dat de feiten niet meer juist zijn vast te stellen, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Vrijspraak voorbereidingshandelingen artikel 10, derde, vierde en vijfde lid OW. Niet gezegd kan worden dat ten tijde van het ten laste gelegde het een feit van algemene bekendheid was dat fenacetine gebruikt wordt als versnijdingsmiddel voor verdovende middelen, terwijl er toentertijd voorts een reële andere toepassingsmogelijkheid bestond. Derhalve is niet met voldoende zekerheid komen vast te staan dat de verdachte de wetenschap had dan wel dat hij ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem en zijn medeverdachten aangekochte fenacetine zou worden gebruikt voor het bewerken van verdovende middelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-005076-13

Datum uitspraak: 14 april 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-528197-07 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1960,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 maart 2007 tot en met 17 mei 2007 te Amsterdam en/of Wormer, in elk geval in Nederland en/of Frankrijk en/of Spanje, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen/buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en/of heroïne, in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, in elk geval (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft getracht te verschaffen tot het plegen van dat/die feiten, hebbende verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s),

- op of omstreeks 27 maart 2007 (circa) 350 kilo, in elk geval een (grote) hoeveelheid fenacetine, in elk geval een versnijdingsmiddel en/of

- op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 mei 2007 tot en met 17 mei 2007 (circa) 1500 kilo, in elk geval een (grote) hoeveelheid fenacetine, in elk geval een versnijdingsmiddel

gekocht en/of (vervolgens) ingevoerd in Nederland en/of (vervolgens) die (grote) hoeveelheid fenacetine, in elk geval dat/die versnijdingsmiddel(en), in kleine hoeveelheden verpakt en/of (vervolgens)doorverkocht, via een of meer tussenperso(o)n(en), aan een of meer (lokale) drugsdealer(s)

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 maart 2007 tot en met 17 mei 2007 te Amsterdam en/of Wormer, in elk geval in Nederland en/of Frankrijk en/of Spanje, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen/buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en/of heroïne, in elk geval (telkens) een hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, in elk geval (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

- op of omstreeks 28 maart 2007 (circa) 350 kilo fenacetine, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een versnijdingsmiddel en/of

- op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 17 mei 2007 (circa) 1500 kilo fenacetine, in elk geval een grote hoeveelheid van een versnijdingsmiddel op of in de onmiddellijke nabijheid van het adres [adres 2], in elk geval in Nederland en/of in een auto (Mercedes, [kenteken]) en/of een trailer (op de rustplaats Rouille-Pamproux in Frankrijk) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt nu het tot een vrijspraak komt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van een dermate grote overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken dat, in combinatie met de daardoor vervaagde herinnering van een cruciale getuige, om die reden het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

De advocaat-generaal heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden.

Het hof verwerpt het verweer. Een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken als bedoeld in artikel 6 EVRM staat volgens vaste jurisprudentie niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging. De enkele omstandigheid dat een vertraging in de behandeling zo langdurig is dat herinnering van een getuige aan het gebeurde dusdanig is verbleekt dat de feiten niet meer juist zijn vast te stellen, leidt evenmin tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Ook overigens is niet gebleken van een grond die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staat.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het cumulatief ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden, waarvan acht voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Vrijspraak

Ten aanzien van het ten laste gelegde heeft de rechtbank overwogen dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte ervan op de hoogte was dat de door de verdachte en zijn medeverdachten aangekochte fenacetine bestemd was voor het vervaardigen van harddrugs. De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op datzelfde standpunt gesteld. De verdediging heeft bestreden dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de fenacetine was bestemd als versnijdingsmiddel voor verdovende middelen.

Het hof is echter van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wist dan wel ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem en zijn medeverdachten aangekochte fenacetine bestemd was voor het bewerken van harddrugs en overweegt daartoe als volgt.

Uit de inhoud van het strafdossier is gebleken dat de verdachte zowel in maart 2007 als in mei 2007 samen met anderen in Spanje een hoeveelheid van in totaal 1850 kilo fenacetine heeft gekocht en naar Nederland heeft vervoerd. De verdachte heeft in beide gevallen het initiatief hiertoe genomen en anderen hebben de fenacetine voor hem naar Nederland vervoerd.

De verdachte heeft zowel ten overstaan van de rechter-commissaris als ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep verklaard dat hij wist dat het in maart en mei 2007 om de aankoop van fenacetine ging. Hij wist echter niet dat fenacetine als versnijdingsmiddel voor harddrugs wordt gebruikt. Volgens de verdachte zou de door hem en zijn medeverdachten aangekochte fenacetine in Nederland als schoonmaakmiddel gebruikt gaan worden.

Niet is komen vast te staan dat het ten tijde van het ten laste gelegde (medio 2007) een feit van algemene bekendheid was dat fenacetine als versnijdingsmiddel voor verdovende middelen wordt gebruikt. Fenacetine was (en is) niet vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en was in ieder geval medio 2007 evenmin in Spanje een verboden stof. Voorts blijkt uit een brief van [inspecteur], inspecteur voor de Gezondheidszorg, die zich in het dossier bevindt, dat fenacetine op 20 juni 2007, dus ten tijde van het ten laste gelegde, in niet-Westerse of Oost-Europese landen werd gebruikt als geneesmiddel en derhalve een reële andere toepassingsmogelijkheid had dan als versnijdingsmiddel voor verdovende middelen.

Op basis van het vorenstaande is naar het oordeel van het hof niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid komen vast te staan dat de verdachte de wetenschap had, dan wel ernstige redenen had om te vermoeden, dat de door hem aangekochte fenacetine zou worden gebruikt voor het bewerken van heroïne of cocaïne, dan wel een ander middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. C.N. Dalebout en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 april 2016.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.