Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:142

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-01-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
15/00086 tot en met 15/00088
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Het is aan belanghebbende om (tijdig) een (nieuwe) parkeervergunning aan te vragen en aan de dienaangaande voorwaarden te voldoen. De mogelijkheid dat de vergunning (nog) niet was ingegaan, komt voor zijn risico.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/272
Belastingblad 2016/105 met annotatie van L.J. Boone
V-N 2016/22.18.22
FutD 2016-0351
NTFR 2016/771
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 15/00086 tot en met 15/00088

26 januari 2016

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AMS 14/6075, AMS 14/6076 en AMS 14/6077 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 9 juli 2014 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (nummer 50125458), ten bedrage van € 58,50 (bestaande uit € 3,00 aan parkeerbelasting verhoogd met een bedrag van € 55,50 aan kosten ter zake van het opleggen van die naheffingsaanslag).

1.1.2.

Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 10 juli 2014 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (nummer 50126304), ten bedrage van € 58,50 (€ 3,00 aan parkeerbelasting verhoogd met een bedrag van € 55,50 aan kosten ter zake van het opleggen van die naheffingsaanslag).

1.1.3.

Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 11 juli 2014 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (nummer 50126761), ten bedrage van € 58,50 (€ 3,00 aan parkeerbelasting verhoogd met een bedrag van € 55,50 aan kosten ter zake van het opleggen van die naheffingsaanslag).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor onder 1.1.1 tot en met 1.1.3 gemelde naheffingsaanslagen. Bij (afzonderlijke) uitspraken op bezwaar, d.d. 30 augustus 2014, heeft de heffingsambtenaar de bezwaren ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

1.3.

Bij mondelinge uitspraak van 17 februari 2015 (waarvan het proces-verbaal op 25 februari 2015 is verzonden) heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen tegen de hiervoor onder 1.2 gemelde uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

De tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde (in één geschrift vervatte) hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 9 maart 2015, aangevuld bij brief bij het Hof ingekomen op 27 mei 2015. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2016. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met de uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

Nu de uitspraak van de rechtbank geen afzonderlijke vaststelling van de feiten bevat, stelt het Hof de feiten als volgt vast:

2.1.

Belanghebbende heeft een auto met het kenteken [..-..-..] (hierna: de Auto) van een kennis gekocht. De kennis woonde in de buurt en beschikte over een bewonersvergunning voor de auto. Voorafgaande aan de aankoop deelde belanghebbende de auto met deze kennis. De bewonersvergunning was geldig tot 1 juli 2014.

2.2.

Belanghebbende heeft in april een parkeervergunning voor bedrijven aangevraagd. De aanvraag werd geweigerd dan wel niet in behandeling genomen, omdat het bij de aanvraag gevoegde uittreksel uit de Kamer van Koophandel was verlopen.

2.3.

Aan belanghebbende zijn ter zake van het niet-voldoen van parkeerbelasting op (woensdag) 9 juli 2014, (donderdag) 10 juli 2014 en (vrijdag) 11 juli 2014, om respectievelijk 09:59 uur, 15:11 uur en 10:30 uur de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd.

2.4.

De [A-straat] is een straat in Amsterdam, die op grond van de Verordening Parkeerbelastingen 2014 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening) is aangewezen als zone waar – op de hiervoor vermelde tijdstippen – ter zake van parkeren parkeerbelasting is verschuldigd.

2.5.

Op 17 juli 2014 is aan belanghebbende voor de Auto een bedrijfsvergunning afgegeven.

3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’:

“2. Niet in geschil is dat voor het parkeren van het voertuig op de onderhavige plaats op de tijdstippen parkeerbelasting verschuldigd was en dat eiser deze parkeerbelasting niet heeft voldaan. Eveneens staat vast dat er op respectievelijk 9 juli 2014, 10 juli 2014 en 11 juli 2014 geen geldige parkeervergunning voor het kenteken [..-..-..] aanwezig was.

3. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat het niet aan hem te wijten is dat hij op 9, 10 en 11 juli 2014 geen geldige parkeervergunning had, omdat hij er alles aan heeft gedaan om tijdig een parkeervergunning te regelen. Door het handelen van Cition is dat echter niet op tijd gelukt, aldus eiser.

4. De rechtbank overweegt dat het vervelend is voor eiser dat het lang heeft geduurd voordat zijn aanvraag om een parkeervergunning is gehonoreerd, maar dat dit niet wegneemt dat het de verantwoordelijkheid van de kentekenhouder is om ofwel een geldige parkeervergunning voor het kenteken te hebben ofwel parkeerbelasting te betalen. Ten tijde van de opgelegde naheffingsaanslagen wist eiser of had eiser kunnen weten dat er nog geen geldige parkeervergunning voor het kenteken was afgegeven. Gelet daarop was eiser parkeerbelasting verschuldigd, die hij diende te voldoen bijvoorbeeld door bij een automaat een parkeerkaartje te kopen. Eiser heeft dat evenwel nagelaten.

5. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verweerder op grond van de Verordening terecht de drie onderhavige naheffingsaanslag heeft opgelegd.”

4 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslagen parkeerbelasting terecht zijn opgelegd.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Artikel 1 van de, op artikel 225 van de Gemeentewet berustende, Verordening luidt als volgt:

“Onder de naam van parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven:

  1. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

  2. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.”

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de Auto heeft geparkeerd op een plaats waar parkeerbelasting als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Verordening verschuldigd was en zodanige belasting niet heeft voldaan. Tevens zijn partijen het erover eens dat belanghebbende ten tijde van het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslagen niet beschikte over een vergunning als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Verordening.

5.3.

Belanghebbende stelt zich – naar het Hof begrijpt – op het standpunt dat er (desondanks) geen grond bestaat voor naheffing. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd:

- dat hij tijdig (reeds in april 2014) een vergunning heeft aangevraagd;

- dat deze aanvraag niet in behandeling is genomen, maar is teruggezonden wegens het ontbreken van een actueel uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel;

- dat belanghebbende daarbij geen hersteltermijn is geboden;

- dat Cition het Handelsregister van de Kamer van Koophandel zelf ook kan raadplegen en belanghebbende in dat kader niet op kosten had hoeven jagen; en

- dat een tweede, tijdig ingediende, aanvraag zou zijn kwijtgeraakt door Cition. De op 17 juli 2014 afgegeven bedrijfsvergunning is afgegeven nadat hij een derde aanvraag had ingediend.

Deze omstandigheden in onderling verband bezien maakt dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd, aldus belanghebbende.

5.4.

Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat het op de weg van belanghebbende ligt om (tijdig) een (nieuwe) parkeervergunning aan te vragen en aan de voorwaarden voor het toekennen daarvan te voldoen (zoals het verstrekken van de daarvoor vereiste documenten, waaronder een kopie van een ondertekend uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, niet ouder dan 6 maanden). Het indienen van een aanvraag geeft (nog) geen recht op een vergunning. Pas nadat de vergunning is verleend (in het “Aanvraagformulier parkeervergunning voor bedrijven” staat vermeld dat belanghebbende binnen 6 weken na ontvangst van de aanvraag een schriftelijke reactie van Cition ontvangt), kan belanghebbende daaraan rechten ontlenen. Belanghebbende had moeten controleren of de vergunning daadwerkelijk was verleend, en had er niet op mogen vertrouwen dat zijn tweede aanvraag – die hij stelt te hebben ingediend, maar de heffingsambtenaar stelt niet te kennen – was gehonoreerd. De mogelijkheid dat de vergunning (nog) niet was ingegaan, komt voor zijn risico. De omstandigheid dat Cition, zoals belanghebbende stelt, bij betere administratie en automatisering de aanvraag van een vergunning stukken makkelijker en sneller zou kunnen maken, maakt dat niet anders.

5.5.

Belanghebbendes gemachtigde heeft in zijn geschriften aangevoerd dat met betrekking tot de Auto eerder een vergunning is afgegeven die op naam stond van de (destijds) mede-eigenaar van de Auto, dat hij daarvoor heeft betaald en erop mocht vertrouwen dat de Auto nog van een vergunning was voorzien tot 1 juli 2014. Deze omstandigheden doen – wat daar verder ook van mogen zijn – aan het voorgaande niet af, reeds omdat de onderhavige naheffingsaanslagen na die datum zijn opgelegd.

5.6.

Op grond van het voorgaande is het Hof dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

Slotsom

De slotsom is dat de hoger beroepen van belanghebbende ongegrond zijn en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn, als griffier. De beslissing is op 26 januari 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.