Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1281

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
200.177.329/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:4939, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontzetting van het gezag; grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 5 april 2016

Zaaknummer: 200.177.329/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/215616 / FA RK 14-2481

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. N.H. Fridsma te Heemskerk,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Noord‑Holland, locatie Haarlem,

gevestigd te Haarlem,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de Raad genoemd.

1.2.

De moeder is op 23 september 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 juni 2015 van de rechtbank Noord‑Holland (hierna: de rechtbank), met kenmerk C/15/215616 / FA RK 14-2481.

1.3.

De Raad heeft op 5 november 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De moeder heeft op 3 november 2015 nadere stukken ingediend.

1.5.

Op 4 november 2015 is ter griffie van dit hof een brief van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSSjbjr) ingekomen.

1.6.

[X] , zijnde de oom van de moeder alsmede de voormalige pleegvader van de hierna te noemen minderjarigen (hierna: [X] ), heeft op 20 januari 2016 een schriftelijke reactie ingediend.

1.7.

De zaak is op 15 februari 2016 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw D. van Dijk en mevrouw M. Dik, vertegenwoordigers van de Raad;

- de voogden van de hierna te noemen minderjarigen en een stagiaire namens WSSjbjr;

- [X] en [Y] (hierna ook gezamenlijk: de voormalige pleegouders).

1.9.

[Z] , zijnde de pleegvader van de hierna te noemen minderjarigen, is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter terechtzitting verschenen.

2 De feiten

2.1.

De moeder heeft een relatie gehad met [A] (hierna: de vader). Uit hun relatie zijn geboren [kind a] (hierna: [kind a] ) [in] 2008 en [kind b] (hierna: [kind b] ) [in] 2008 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen).

De kinderen verbleven in de periode van 1 mei 2014 tot en met 30 mei 2015 bij de voormalige pleegouders en verblijven sindsdien bij de pleegvader in [gezinshuis] .

2.2.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord‑Holland (hierna: de kinderrechter) van 6 mei 2014, voor zover thans van belang, is de moeder op verzoek van de Raad geschorst in de uitoefening van het gezag over de kinderen en is Stichting Bureau Jeugdzorg Noord‑Holland (thans: de gecertificeerde instelling de Jeugd- en Gezinsbeschermers) belast met de voorlopige voogdij over de kinderen. Voorts is bepaald dat deze maatregel van kracht blijft, totdat bij gewijsde is beslist op een – naar het hof begrijpt: destijds – nog in te dienen verzoek tot ontzetting of (gedwongen) ontheffing.

2.3.

De Raad heeft naar aanleiding van een zorgmelding van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) onderzoek verricht naar de vraag of sprake is van een zodanig bedreigde ontwikkeling van de kinderen dat een kinderbeschermingsmaatregel in de vorm van een voorlopige voogdij dringend en onverwijld noodzakelijk is en heeft hieromtrent op 12 mei 2014 rapport uitgebracht. De Raad heeft zijn eerdere verzoek om de moeder te schorsen in de uitoefening van het gezag over de kinderen gehandhaafd.

2.4.

Bij beschikking van de kinderrechter van 13 mei 2014 is voormelde beschikking van 6 mei 2014 bekrachtigd. WSSjbjr voert namens de Jeugd- en Gezinsbeschermers de voorlopige voogdij uit.

2.5.

De Raad heeft op 2 februari 2015 een aanvullend rapport uitgebracht en geconcludeerd dat een kinderbeschermingsmaatregel in de vorm van een gezagsbeëindiging – naar het hof begrijpt: primair een ontzetting van het gezag en subsidiair een ontheffing van het gezag – nodig is.

2.6.

Er is thans een begeleide bezoekregeling tussen de moeder en de kinderen van eenmaal per vier weken. Daarnaast is er een wekelijkse belafspraak tussen de moeder en de kinderen. Er is voorts een bezoekregeling tussen de voormalige pleegouders en de kinderen van een weekend per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is de moeder ontzet van het gezag over de kinderen, met benoeming van WSSjbjr tot voogdes over de kinderen.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de Raad primair de moeder te ontzetten van het gezag over de kinderen en subsidiair de moeder te ontheffen van het gezag over de kinderen.

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, naar het hof begrijpt, het inleidend verzoek van de Raad af te wijzen.

3.3.

De Raad verzoekt het door de moeder in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Vaststaat dat het inleidend verzoek van de Raad is ingediend op 21 juli 2014 en ingevolge artikel 28 lid 1 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op de beoordeling daarvan het recht van toepassing is zoals dat gold vóór 1 januari 2015.

Op grond van artikel 1:269 lid 1 (oud) BW kan, indien de rechtbank dit in het belang van de kinderen noodzakelijk oordeelt, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontzet, onder meer op grond van grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van een of meer kinderen.

4.2.

De moeder betoogt – kort gezegd – dat niet is voldaan aan de gronden voor ontzetting van het gezag. Hiertoe voert de moeder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ontzetting van het gezag noodzakelijk is in het belang van de kinderen en dat voldoende is komen vast te staan dat in de periode waarin zij met het gezag was belast, sprake was van grove verwaarlozing door haar van de verzorging en opvoeding van de kinderen. Zij stelt in dit verband dat haar band met de kinderen altijd goed is geweest, dat zij altijd voor hen heeft gezorgd en dat zij niet strafrechtelijk wordt vervolgd voor mishandeling van [kind b] . Zij betwist dat zij de kinderen fysiek of affectief zou hebben mishandeld en hen zou hebben verwaarloosd. Uit het psychologisch onderzoek van de kinderen kan volgens de moeder niet worden afgeleid dat hun ontwikkelingsachterstand is veroorzaakt door grove verwaarlozing. Dat zij niet in staat is geweest de ernstige fysieke mishandeling van [kind b] door de vader te voorkomen, rechtvaardigt volgens de moeder niet de conclusie dat sprake is geweest van grove verwaarlozing door haar van beide kinderen. Zij stelt ten slotte dat de vader van de kinderen niet meer in beeld is, dat zij zich tijdens het strafrechtelijk onderzoek coöperatief heeft opgesteld, dat zij thans meewerkt met de hulpverlening en dat de bezoekmomenten met de kinderen goed verlopen.

4.3.

De Raad heeft hiertegen verweer gevoerd en stelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat aan de gronden voor ontzetting van het gezag is voldaan. De Raad stelt dat de kinderen ernstig zijn getraumatiseerd in de periode dat zij bij de moeder woonden. Volgens de Raad is in de thuissituatie sprake geweest van pedagogische en emotionele verwaarlozing en is [kind b] herhaaldelijk ernstig mishandeld, waarvan [kind a] getuige is geweest. De kinderen vertonen als gevolg hiervan complex probleemgedrag. De Raad stelt verder dat, hoewel de begeleide bezoekregeling goed verloopt, de moeder niet in staat is geweest de kinderen te beschermen tegen de stelselmatige en ernstige mishandeling door de vader en tijdig en adequaat hulp in te roepen. Volgens de Raad heeft de moeder geen verantwoordelijkheid genomen voor de veiligheid van de kinderen, toonde zij weinig inzicht in de betekenis van de gebeurtenissen voor de kinderen en laat zij haar eigen belang prevaleren boven het belang van de kinderen. In dit verband stelt de Raad dat de moeder pas in een heel laat stadium kenbaar heeft gemaakt wie voor de mishandeling van [kind b] verantwoordelijk was, dat zij de kinderen onder druk heeft gezet om tegen niemand iets over de mishandeling te zeggen en dat zij de kinderen niet wenst te bezoeken wanneer zij bij de voormalige pleegouders zijn.

4.4.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [kind b] ernstig fysiek is mishandeld. Medewerkers van Ons Tweede Huis hebben [kind b] op of omstreeks 30 april 2014 bont en blauw thuis aangetroffen en er bij de moeder op aangedrongen naar de huisarts te gaan. Nadat de moeder dit weigerde, heeft Ons Tweede Huis een melding gedaan bij het AMK. Met tussenkomst van [X] is de moeder op 1 mei 2014 samen met de kinderen naar de spoedeisende hulp van het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk gegaan, waar [kind b] medisch is onderzocht en tevens door de vertrouwensarts van het AMK is gezien. Naar aanleiding van de door haar bij [kind b] geconstateerde letsels heeft de vertrouwensarts van het AMK de Forensische Polikliniek Kindermishandeling verzocht beide kinderen forensisch‑medisch te onderzoeken. Blijkens het forensisch‑medisch onderzoek zijn bij [kind b] bevindingen gedaan die het vermoeden van fysieke mishandeling kunnen ondersteunen en is bij [kind a] een traumatische oorzaak, accidenteel dan wel niet‑accidenteel, voor de huidbeschadigingen of littekens niet uit te sluiten. Er loopt thans een strafrechtelijk onderzoek naar mishandeling van [kind b] , waarbij de vader als verdachte is aangemerkt.

Hoewel niet is komen vast te staan dat [kind a] eveneens fysiek is mishandeld, is uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep gebleken dat zij meermaals getuige is geweest van mishandeling van [kind b] door de vader. De moeder heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij eveneens getuige is geweest van de mishandeling van [kind b] op of omstreeks 30 april 2014. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [kind a] de voormalige pleegouders heeft verteld dat zij en de moeder dachten dat [kind b] dood was en de moeder water op diens gezicht heeft gedaan, waarna hij weer bijkwam. De moeder heeft toen geen medische of andere hulp ingeroepen. Daarbij komt dat de moeder in eerste instantie bij herhaling heeft verklaard dat [kind b] met de fiets gevallen zou zijn en lange tijd heeft volhard in haar standpunt dat geen sprake was van mishandeling. Blijkens de brief van 16 maart 2016 van de politie aan de Raad en WSSjbjr heeft de moeder pas tijdens het laatste politieverhoor verklaard dat [kind b] door de vader is mishandeld.

Ook [kind b] heeft tijdens het forensisch‑medisch onderzoek te kennen gegeven dat een val met de fiets of een val in een struik de oorzaak was van de bij hem geconstateerde letsels. Blijkens het onderzoeksrapport van de forensisch arts vormden de door [kind b] gemelde toedrachten echter geen passende verklaring voor het grootste deel van de onderhuidse bloeduitstortingen en de negen brandwonden op zijn billen, zodat deze letsels zijn aangemerkt als verdacht voor een niet‑accidentele oorzaak. Voorts blijkt uit het raadsrapport van 12 mei 2014 dat de school begin maart 2014 voor het eerst grote blauwe plekken op de onderrug van [kind b] heeft waargenomen en dat [kind b] na bevraging door de school te kennen heeft gegeven dat de vader hem had geslagen, hetgeen door [kind a] is bevestigd, terwijl volgens de moeder sprake was van een val met de fiets. Voorts hebben de voormalige pleegouders verklaard dat [kind a] aan hen heeft verteld dat zij en [kind b] van de moeder niets mochten zeggen over de mishandeling en dat de moeder haar elke dag als zij uit school kwam, vroeg of zij het op school gezegd had. Gelet op het voorgaande acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de moeder de kinderen onder druk zette om niets over de mishandeling(en) te vertellen en dat [kind b] de verklaring van de moeder voor zijn letsels van haar heeft overgenomen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de moeder de kinderen onvoldoende heeft beschermd tegen de vader en dat zij de kinderen onvoldoende veiligheid heeft geboden. In de periode waarin de kinderen bij de moeder thuis verbleven en zij het gezag over hen had, heeft de moeder onvoldoende gedaan om de ernstige mishandeling van [kind b] door de vader tegen te gaan en te voorkomen dat [kind a] daarvan getuige zou zijn. In dit verband acht het hof van belang dat de moeder zowel voorafgaand aan de mishandeling van [kind b] eind april 2014 als daarna heeft nagelaten hulp te zoeken en dat zij ook na de AMK‑melding lange tijd geen openheid van zaken heeft gegeven en onvoldoende heeft meegewerkt met de politie en de hulpverlening. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder zowel [kind b] als [kind a] adequate zorg onthouden en toonde zij volstrekt geen inzicht in de gevolgen van de gebeurtenissen voor de kinderen. Bovendien is ter zitting in hoger beroep gebleken dat de moeder nog steeds niet het geadviseerde persoonlijkheidsonderzoek heeft laten verrichten. Het hof volgt de Raad dan ook in zijn standpunt dat de moeder aldus geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de veiligheid van de kinderen en haar eigen belang heeft laten prevaleren boven de belangen van de kinderen.

Daarnaast is uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting gebleken dat er in de thuissituatie bij de moeder onvoldoende basale zorg aanwezig was en dat mogelijk sprake was van onderstimulatie. Het AMK heeft in augustus 2013 geconcludeerd dat de kinderen werden blootgesteld aan (emotionele) mishandeling, omdat zij onvoldoende werden gestimuleerd. Blijkens het aanvullend raadsrapport van 2 februari 2015 heeft de kinderarts van het AMC die in het kader van neonatale zorg een psychologisch onderzoek bij de kinderen heeft verricht, jegens de raadsonderzoeker te kennen gegeven dat de ontwikkelingsachterstand bij [kind b] te verklaren is door een samenspel van zowel biologische risicofactoren als diens opvoedingsomgeving en dat bij het IQ van [kind a] , dat is vastgesteld op beneden gemiddeld niveau, onderstimulatie een rol kan spelen.

4.5.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof, evenals de rechtbank, van oordeel is dat in de periode waarin de kinderen bij de moeder verbleven en zij met het gezag over hen was belast, sprake was van grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van de kinderen. Dat de moeder niet strafrechtelijk wordt vervolgd voor mishandeling van [kind b] doet hieraan, gelet op het voorgaande, niet af.

Voorts is het hof van oordeel dat ontzetting van de moeder van het gezag noodzakelijk is in het belang van de kinderen, temeer nu het gaat om zeer kwetsbare kinderen die beiden gediagnosticeerd zijn met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en met complexe problematiek kampen, als gevolg waarvan zij niet meer bij de voormalige pleegouders konden blijven wonen, maar thans in een gezinshuis verblijven waar hun specifieke hulpverlening kan worden geboden. Het belang van de kinderen verzet zich dan ook tegen het opleggen van een minder verstrekkende maatregel in de vorm van een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing, zoals door de moeder is verzocht.

4.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. M. Wigleven en mr. J.W. Brunt in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2016.