Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1335

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
23-002243-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop van medeplegen poging doodslag en openlijk geweld. Geweld in het uitgaansleven, slachtoffer door 2 verdachten op de openbare weg tegen het hoofd geschopt en geslagen.OM-appel. Het hof legt een zwaardere straf op dan de rechtbank,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002243-15

datum uitspraak: 7 april 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-654229-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2016 en 24 maart 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 19 juli 2014 (in de Voetboogstraat) te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,

met dat opzet voornoemde [slachtoffer] (terwijl hij op de grond lag) eenmaal of meermalen (met kracht) in/tegen/op het hoofd en/of het gezicht en/of de rib(ben) en/of de schouder(s) en/of het/de be(e)n(en) en/of de enkel(s) en/of de rug en/of de hand(en) en/of de ellebo(o)g(en), in elk geval het lichaam, heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt en/of gestoten met de knie;

1.
subsidiair:
hij op of omstreeks 19 juli 2014 (in de Voetboogstraat) te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht,

door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk (terwijl hij op de grond lag) eenmaal of meermalen (met kracht) in/tegen/op het hoofd en/of het gezicht en/of de rib(ben) en/of de schouder(s) en/of het/de be(e)n(en) en/of de enkel(s) en/of de rug en/of de hand(en) en/of de ellebo(o)g(en), in elk geval het lichaam, heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt en/of gestoten met de knie;

1. meer subsidiair;

hij op of omstreeks 19 juli 2014 (in de Voetboogstraat) te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] (terwijl hij op de grond lag) eenmaal of meermalen (met kracht) in/tegen/op het hoofd en/of het gezicht en/of de rib(ben) en/of de schouder(s) en/of het/de be(e)n(en) en/of de enkel(s) en/of de rug en/of de hand(en) en/of de ellebo(o)g(en), in elk geval het lichaam, heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt en/of gestoten met de knie;

1. meest subsidiair;

hij op of omstreeks 19 juli 2014 te Amsterdam (in de Voetboogstraat) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) (terwijl hij op de grond lag) eenmaal of meermalen (met kracht) in/tegen/op het hoofd en/of het gezicht en/of de rib(ben) en/of de schouder(s) en/of het/de be(e)n(en) en/of de enkel(s) en/of de rug en/of de hand(en) en/of de ellebo(o)g(en), in elk geval het lichaam, heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt en/of gestoten met de knie, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2:
hij op of omstreeks 19 juli 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Voetboogstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) eenmaal of meermalen (met kracht) schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen en/of stoten met de knie in/tegen/op het hoofd en/of het gezicht en/of de rib(ben) en/of de schouder(s) en/of het/de be(e)n(en) en/of de enkel(s) en/of de rug en/of de hand(en) en/of de ellebo(o)g(en), in elk geval het lichaam, van die [slachtoffer].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring, kwalificatie en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Overweging ten aanzien van feit 1

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht, onder verwijzing naar zijn schriftelijke requisitoir, bewezen dat de verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag. Gelet op de stukken in het dossier en met name de beelden van de beveiligingscamera’s kan worden afgeleid dat met kracht tegen het hoofd van het slachtoffer is geschopt, terwijl het slachtoffer op de grond lag. Gelet op de aard en de ernst van het door de verdachte en zijn medeverdachte gebruikte geweld moeten zij zich bewust zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer het leven zou verliezen.

Standpunt raadsman

De verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van poging tot doodslag. Het medeplegen van poging tot zware mishandeling kan wel worden bewezen.

Overwegingen van het hof

Zowel ter terechtzitting bij de rechtbank als ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bekend dat hij in de nacht van 14 juli 2014 op [slachtoffer] af is gerend en hem samen met de medeverdachte [medeverdachte] heeft geschopt en geslagen, ook toen [slachtoffer] op de grond lag.

De vraag die het hof moet beantwoorden is hoe het door de verdachte en de medeverdachte uitgeoefende geweld gekwalificeerd moet worden. Daartoe is nog het volgende van belang met betrekking tot de waardering van de feiten.

Ter terechtzitting in hoger beroep zijn camerabeelden van het incident bekeken. Hieruit blijkt nog duidelijker dan uit de getuigenverklaringen dat [verdachte] op [slachtoffer] is afgerend en dat vrijwel direct een salvo aan klappen, schoppen en trappen is gevolgd, waar de al snel gearriveerde [medeverdachte] volop aan heeft meegedaan. Het slachtoffer heeft zich niet of nauwelijks verweerd. Het betrof duidelijk een twee-tegen-één-situatie waarbij de overmacht van de verdachten groot was ten opzichte van het slachtoffer. Dit geweld heeft voortgeduurd zelfs toen het slachtoffer op de grond lag.

Uit de in hoger beroep ter terechtzitting getoonde camerabeelden van “het Pakhuis” blijkt dat het op de grond liggende slachtoffer door de op de grond zittende/ liggende [medeverdachte] horizontaal tegen het hoofd is getrapt. Bevestiging voor deze waarneming vindt het hof in het gegeven dat het slachtoffer een (gedeelte van een) schoenafdruk op zijn voorhoofd had. Hieruit leidt het hof af dat met de onderkant van de schoen in het gezicht is getrapt. Gezien deze omstandigheid acht het hof het verweer dat de aard van het schoeisel van invloed is voor beantwoording van de vraag of sprake is van poging doodslag of poging zware mishandeling van ondergeschikt belang, aangezien niet met de punt van de schoen maar met de onderkant ervan is getrapt.

Uit de camerabeelden, in samenhang met de getuigenverklaringen en uit de verklaringen van de verdachten blijkt dat zij gedurende enige tijd het slachtoffer hebben geslagen, geschopt en getrapt. Hoewel de verdachten ontkennen dat zij gericht hebben getrapt tegen het hoofd van [slachtoffer], heeft [medeverdachte] verklaard dat hij hem “heeft geslagen en geschopt waar hij hem kon raken”.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbare plek is. Gelet op het excessieve geweld dat de verdachten gezamenlijk op het slachtoffer hebben uitgeoefend, waarbij in ieder geval met zodanige kracht het hoofd van het slachtoffer is geraakt, dat de afdruk van de schoenzool als letsel zichtbaar was, is het hof van oordeel dat de verdachten daarmee de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood als gevolg van hun handelen hebben aanvaard. Het hof acht medeplegen van poging tot doodslag dan ook bewezen.

Het hof merkt hierbij op dat de mate van het uiteindelijke letsel niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, redengevend is voor de beoordeling van de vraag of sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:
hij op 19 juli 2014 in de Voetboogstraat te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,

met dat opzet voornoemde [slachtoffer], terwijl hij op de grond lag, meermalen met kracht tegen het hoofd en in het gezicht, heeft geschopt en/of getrapt en/of gestompt;


2:
hij op 19 juli 2014 te Amsterdam, met een ander of anderen, aan de openbare weg, de Voetboogstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) meermalen met kracht schoppen en/of trappen en/of stompen tegen het hoofd en in het gezicht van die [slachtoffer];

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van poging tot doodslag

en

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair (medeplegen poging tot zware mishandeling) en 2 (openlijk geweld tegen personen) bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 1 jaar. Daarnaast heeft de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden opgelegd.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en openlijke geweldpleging. Dit geweld is gepleegd in het uitgaansleven en na het gebruik van alcohol. Hierbij hebben de verdachte en zijn mededader het slachtoffer geschopt, getrapt en gestompt en hebben hem daarbij geraakt waar zij hem raken konden. Er was sprake van excessief geweld, waarvan niemand zich kon herinneren wat de aanleiding was. Dergelijk geweld veroorzaakt gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Het slachtoffer heeft te kennen gegeven dat deze gebeurtenis een langdurige nasleep voor hem heeft gehad en dat hij momenteel nog niet geheel is hersteld van het toegebrachte letsel en dat hij daarvan nog steeds beperkingen ondervindt.

Gelet op de ernst van deze feiten acht het hof in beginsel een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur gerechtvaardigd.

Het hof houdt ten voordele van de verdachte rekening met de volgende omstandigheden.

De verdachte heeft voorafgaand aan de strafzaak deelgenomen aan een intensief mediation-traject tussen beide verdachten en het slachtoffer. Hierbij is de gebeurtenis uitgebreid besproken en het heeft erin geresulteerd dat de verdachten € 9.000 als bedrag aan schadevergoeding aan het slachtoffer hebben betaald. De verdachte heeft getoond dat hij inzicht heeft in het laakbare van zijn handelen en heeft deelgenomen aan een gedragstraining.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 maart 2016 is de verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten veroordeeld.
De verdachte werkt als jonge zelfstandige en bouwt een eigen bedrijf op.

Het hof acht het gezien deze omstandigheden thans niet opportuun een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en zal een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en een taakstraf van substantiële omvang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 45, 47, 55, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. N.A. Schimmel en mr. G. Oldekamp, in tegenwoordigheid van mr. J.G.W. van Rede, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 april 2016.

Mr. J.G.W. van Rede is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]