Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1429

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
25-04-2016
Zaaknummer
200.173.749/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wijziging statuten van de Stichting. Nu ongewijzigde handhaving van de statuten op bepaalde onderdelen zou leiden tot gevolgen, die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild en nu blijkens de door de Stichting overgelegde statuten niet is voorzien in de mogelijkheid van wijziging, is voldaan aan de in artikel 2:294, eerste lid, BW genoemde vereisten voor statutenwijziging. Het honoreren van andere onderdelen van het verzoek zou er toe leiden dat verzoeker voor eventuele toekomstige wijzigingen niet langer een beslissing van de rechtbank behoeft, hetgeen niet in overeenstemming kan worden geacht met de bedoeling van de erflater, die kennelijk een rechterlijke toetsing heeft beoogd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 294
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1205
RN 2016/61
JONDR 2016/649
JOR 2016/154 met annotatie van mr. J.M. Blanco Fernández
OR-Updates.nl 2016-0126
ERF-Updates.nl 2016-0108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.173.749/01

zaak -en rekestnummer rechtbank Amsterdam : C/13/553201 / HA RK 13-349

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 april 2016

inzake

STICHTING FONDS NEDERLANDS SANATORIUM TE DAVOS,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. J. van der Steenhoven te Amsterdam,

tegen

VERENIGING NEDERLAND DAVOS,

gevestigd te Gouda,

belanghebbende.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de Stichting en de Vereniging genoemd.

De Stichting is bij beroepschrift, met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 22 juli 2015, onder aanvoering van zes grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank Amsterdam onder bovenvermeld zaak -en rekestnummer op 23 april 2015 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt, zakelijk weergegeven, ertoe dat het hof de genoemde beschikking zal vernietigen en primair de statuten overeenkomstig het door de Stichting overgelegde wijzigingsvoorstel zal wijzigen en subsidiair de statuten conform de artikelen 2 en 3 van dat wijzigingsvoorstel zal wijzigen.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 19 februari 2016. Bij die gelegenheid is namens de Stichting [A] , één van haar bestuursleden, verschenen, bijgestaan door mr. Van der Steenhoven voornoemd, die het beroepschrift mondeling heeft toegelicht. Namens de Vereniging zijn [B] , één van haar bestuursleden, en [C] , haar penningmeester, verschenen. Voorts is mr. J. Borren, notaris te Amsterdam, verschenen.

Ter zitting heeft mr. Van der Steenhoven een drietal uitspraken overgelegd.

Vervolgens is uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder 2.1 t/m 2.6 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Het gaat in deze zaak - kort gezegd - om het volgende.

2.1.1

Op 31 januari 1956 is de heer [X] overleden te [plaats] , [land]

(hierna: erflater).

2.1.2

De Stichting is op 31 januari 1956 opgericht, en wel bij door de dood van erflater bekrachtigd testament van 31 mei 1949 bij akte verleden voor notaris mr. W.B. Bruyns, te ’s-Gravenhage.

2.1.3

De statuten van de Stichting (hierna ook: de statuten) zijn laatstelijk notarieel vastgelegd bij akte van 9 augustus 1996, na beschikkingen van de rechtbank Amsterdam van 18 maart 1964 en 13 april 1965.

2.1.4

De Stichting keert sinds haar instelling gelden uit aan de Vereniging, voorheen de Vereniging tot behartiging der Belangen van Nederlandsche Longlijders. Tussen de Stichting en de Vereniging is een convenant gesloten. De daarin neergelegde afspraken vormen de basis voor de voorgestelde statutenwijziging, zoals vastgelegd in het wijzigingsvoorstel van 12 augustus 2013 (hierna: het wijzigingsvoorstel).

3 De beoordeling

3.1

Op de voet van artikel 2:294, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het bestuur van de Stichting de rechtbank verzocht de statuten van de Stichting te wijzigen overeenkomstig het wijzigingsvoorstel.

3.2

De Stichting heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat door de ontwikkelingen op het gebied van astma de situatie is ontstaan dat de Vereniging de gelden die zij van de Stichting ontvangt niet meer (of niet geheel) kan aanwenden voor de doelstellingen die de erflater voor ogen stond. Ook is ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) voornemens terug te treden als beheerder van het vermogen van de Stichting. De bestuursstructuur dient te worden aangepast opdat ABN AMRO weliswaar invloed blijft behouden maar niet meer het bestuur vormt van de Stichting.

3.3

De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en daartoe - kort gezegd - overwogen dat het verzoekschrift in al haar onderdelen en daarmee integraal, onvoldoende is onderbouwd en daarom moet worden afgewezen.

3.4

De grieven van de Stichting richten zich tegen deze afwijzing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Op haar stellingen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

3.5

Het hof oordeelt als volgt.

3.6

Met wijziging van artikel 2 van de statuten wordt een wijziging van de statutaire doelstelling van de Stichting beoogd. De huidige doelstelling houdt in dat de gelden door de Vereniging worden besteed aan de door haar (de Vereniging) in Davos geëxploiteerde inrichting voor weinig vermogende Nederlanders, die lijden aan, kortweg, ziekten aan de ademhalingsorganen. Volgens de gewijzigde doelstelling zullen de gelden worden besteed aan ‘kwaliteit van leven’ in het algemeen en in het bijzonder voor weinig vermogende Nederlanders, die lijden aan tuberculose, dan wel aan astma of andere ziekten der ademhalingsorganen. De Stichting heeft ter motivering van de voorgestelde doelwijziging aangevoerd dat het voor patiënten met longziekten (zoals moeilijk behandelbare astma) niet altijd meer noodzakelijk is om een behandeling te Davos te ondergaan. Er zijn tegenwoordig goede alternatieven in Nederland, die bovendien minder kostbaar zijn. Daarnaast is de rol van de Vereniging veranderd. Zo heeft de Vereniging ook als taak de bemiddeling tussen de zorgverzekeraar en de patiënt, om de patiënt te helpen een deel van zijn kosten via de zorgverzekeraar vergoed te krijgen. Verder zijn de patiënten die nog wel te Davos worden behandeld steeds vaker kinderen. Onder het voorgestelde bredere begrip ‘kwaliteit van leven’ wordt het voor de Vereniging mogelijk om de gelden ook aan te wenden om ouders de gelegenheid te geven om hun kinderen in Davos op te zoeken. De Stichting wil haar gelden blijven uitkeren aan de Vereniging. Uitkering aan het Nederlands Kankerinstituut kan volgens haar redelijkerwijs niet door de erflater zijn gewild. Het Nederlands Kankerinstituut richt zich niet op het welzijn van de patiënt en de financiële ondersteuning van de patiënt, terwijl dit voor de Stichting essentieel is.

3.7

Het hof is anders dan de rechtbank van oordeel dat de Stichting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat - met inachtneming van de omstandigheden zoals deze zich thans voordoen, de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan in de medische wetenschap en de wijze van en de kosten voor behandeling in Davos - ongewijzigde handhaving van de statutaire doelstelling leidt tot gevolgen, die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild.

3.8

Daarnaast wordt met wijziging van artikel 3 van de statuten beoogd een wijziging aan te brengen in het bestuur van de Stichting, wat betreft het aantal en de benoeming van bestuursleden. De Stichting heeft daartoe aangevoerd dat ABN AMRO, gelet op de compliance regels voor banken, heeft besloten terug te treden als bestuurder van de Stichting. Om te voorkomen dat de Stichting onbestuurbaar wordt, moeten de statutaire bepalingen omtrent het bestuur worden gewijzigd. Om zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke bedoeling van de Stichting te blijven, stelt de Stichting voor dat iedere nieuwe benoeming van een bestuurder moet worden goedgekeurd door ABN AMRO. Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat een wijziging, zoals voorgesteld, noodzakelijk is om te komen tot statuten die in alle opzichten voldoen aan de eisen van de huidige tijd waardoor de Stichting haar activiteiten op professionele wijze kan voortzetten. Het hof onderschrijft het belang van deze wijziging.

3.9

Ook beoogt de Stichting een reeks bepalingen (artikelen 4 tot en met 17 van het wijzigingsvoorstel) in te voeren onder meer met betrekking tot de interne organisatie en de rechten en verplichtingen van, en regelingen voor, het bestuur van de Stichting en haar organen. Naar het oordeel van het hof heeft de Stichting voldoende aannemelijk gemaakt dat het noodzakelijk is om de verouderde en in de huidige tijdgeest onpraktische statuten te moderniseren, met het oog op bestuurbaarheid en efficiëntie. Een uitzondering geldt naar het oordeel van het hof evenwel voor artikel 15 van het wijzigingsvoorstel, dat de bevoegdheid voor het bestuur opent om de statuten te wijzigen, en daarmee verband houdend artikel 10, zesde lid onder g. De noodzaak de statuten te kunnen wijzigen heeft de Stichting onvoldoende onderbouwd. Ook tegen de achtergrond van artikel 2:294 BW is niet voldoende gesteld waarom deze introductie noodzakelijk is, en, indien toch toegewezen, op welke wijze de bijzondere bescherming van de intenties van de erflater, is gewaarborgd. Dit geldt ook ten aanzien van het voorstel het bestuur van de Stichting de bevoegdheid toe te kennen de Stichting te ontbinden, te splitsen en te laten fuseren met een of meer andere rechtspersonen, een en ander als is neergelegd in artikel 10, zesde lid onder h en artikel 16 van het wijzigingsvoorstel. Het honoreren van deze onderdelen van het verzoek zou er toe leiden dat verzoeker voor eventuele toekomstige wijzigingen niet langer een beslissing van de rechtbank behoeft, hetgeen niet in overeenstemming kan worden geacht met de bedoeling van de erflater, die kennelijk een rechterlijke toetsing heeft beoogd. Het argument van de Stichting dat invoering van artikel 15 nodig is om nodeloze kosten te besparen, omdat bij iedere wijziging een verzoek bij de rechter moet worden ingediend, acht het hof van onvoldoende gewicht en niet overtuigend.

3.10

Nu uit het hiervoor overwogene volgt dat ongewijzigde handhaving van de statuten op de hiervoor genoemde onderdelen zou leiden tot gevolgen, die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild en nu blijkens de door de Stichting overgelegde statuten, zoals laatstelijk vastgelegd bij akte d.d. 9 augustus 1996, niet is voorzien in de mogelijkheid van wijziging, is voldaan aan de in artikel 2:294, eerste lid, BW genoemde vereisten voor statutenwijziging. Het hof zal de statuten als hierna vermeld wijzigen. Overeenkomstig artikel 2:302 BW zal het hof bepalen dat de griffier deze beschikking, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, zal inschrijven in het register als hierna vermeld.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijzigt de statuten van de Stichting in die zin dat deze komen te luiden overeenkomstig de aan deze beschikking gehechte conceptstatuten versie 12 augustus 2013, behoudens artikel 10, zesde lid onder g en h, artikel 15 en artikel 16 van deze conceptstatuten;

wijst het meer of anders verzochte af;

bepaalt dat de griffier deze beschikking, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, zal inschrijven in het handelsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L.D. Akkaya, R.J.F. Thiessen en R.T. Terpstra en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 april 2016.