Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1358

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
K14/0448
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klachten over niet vervolgen van politici Samson en Spekman voor Marokkanen-uitspraken niet-ontvankelijk, want klagers zijn niet te beschouwen als rechtstreeks belanghebbenden. Artikel 12 Wetboek van Strafvordering. Beklag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking van op het beklag met het rekestnummer K14/0448 van

[naam klaagster]

wonende te [woonplaats klaagster],

klaagster,

gemachtigde mr. A. Diepenveen.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 27 oktober 2014 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen D. Samsom en H.Spekman, ter zake van groepsbelediging op grond van ras (artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht), het aanzetten tot discriminatie van mensen wegens hun ras (artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht) en beroepsmatige discriminatie (artikel 137g van het Wetboek van Strafrecht).

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 7 oktober 2015 heeft de advocaat-generaal het hof primair in overweging gegeven klaagster niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Behalve van het klaagschrift en van het verslag heeft het hof kennis genomen van de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal van aangiften en van de ambtsberichten van de hoofdofficier van justitie, arrondissementsparket Amsterdam van 8 en 9 december 2014.

4 De behandeling in raadkamer

De daartoe aangewezen raadsheer-commissaris heeft klaagster op 6 januari 2016 in de gelegenheid gesteld het beklag toe te lichten. Klaagster heeft het hof schriftelijk bericht dat zij, in verband met verblijf in het buitenland, niet zal verschijnen en dat zij om die reden mr. A. machtigt om haar te vertegenwoordigen. De gemachtigde is verschenen en heeft het beklag aan de hand van een schriftelijk stuk toegelicht en gehandhaafd.

5 De inhoud van het beklag

De aangiften van klaagster betreffen de uitlatingen van twee politici (verder ook: beklaagden) die zijn weergegeven in respectievelijk NRC Handelsblad van 15 september 2011 en Vrij Nederland van 18 oktober 2008.

Blijkens de tekst in NRC Handelsblad heeft D. Samsom onder meer het volgende gezegd:

“Het klopt dat het vooral Marokkanen zijn. Deze jongens hebben een etnisch monopolie op dit soort overlast gekregen. Dat is de Ground Zero van het integratiedebat geworden. Maar met de islam heeft het geen bal te maken. Hoe geloviger hoe minder last je van ze hebt. We moeten erkennen dat cultuur hartstikke relevant is. Etnische groepen klitten nou eenmaal op elkaar en nemen elkaars gedrag over. Dat wreekt zich hier”

en

“de essentie is, iemand moet die jongen een draai om zijn oren geven, en ouders op hun eergevoel aanspreken. Je moet het doen als hij elf is, want op zijn vijftiende is die jongen verloren. Maar niet alleen zijn vader of de wijkagent moet de jongen zijn plaats wijzen. Alle volwassenen zijn verantwoordelijk”.

Blijkens de tekst in Vrij Nederland heeft H. Spekman onder meer het volgende gezegd:

“Je moet ze de godganse dag op de huid zitten zodat ze niks meer kunnen flikken. We weten precies wie het zijn. Als je ze alleen maar een waarschuwing of een boete geeft, lachen ze je uit. En van een celstraf krijgen ze alleen maar meer status in hun groep. Je moet ze zien te raken dat ze hun status juist verliezen. De Marokkanen die niet willen deugen, moet je vernederen, voor de ogen van hun eigen mensen. Je moet er voor zorgen dat ze de sulletjes worden van hun eigen wijk. Dat is het enige dat werkt”.

De officier van justitie te Amsterdam heeft de aangiften geseponeerd, omdat hij de bedoelde uitlatingen niet strafbaar achtte. Hiertegen richt zich het beklag.

6 Standpunten van klaagster en advocaat-generaal

6.1

Standpunt van klaagster

Klaagsters gemachtigde heeft naar voren gebracht dat er geen restricties gesteld mogen worden aan de vrijheid van meningsuiting, behalve wanneer deze aanzetten tot geweld. Zowel beklaagden als Wilders mochten zeggen wat zij gezegd hebben zonder daarvoor te worden vervolgd. Nu Wilders wel wordt vervolgd voor zijn uitspraak “minder Marokkanen” brengt het gelijkheidsbeginsel met zich mee dat de rechter zich ook moet buigen over de uitspraken van beklaagden.

6.2

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal handhaaft de conclusie in het verslag: primair dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar beklag en subsidiair dat de uitlatingen van beklaagden geen betrekking hebben op Marokkanen wegens hun ras en daarom niet strafbaar zijn.

De advocaat-generaal heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan als belanghebbende slechts worden beschouwd iemand die door het achterwege blijven van een strafvervolging getroffen is in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat.

Hetgeen klaagster naar voren heeft gebracht is geen kenmerkend specifiek haar aangaand belang bij de vervolging van beklaagden. In het kader van deze beklagprocedure kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel door een derde niet als zodanig aangemerkt worden.

7 Beoordeling door het hof

Allereerst heeft het hof de vraag te beantwoorden of klaagster kan worden ontvangen in haar beklag. Terwijl aangifte kan worden gedaan door ieder die kennis draagt van een strafbaar feit, is immers de mogelijkheid van beklag tegen een beslissing van het Openbaar Ministerie – zoals in deze zaak – geen gevolg te geven aan een aangifte, in artikel 12 Sv beperkt tot rechtstreeks belanghebbenden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan slechts degene die door het achterwege blijven van vervolging getroffen is in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat, worden aangemerkt als belanghebbende (Hoge Raad 7 maart 1972, NJ 1973, 35). Daarbij dient sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, persoonlijk of kenmerkend belang. Bovendien brengt het relativiteitsvereiste met zich mee dat beoordeeld dient te worden of de overtreden strafbepalingen beogen dit specifieke belang van klaagster te beschermen.

Blijkens haar toelichting op het beklag gaat het klaagster niet zozeer om een schending van een eigen specifiek belang, of een belang dat haar zelf bepaaldelijk aangaat, maar om de toepassing van het gelijkheidsbeginsel: als een derde vervolgd wordt voor soortgelijke uitspraken, moeten ook beklaagden daarvoor worden vervolgd.

Daarmee formuleert klaagster een algemeen belang; dit maakt haar echter geen persoonlijk en rechtstreeks belanghebbende. Voorts is zij evenmin getroffen in de belangen die worden beschermd door de strafbepalingen ter zake waarvan de door haar gewenste vervolging zou moeten worden ingesteld.

Het hof is van oordeel dat, nu er geen sprake is van een belang waarop artikel 12 Sv ziet, klaagster niet-ontvankelijk is in haar beklag, zodat dit moet worden afgewezen.

8 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

door mrs. P.C. Kortenhorst, raadsheren, A.M. van Woensel en N. van der Wijngaart, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S.G.J. Berk, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.