Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1301

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
200.174.090/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Luchtvervoer. Weigering vervoer van een passagier. Het gegeven dat appellant, tegen de expliciet en in niet mis te verstane bewoordingen geformuleerde wens van de supervisor van Transavia in, toch een foto van haar heeft gemaakt dient als persoonlijk intimiderend gedrag te worden aangemerkt. Dat geldt temeer in het licht van de gebeurtenissen die aan het maken van de foto vooraf zijn gegaan. Het vertonen van dergelijk intimiderend gedrag, dat als dreigend en grof gedrag tegen het grondpersoneel kan worden gekenschetst, kon naar het oordeel van het hof bij Transavia gerede twijfel doen ontstaan omtrent het veilig vervoer van appellant, overige passagiers, de bemanning en het vliegtuig als bedoeld in artikel VII lid 1 onder c van de algemene voorwaarden van Transavia. Aldus rechtvaardigt het gedrag van appellant Transavia’s daarop volgende weigering om appellant te vervoeren. Het beroep van Transavia op artikel VII lid 1 onder c van haar algemene vervoersvoorwaarden slaagt daarom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/141
S&S 2016/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.174.090/01

zaak/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 3642838 \ CV EXPL 14-12939

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 april 2016

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. G.J.E. Schoofs te Maastricht,

tegen:

TRANSAVIA AIRLINES CV,

gevestigd te Schiphol,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.J. Otto te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Transavia genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 2 juli 2015, hersteld bij exploot van 17 juli 2015, in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter) van 10 juni 2015, onder bovenvermeld zaak/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Transavia als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens vordering ex artikel 843a Rv, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 22 februari 2015 doen bepleiten, [appellant] door mr. Schoofs voornoemd en Transavia door mr. Otto voornoemd alsmede door mr. E.C.M. van Hees, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellant] heeft nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en zijn vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

Transavia heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met grief 1 richt [appellant] zich tegen een onderdeel van deze feitenvaststelling. Het hof zal daarmee rekening houden. Voor het overige zijn deze feiten in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn gebleken uit de niet (voldoende) weersproken stellingen van partijen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.1.

ML Tours BV heeft voor [appellant] en twee anderen een vlucht bij Transavia naar Casablanca (Marokko) geboekt. De vertrektijd was vrijdag 24 oktober 2014 te 10:45 uur en de lokale aankomsttijd diezelfde dag om 13.25 uur. Doel van de reis was dat [appellant] als advocaat zijn cliënte ML Tours BV zou bijstaan bij twee zakelijke besprekingen, waarvan de eerste om 14.30 uur te Casablanca stond geagendeerd.

2.1.2.

[appellant] is de toegang tot de vlucht geweigerd.

2.1.3.

Bij brief van 24 oktober 2014 heeft [appellant] Transavia aansprakelijk gesteld voor de schade die [appellant] heeft geleden en zal lijden doordat hem de toegang tot de vlucht is geweigerd. In die brief heeft [appellant] over de gang van zaken die voorafging aan de weigering om hem toegang tot de vlucht te geven, onder meer geschreven:

Rond 10:00 uur stonden we op om in de rij te gaan staan voor “boarding”.

Op dat moment werd ik aangesproken door een van de medewerksters van Transavia zelf (…). Zij vroeg mij mijn handbagage in de “vorm” te plaatsen ten einde de afmetingen te controleren op juistheid. Niets vermoedend en uit eerdere ervaring erop vertrouwende dat dit ook geen probleem zou moeten opleveren, heb ik gepoogd om mijn trolley “te passen” in de “vorm”. Mijn handbagage bleek niet te passen in de “vorm” waarop uw medewerkster mijn trolley van mij wegnam mij naar mijn stoelnummer vroeg en tegelijk een bagage label om mijn trolley deed en mij een “briefje” overhandigde waarop het ontvangst van mijn trolley stond.

Ik deelde uw medewerkster mede dat ik dit bijzonder vreemd vond en dat ik altijd met dezelfde trolley reisde. Nadat ik ook geconstateerd had dat om de aan mij gegeven “briefje” een “uitsluiting van aansprakelijkheid stond”, welke ik niet accepteerde, vroeg ik uw medewerkster naar haar supervisor.

Zij wees mij naar een mevrouw — ik ga ervan uit dat het een “agent” was — in een KLM tenue achter een balie. Achter de desbetreffende balie stonden twee dames met KLM tenue en twee - naar mijn mening stagiaires. Ik liep naar de balie en wenste mijn beklag te doen. Zonder echt naar mij te luisteren, deelde de supervisor mij mede dat de vlucht vol zou zijn en dat derhalve mijn bagage niet als handbagage mee mocht. Ik probeerde haar uit te leggen dat ik in verband met een belangrijke afspraak geen tijd had om op de bagage te wachten. De supervisor deelde mij mede dat ik moest wachten tot de boarding klaar was en negeerde mij en ging verder met haar uitleg aan de “stagiaires”. (…) Op dat moment constateerde ik dat er andere passagiers met handbagage met grotere afmetingen werden toegelaten voor de boarding. Ik wenste de supervisor die mij nog steeds zoveel mogelijk negeerde daarop te wijzen. Aangezien ik geen naambordje zag en inmiddels enigszins geïrriteerd was, wees ik naar de supervisor om haar aandacht te trekken ten einde haar te wijzen op de “grotere handbagages” die wel waren toegelaten (ik heb daar foto’s van genomen). Op hoge toon deelde de supervisor mij mede dat ik niet naar haar mocht wijzen. Ik vroeg de supervisor naar haar naam en deelde haar mede dat ik advocaat ben en dat ik zeker een klacht over haar handelswijze zou indienen. Zij weigerde mij haar naam te geven en wees met enige ‘leedvermaak” naar haar “wing” op haar jasje waarop inderdaad geen naam op stond.

Ik herhaalde mijn verzoek en de supervisor weigerde mij haar naam te geven. Daarop deelde ik de supervisor mede dat ik dan gedwongen zou worden om een foto van haar te maken. Zij deelde mij mede dat zij in dat geval mij zou aanklagen omdat dat niet mocht van haar. Aangezien zij nog steeds weigerde haar naam te geven, nam ik een foto van haar.

Op dat moment stond de supervisor op en deelde mij mede dat wij — ook mijn cliënte en diens medewerker - niet mochten meevliegen.

Via de portofoon werd — naar later bleek — de security officer de heer [X] en diens collega (met voornaam […] ) in geschakeld. Inmiddels werden we niet toegelaten voor de boarding. In overleg met cliënte, besloot ik mijn handbagage toch mee te geven en plakte de bagagelabel die ik had los gemaakt weer om het handvat.

Nadat alle overige passagiers waren ingestapt, meldde zich de heer [X] bij mij met de vraag wat het probleem was. Ik deelde hem mede dat ik graag de naam van de supervisor wenste te vernemen. Daarop deelde de heer [X] mij mede dat hij haar naam niet mocht geven. (...) Ondertussen moesten zowel cliënten als ik wachten en was mijn bagage inmiddels meegenomen en in “de ruim” gezet.

Terwijl ik stond te wachten wat er ging gebeuren, sprak ik met de medewerkster (eveneens in KLM tenue) die de boardingpas en de paspoorten controleerde. Van haar vernam ik dat recentelijk “de vorm” zou zijn gewijzigd voor transavia passagiers.

Inmiddels kreeg ik een portofoongesprek mee waarin werd medegedeeld dat ik geweigerd werd aan boord door de gezagvoerder en cliënt en diens medewerker wel konden meevliegen.

In overleg met cliënt is toen besloten dat cliënt en diens medewerker alsnog gingen vliegen. Ik mocht inderdaad niet mee.

Ondertussen waren de heer [X] en diens collega’s terug en deelde mij mede dat ik door de gezagvoerder geweigerd ben geworden om veiligheidsredenen. Ik deelde de heer [X] mede dat ik dit onbegrijpelijk vond en verzocht hem met de gezagvoerder contact op te nemen om aan te geven dat er geen enkel reden was/is om mij als een “risicofactor” te zien en dat ik een bijzonder belangrijke afspraak had in Casablanca. De heer [X] nam geen contact op met de gezagvoerder en deelde mij mede dat eenmaal genomen beslissing niet meer kon worden herzien.

2.1.4.

Op de vervoersovereenkomst tussen Transavia en [appellant] zijn de algemene vervoersvoorwaarden van Transavia van toepassing. Daarin wordt onder meer bepaald:

Artikel VII Weigering en beperking van vervoer

1. Recht om Vervoer te weigeren

Vervoerder kan het Vervoer van Passagier weigeren (…) om redenen van orde en veiligheid, of indien, naar het redelijk oordeel van Vervoerder, deze maatregel noodzakelijk is:

(…)

c. omdat de Passagier uitlatingen heeft gedaan of zulk gedrag heeft getoond, die twijfel doen ontstaan met betrekking tot het veilig Vervoer van deze persoon, overige Passagiers en bemanning alsmede de veiligheid van het luchtvaartuig. Dergelijke uitlatingen en/of gedrag omvat tevens dreigende, grove of beledigende taal en/of gedrag richting het grondpersoneel en/of de bemanning.

3 Beoordeling

3.1

In het geding in eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd dat Transavia wordt veroordeeld tot betaling van € 10.122,72 aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke handelsrente. [appellant] heeft gesteld dat Transavia jegens hem tekort is geschoten in de nakoming van de met Transavia gesloten overeenkomst van luchtvervoer door hem de toegang tot de vlucht te weigeren, althans dat Transavia daardoor onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, en dat hij dientengevolge schade heeft geleden tot voormeld bedrag.

3.2

De kantonrechter heeft bij de beoordeling voorop gesteld dat de gezagvoerder bevoegd is die maatregelen te treffen die hij nodig acht om de vliegveiligheid te waarborgen of ter verzekering van de orde en discipline aan boord van het vliegtuig. Het besluit van een gezagvoerder om als ordemaatregel een passagier te weigeren kan zij daarom slechts marginaal toetsen, aldus de kantonrechter. Voorts oordeelde zij dat [appellant] aan zichzelf te wijten heeft dat hem de toegang tot de vlucht werd geweigerd door te weigeren zijn koffer (die de toegestane afmetingen voor handbagage overschreed) af te geven en aldus een redelijke instructie van Transavia niet op te volgen, door met een medewerkster van Transavia en haar supervisor in een hooglopend conflict verzeild te raken en door een foto van de supervisor te maken, ondanks haar uitdrukkelijk verzoek dat niet te doen, met als gevolg dat de securitydienst van Schiphol is ingeschakeld. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen.

3.3

Tegen dat oordeel en de gronden waarop het berust is [appellant] onder aanvoering van 16 grieven in hoger beroep opgekomen. In hoger beroep heeft hij ook, op de voet van artikel 843a Rv, afschriften gevorderd van de door en/of namens en/of in opdracht van Transavia opgestelde rapporten van met name de security officers en de gezagvoerder, indien en voor zover daarvan sprake is. De grieven van [appellant] strekken ertoe te betogen dat het niet aan hem te wijten was dat hem de toegang tot de vlucht werd ontzegd. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij niet heeft geweigerd zijn handbagage af te geven, maar dat hij er bezwaar tegen had dat Transavia als voorwaarde voor het vervoeren van zijn handbagage als ruimbagage stelde dat zij haar aansprakelijkheid voor schade uitsluit (hetgeen hem bleek uit een sticker die hem was verstrekt), dat hij een redelijk belang had bij het vernemen van de naam van de supervisor en de medewerkster in verband met de klacht die hij wenste in te dienen en dat de supervisor verwijten treft omdat zij [appellant] onjuist bejegende.

3.4

Het hof gaat er bij de beoordeling van de grieven veronderstellenderwijs van uit, dat de gang van zaken die ertoe leidde dat [appellant] op de vlucht werd geweigerd, is geweest zoals [appellant] in zijn brief aan Transavia van 24 oktober 2014 heeft beschreven. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] ervan blijk gegeven dat hij ervan uit gaat dat die lezing de gang van zaken accuraat verwoordt, omdat de brief dateert van de dag waarop de weigering tot vervoer plaatsvond.

3.5

Uit de in die brief gerelateerde feiten en omstandigheden volgt allereerst dat de handbagage van [appellant] niet voldeed aan de maximum afmetingen die Transavia op de bewuste datum hanteerde. Tevens volgt daaruit dat [appellant] er in eerste instantie niet aan heeft willen meewerken dat zijn bagage in het ruim werd vervoerd, dat [appellant] zijn beklag wilde doen, geïrriteerd naar de supervisor wees en tegen de supervisor al snel heeft gezegd dat hij een klacht tegen haar zou indienen en dat hij erop heeft aangedrongen dat de supervisor haar naam aan hem bekend zou maken. Toen de supervisor haar naam weigerde te zeggen heeft [appellant] meegedeeld dat hij dan een foto van haar zou maken. De supervisor heeft [appellant] direct laten weten dat dat van haar niet mocht en dat zij, als [appellant] het toch zou doen, aangifte zou doen. Vervolgens heeft [appellant] een foto van de supervisor gemaakt.

3.6

Het gegeven dat [appellant] , tegen de expliciet en in niet mis te verstane bewoordingen geformuleerde wens van de supervisor in, toch een foto van haar heeft gemaakt dient als persoonlijk intimiderend gedrag te worden aangemerkt. Dat geldt temeer in het licht van de onder 3.5 opgesomde gebeurtenissen die aan het maken van de foto vooraf zijn gegaan. Het hof heeft in de brief van [appellant] geen aanknopingspunten aangetroffen voor het oordeel dat de supervisor onredelijk heeft gehandeld door tegen [appellant] , die zijn te grote trolley toen nog niet wilde afgeven, te zeggen dat hij moest wachten en vervolgens door te gaan met haar gesprek. [appellant] had ook geen redelijk belang bij het aandringen op de naam van de supervisor, nu het beschikken over die naam geen vereiste is om een klacht te kunnen indienen. Uit het ontbreken van een naam op de badge van de supervisor had [appellant] intussen ook al af kunnen leiden dat Transavia de namen van haar medewerkers niet zonder meer prijsgeeft.

3.7

Het vertonen van dergelijk intimiderend gedrag, dat als dreigend en grof gedrag tegen het grondpersoneel kan worden gekenschetst, kon naar het oordeel van het hof bij Transavia gerede twijfel doen ontstaan omtrent het veilig vervoer van [appellant] , overige passagiers, de bemanning en het vliegtuig als bedoeld in artikel VII lid 1 onder c van de algemene voorwaarden van Transavia. Aldus rechtvaardigt het gedrag van [appellant] Transavia’s daarop volgende weigering om [appellant] te vervoeren. Het beroep van Transavia op artikel VII lid 1 onder c van haar algemene vervoersvoorwaarden slaagt daarom. Op dit oordeel stuiten de grieven van [appellant] af. Zijn bewijsaanbiedingen missen in het licht van het onder 3.4. gekozen uitgangspunt belang dan wel betreffen geen feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.8

Bij toewijzing van de vordering van [appellant] op grond van artikel 843a Rv bestaat bij deze stand van zaken (en ervan uitgaande dat Transavia over rapporten zou beschikken, hetgeen zij gemotiveerd heeft betwist) geen belang meer, zodat die vordering wordt afgewezen.

3.9

Nu de grieven falen zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. [appellant] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

3.10

Transavia heeft nog gevorderd dat [appellant] in de werkelijk gemaakte proceskosten zal worden veroordeeld en niet in de (gebruikelijke) geliquideerde kosten. Veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten kan aan de orde zijn indien [appellant] met zijn hoger beroep misbruik van procesrecht had gemaakt, maar hetgeen Transavia in dat verband heeft aangevoerd volstaat niet om tot dat oordeel te komen. [appellant] zal dus worden veroordeeld in de geliquideerde kosten van Transavia als in het dictum te vermelden.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Transavia begroot op € 711,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, alsmede met de wettelijke rente, ingeval niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken kostenveroordeling(en);

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, J.E. Molenaar en M.M.M. Tillema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 5 april 2016.